Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:BZ0319

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
28-01-2013
Datum publicatie
01-02-2013
Zaaknummer
UTR 12/2669
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft eiser de maximale dwangsom van € 1.260,- toegekend, omdat verweerder te laat heeft beslist op eisers aanvraag om een bijstandsuitkering. Voorts heeft verweerder bepaald dat deze dwangsom op de aan eiser op grond van de WWB toegekende uitkering in mindering wordt gebracht.

De Rb. is met verweerder van oordeel dat het uitgekeerde bedrag moet worden bestempeld als middelen waarover eiser beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, als bedoeld in art. 31, lid 1 van de WWB. Een dwangsom behoort niet tot de uitgezonderde middelen die zijn opgesomd in art. 31, lid 2 van de WWB. Een daartoe strekkend wijzigingsvoorstel van wetsvoorstel 31844 (Wijziging van enkele bijzondere wetten in verband met de Wet dwangsom bij niet tijdig beslissen) is door de regering vóór de stemming in de Tweede Kamer ingetrokken. De Rb. volgt verweerder echter niet in zijn kwalificatie van de dwangsom als inkomen in de zin van art. 32, lid 1 van de WWB, nu de toekenning van een dwangsom naar zijn aard niet kan worden beschouwd als inkomen, bedoeld in art. 32 van de WWB. Het voorgaande brengt met zich dat de dwangsom op grond van art. 31, lid 1, gelezen in samenhang met art. 34, lid 1, aanhef en onder b, van de WWB moet worden aangemerkt als vermogen. Gelet op het voorgaande, slaagt de beroepsgrond van eiser.

Met inachtneming van het voorgaande, is de Rb. van oordeel dat het bestreden besluit wegens strijd met de artt. 31, 32 en 34 van de WWB niet in stand kan blijven en moet worden vernietigd.

De Rb. voorziet zelf in de zaak en bepaalt dat het primaire besluit, voor zover dat ziet op het aanmerken van de dwangsom als inkomen en het als zodanig in mindering brengen op de aan eiser toegekende bijstandsuitkering, wordt herroepen. Daarbij acht de Rb. voorts van belang dat verweerder ter zitting heeft verklaard dat indien de dwangsom als vermogen moet worden aangemerkt er vanuit moet worden gegaan dat daarmee niet de vermogensgrens wordt overschreden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 12/2669

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 januari 2013 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. B.J.M. de Leest),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder

(gemachtigde: C. van den Bergh).

Procesverloop

Bij besluit van 19 maart 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser de maximale dwangsom van € 1.260,- toegekend. Voorts heeft verweerder bepaald dat deze dwangsom op de aan eiser op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) toegekende uitkering in mindering wordt gebracht.

Bij besluit van 13 juni 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 december 2012. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Op deze zaak is gelet op het overgangsrecht van deel C, artikel 1, van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht nog het recht van toepassing zoals dat gold tot en met 31 december 2012. Het in beroep bestreden besluit is namelijk bekend gemaakt voor 1 januari 2013.

2. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat aan eiser terecht een dwangsom van

€ 1.260,- is toegekend, omdat verweerder te laat heeft beslist op eisers aanvraag om een bijstandsuitkering van 13 december 2011. Bij besluit van 2 maart 2012, waarbij het primaire toekenningsbesluit van 3 februari 2012 is herroepen, is met ingang van 5 augustus 2011 een uitkering voor levensonderhoud op grond van de WWB aan eiser naar de norm van een alleenstaande toegekend.

3. In geschil is de vraag of verweerder de toegekende dwangsom als inkomen heeft mogen aanmerken en als zodanig in mindering heeft mogen brengen op de aan eiser toegekende bijstandsuitkering.

4. Eiser stelt dat een dwangsom niet kan worden aangemerkt als inkomen, omdat het niet wordt betaald uit hoofde van een rechtsverhouding. Evenmin kan het met inkomen gelijkgesteld worden, omdat het enkele feit dat een dwangsom per dag wordt vastgesteld, niet maakt dat deze dwangsom ook herleidbaar is tot een periode. Eiser concludeert dan ook dat de aan hem toegekende dwangsom ten onrechte is verrekend met zijn bijstandsuitkering. Voorts stelt eiser dat bijstandsgerechtigden door het verrekenen van de dwangsom met de bijstandsuitkering geen effectief rechtsmiddel hebben tegen te trage besluitvorming van gemeenten. Dit is in strijd met het doel van de Wet dwangsom en beroep.

5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de dwangsom terecht en op juiste gronden is verrekend met de bijstandsuitkering. Verweerder betoogt dat een op grond van artikel 4:17 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ontvangen dwangsom niet valt onder de in artikel 31, tweede lid, van de WWB genoemde uitzonderingen, zodat het als een middel moet worden aangemerkt. Voorts moet de dwangsom worden aangemerkt als inkomen, als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de WWB. Daarbij heeft verweerder opgemerkt dat artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB geen uitputtende opsomming geeft van de als inkomen aan te merken middelen en dat een dwangsom naar zijn aard gelijk gesteld kan worden aan inkomstenbronnen als genoemd onder a. Een uitbetaling van een dwangsom leidt immers tot een hoger netto-inkomen in een bepaalde periode. Verder stelt verweerder dat voldaan is aan het gestelde onder b van artikel 32, eerste lid, van de WWB, nu de dwangsom per dag is vastgesteld en herleidbaar is tot een periode waarin ook bijstand is genoten. Verweerder meent dan ook dat uit dien hoofde de dwangsom in aanmerking komt voor verrekening met de genoten bijstandsuitkering.

6. Op grond van artikel 31, eerste lid, van de WWB, zoals ten tijde van belang, worden tot middelen gerekend alle vermogens- en inkomensbestanddelen waarover een alleenstaande beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In het tweede lid van dit artikel is een limitatieve opsomming gegeven van wat er niet tot deze middelen wordt gerekend.

7. Artikel 32, eerst lid, van de WWB, zoals ten tijde van belang, bepaalt dat onder inkomen wordt verstaan de op grond van artikel 31 in aanmerking genomen middelen voorzover deze: a. betreffen inkomsten uit of in verband met arbeid, inkomsten uit vermogen, een premie als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel j, een kostenvergoeding als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel k, inkomsten uit verhuur, onderverhuur of het hebben van een of meer kostgangers, socialezekerheidsuitkeringen, uitkeringen tot levensonderhoud op grond van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, voorlopige teruggave of teruggave van inkomstenbelasting, loonbelasting, premies volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdragen als bedoeld in artikel 41 van de Zorgverzekeringswet, dan wel naar hun aard met deze inkomsten en uitkeringen overeenkomen; en

b. betrekking hebben op een periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan.

8. Op grond van artikel 34, eerste lid, van de WWB, zoals ten tijde van belang, wordt onder vermogen verstaan de waarde van de bezittingen waarover de alleenstaande beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met de aanwezige schulden en middelen die worden ontvangen in de periode waarover algemene bijstand is toegekend, voorzover deze geen inkomen betreffen als bedoeld in de artikelen 32 en 33 van de WWB. In het tweede lid van artikel 34 van de WWB is weergegeven wat niet als vermogen in aanmerking wordt genomen.

9. De rechtbank volgt verweerder in zoverre dat het uitgekeerde bedrag moet worden bestempeld als middelen waarover eiser beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, als bedoeld in artikel 31, eerste lid van de WWB. Een dwangsom behoort niet tot de uitgezonderde middelen die zijn opgesomd in artikel 31, tweede lid, van de WWB. Een daartoe strekkend wijzigingsvoorstel van wetsvoorstel 31844 (Wijziging van enkele bijzondere wetten in verband met de Wet dwangsom bij niet tijdig beslissen) is door de regering vóór de stemming in de Tweede Kamer ingetrokken. De rechtbank volgt verweerder echter niet in zijn kwalificatie van de dwangsom als inkomen in de zin van artikel 32, eerste lid, van de WWB, nu de toekenning van een dwangsom naar zijn aard niet kan worden beschouwd als inkomen, bedoeld in artikel 32 van de WWB. Het voorgaande brengt met zich dat de dwangsom op grond van artikel 31, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 34, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB moet worden aangemerkt als vermogen. Gelet op het voorgaande, slaagt de beroepsgrond van eiser.

10. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen behoeft de stelling van eiser dat er geen sprake is van een effectief rechtsmiddel, geen bespreking.

11. Met inachtneming van het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 31, 32 en 34 van de WWB niet in stand kan blijven en moet worden vernietigd.

12. De rechtbank ziet aanleiding om op grond van het bepaalde in artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder c, van de Awb zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat het primaire besluit van 19 maart 2012, voor zover dat ziet op het aanmerken van de dwangsom als inkomen en het als zodanig in mindering brengen op de aan eiser toegekende bijstandsuitkering, wordt herroepen. Daarbij acht de rechtbank voorts van belang dat verweerder ter zitting heeft verklaard dat indien de dwangsom als vermogen moet worden aangemerkt er vanuit moet worden gegaan dat daarmee niet de vermogensgrens wordt overschreden.

13. Eveneens ziet de rechtbank aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door eiser in verband met de behandeling van het bezwaar en beroep gemaakte kosten. Deze kosten worden op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht voor het bezwaar vastgesteld op € 874,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 437,- en een wegingsfactor 1) en voor het beroep vastgesteld op € 944,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 472,-, wegingsfactor 1) te betalen aan eiser. Daarbij merkt de rechtbank op dat voor de bezwaarprocedure het tarief dat gold in 2012 wordt gehanteerd en voor het beroep het met ingang van 1 januari 2013 geldende tarief. Totaal wordt verweerder veroordeeld tot het betalen van € 1.818,-.

14. Uit de gegrondverklaring van het beroep volgt dat verweerder het betaalde griffierecht ten bedrage van € 42,- dient te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 13 juni 2012;

- herroept het primaire besluit van 19 maart 2012, voor zover dat ziet op het aanmerken van de dwangsom als inkomen en het in mindering brengen ervan op de bijstandsuitkering van eiser;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.818,-, te betalen aan eiser;

- bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 42,- aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Stapels-Wolfrat, rechter, in aanwezigheid van mr. A.A.W.M. Hakvoort, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2013.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.