Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:BZ0619

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
31-01-2013
Datum publicatie
05-02-2013
Zaaknummer
16/656456-12 (P) en 16/655399-12 (tul vv)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is veroordeeld tot een kortere gevangenisstraf dan de tijd die hij in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Deze tijd wordt gecompenseerd door bij de toewijzing en omzetting van de vordering tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling het corresponderend aantal uren van de werkstraf af te trekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummers: 16/656456-12 (P) en 16/655399-12 (tul vv)

vonnis van de meervoudige strafkamer van 31 januari 2013

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1961] te [geboorteplaats],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[woonplaats], [adres].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 17 januari 2013.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de raadsman, mr. P.G.M. Lodder te Utrecht, naar voren hebben gebracht.

2. Tenlastelegging

De tenlastelegging is op de zitting gewijzigd. De tenlastelegging is, met wijziging, als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte in de periode van 1 tot en met 2 november 2012

primair heeft geprobeerd [slachtoffer] zwaar te mishandelen, door haar te stompen en slaan in haar gezicht, in haar arm te bijten en haar in haar buik te stompen en subsidiair haar heeft mishandeld.

3. Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4. Waardering van het bewijs

4.1 Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.

Op 2 november 2012 doet [slachtoffer] aangifte van huiselijk geweld. Op 1 november 2012 omstreeks 23:00 uur kreeg zij van verdachte diverse stoten op haar gezicht. Zij voelde pijn bij haar linkeroog en op haar voorhoofd. Verdachte bewoog met zijn mond naar haar rechterarm en hij zette zijn tanden in haar rechterarm. Zij voelde op dat moment een snijdende pijn. [slachtoffer] liep naar de andere kant van het bed, toen verdachte zijn beide handen tot vuisten balde, zijn armen uitstrekte en zij twee stompen aan de beide kanten van haar buik kreeg. Zij voelde op dat moment een hevige pijn. Hij deed dit twee of drie keer. [slachtoffer] ging op de bank zitten, toen verdachte haar weer naderde en haar vier tot vijf keer met gebalde vuisten in haar buik stompte, waardoor zij een drukkende pijn in haar buik kreeg.

Ter plaatse gekomen verbalisanten constateerden dat [slachtoffer] verwondingen in haar gezicht had. Uit de geneeskundige verklaring die over [slachtoffer] is opgemaakt blijkt dat zij bloeduitstortingen had op haar ribben, rug en onderarm. Ook werden tandafdrukken gevonden op haar rechter onderarm, had zij verwondingen op haar voorhoofd, een blauw oog (links) en bloeduitstortingen in het oogwit. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij [slachtoffer] drie maal in haar zij heeft geraakt, dat hij haar in de arm heeft gebeten en dat hij haar een keer of drie in haar buik heeft gestompt.

4.2 Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en baseert zich daarbij op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen. De officier van justitie heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte [slachtoffer] tegen haar gezicht/hoofd heeft geslagen terwijl hij haar bij haar haar vasthield, zodat de verdachte daarvan (partieel) dient te worden vrijgesproken.

4.3 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich namens de verdachte voor wat betreft de bewezenverklaring op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde niet kan worden bewezen, omdat er geen sprake is van voorwaardelijk opzet op zwaar lichamelijk letsel. Voor wat betreft het subsidiair ten laste gelegde refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.

4.4 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde, de poging tot zware mishandeling, niet wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank overweegt daartoe dat de bewezen verklaarde handelingen geen aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel opleveren.

De verdachte wordt daarom van het primair ten laste gelegde vrijgesproken.

Het subsidiair ten laste gelegde kan wettig en overtuigend bewezen worden verklaard op de wijze als hieronder onder 5. staat vermeld. De rechtbank oordeelt dat, anders dan de raadsman stelt, het geconstateerde letsel past bij de feitelijkheden zoals die door aangeefster zijn verklaard.

5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4.1 genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

in de periode van 01 november 2012 t/m 02 november 2012 te Baarn,

opzettelijk mishandelend [slachtoffer]

- met kracht meermalen tegen haar hoofd heeft gestompt en

- die [slachtoffer] in haar arm heeft gebeten en

- die [slachtoffer] met kracht meermalen in haar buik en elders

tegen haar lichaam heeft gestompt,

waardoor voornoemde [slachtoffer] letsel heeft bekomen en pijn heeft

ondervonden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6. De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als

mishandeling

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8. Motivering van de straf

8.1. De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar in de primaire variant bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan twee maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, inclusief verplicht reclasseringscontact, ook wanneer dit in zal houden het voldoen aan een meldplicht en een contactverbod met aangeefster. Ook heeft de officier van justitie de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden gevorderd, omdat verdachte bij herhaling een geweldsfeit heeft gepleegd ten aanzien van dezelfde persoon.

8.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte zich kan vinden in de door de reclassering opgestelde bijzondere voorwaarden en dat de behandeling die verdachte volgt bij De Waag dient te worden voortgezet. De verdediging heeft bepleit het onvoorwaardelijk op te leggen strafdeel te beperken tot de tijd die verdachte (op het moment van de terechtzitting) reeds in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en heeft gewezen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Ten slotte heeft de verdediging verzocht geen contactverbod met [slachtoffer] op te leggen, nu beide partijen geen contact meer met elkaar wensen.

8.3. Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zijn vriendin mishandeld door haar op meerdere plekken op haar lichaam te stompen. Ook heeft hij haar in haar arm gebeten. Aanleiding voor dit geweld was volgens verdachte het feit dat hij wilde slapen, maar aangeefster hem stoorde en hem niet liet slapen. Wat daar ook van zij, dit rechtvaardigt het gebruikte geweld absoluut niet. Verdachte had zijn boosheid op een andere wijze moeten uiten en had daarbij zeker geen geweld mogen gebruiken.

Dit was niet de eerste keer dat verdachte zijn partner mishandelde. Naast incidenten waarvan geen aangifte is gedaan, is verdachte is al twee keer eerder veroordeeld voor relationeel geweld, zoals blijkt uit het uittreksel uit het justitiële documentatieregister d.d. 7 december 2012. De laatste veroordeling dateert van 9 mei 2012 en zag eveneens op mishandeling van zijn vriendin [slachtoffer].

Verdachte volgde ten tijde van de mishandeling waar het in deze zaak over gaat al enige tijd een behandeling in het kader van agressieregulatie bij De Waag. Naar eigen zeggen had hij hier al veel van geleerd, en ging het al een stuk beter met hem. Desalniettemin is deze behandeling tot op heden nog niet afdoende geweest. Het Centrum Maliebaan constateert in haar reclasseringsadvies d.d. 21 december 2012, opgesteld door E.R. Jap-A-Joe, dat het voor verdachte moeilijk is om op een goede manier om te gaan met zijn frustraties en agressie, en dat verdachte zich daarom moet laten behandelen voor agressieregulatie en dat er in dat verband ook nader onderzoek moet plaatsvinden omdat er mogelijk sprake is van een persoonlijkheidsstoornis. Gelet op het gebruik van alcohol in het recente verleden, acht de reclassering daarbij urinecontroles op alcohol noodzakelijk.

De rechtbank overweegt dat verdachte erkent dat hij fout heeft gehandeld en dat hij wil meewerken aan de oplossing van zijn probleem, onder andere door een behandeling bij De Waag. Gelet op bovenstaand reclasseringsrapport legt de rechtbank daarom aan verdachte verplicht reclasseringstoezicht op, met na te noemen voorwaarden. Gelet op de eerdere veroordelingen van verdachte ter zake partnergerelateerd geweld dient er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De rechtbank zal daarom tevens bevelen dat de op grond van artikel 14c te stellen voorwaarden en het op grond van artikel 14d uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

De rechtbank ziet geen reden voor het opleggen van een contactverbod, omdat zowel verdachte als aangeefster hebben aangegeven geen contact meer met elkaar te willen.

De officier van justitie is bij haar eis uitgegaan van een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde. Nu de rechtbank verdachte hiervan zal vrijspreken (maar zal veroordelen voor het subsidiair ten laste gelegde) zal zij een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank heeft in raadkamer reeds besloten het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte op te heffen, zodat op het verzoek van de raadsman strekkende tot opheffing van de voorlopige hechtenis niet meer bij vonnis hoeft te worden beslist.

9. Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de op 15 november 2012 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Utrecht in de zaak met parketnummer 16/655399-12, betreffende het onherroepelijk geworden en op tegenspraak gewezen vonnis d.d. 9 mei 2012 van de politierechter te Utrecht, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 78 dagen met aftrek, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 60 dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Verdachte heeft ter terechtzitting afstand gedaan van zijn recht op hoger beroep.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de proeftijd van deze eerder voorwaardelijk opgelegde straf met een jaar dient te worden verlengd en, mocht de rechtbank dat voorstel niet volgen, de tenuitvoerlegging kan worden gelast, maar dat de gevangenisstraf dient te worden omgezet in een werkstraf van 120 uren.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis.

In beginsel bestaat daarom aanleiding de tenuitvoerlegging van de eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 60 dagen te gelasten.

De rechtbank zal echter rekening houden met het feit dat de op te leggen gevangenisstraf korter is dan de tijd die verdachte reeds in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De rechtbank acht het voorts noodzakelijk dat verdachte behandeld wordt bij De Waag en dat die behandeling snel een aanvang neemt. In een hernieuwde detentieperiode van verdachte ziet de rechtbank geen meerwaarde.

Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank de vordering voor de duur van 60 dagen gevangenisstraf toewijzen en omzetten in een werkstraf. Gelet op de periode die verdachte te lang in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, zal de rechtbank deze gevangenisstraf niet omzetten in de gebruikelijke 120 uur, subsidiair 60 dagen hechtenis, maar in een werkstraf van 88 uur, subsidiair 44 dagen hechtenis. Hiermee zijn de door verdachte te veel in voorlopige hechtenis uitgezeten dagen gecompenseerd.

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 14d, 14e, 14g, 22c, 22d en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

11. Beslissing

De rechtbank:

Spreekt verdachte vrij van de primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

mishandeling

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 (DRIE) maanden, waarvan 1 (EEN) maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (TWEE) jaar.

Bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

stelt als bijzondere voorwaarde:

• veroordeelde moet zich onder toezicht en leiding van Victas (voorheen Centrum Maliebaan) stellen. Vervolgens moet hij gedurende de proeftijd onder toezicht en leiding van Victas blijven en zich naar de door of namens die instelling te geven aanwijzingen gedragen, zolang deze instelling dat nodig vindt, ook wanneer dit in zal houden:

o het zich voor agressieregulatie laten behandelen bij De Waag of soortgelijke ambulante (forensische) zorginstelling, zulks ter beoordeling van de reclassering;

o het meewerken aan verdere diagnostiek in verband met aanwijzingen voor vermoedelijke persoonlijkheidsproblematiek;

o of het (verplicht) deelnemen aan alcohol- of drugscontroles.

Verklaart de op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar.

Draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarde.

Bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf.

Vordering tenuitvoerlegging

Gelast dat van de voorwaardelijke straf van 60 dagen gevangenisstraf, die bij vonnis d.d.

20 december 2011 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 16/655399-12, een gedeelte ten uitvoer zal worden gelegd, te weten 44 dagen en gelast in plaats hiervan: een werkstraf van 88 uur;

Beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, een vervangende hechtenis zal worden toegepast van 44 dagen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.A. Messer, voorzitter,

mrs. P.K. van Riemsdijk en L.M.G. de Weerd, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. H.H. Balk, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 31 januari 2013.