Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:BZ0257

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
24-01-2013
Datum publicatie
31-01-2013
Zaaknummer
16-656233-12 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens medeplegen van een woninginbraak te [woonplaats], mede op basis van verklaringen van medeplichtige. Verwerping verweren over minimale bewijslast en betrouwbaarheid en overtuiging van de verklaringen van de medeplichtige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16-656233-12 [P]

vonnis van de meervoudige strafkamer van 24 januari 2013

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1993] te [geboorteplaats]

wonende te [adres], [woonplaats]

raadsman mr. M.J. Lamers, advocaat te Utrecht

1 Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 10 januari 2013, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met een ander of met anderen op 3 september 2012 heeft ingebroken in een woning te [woonplaats].

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen reden is voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft gepleegd. Hij baseert zich hierbij op de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 1], op de diverse getuigenverklaringen van omwonenden en op de aangifte van [aangever].

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat verdachte dient te worden vrijgesproken, nu niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat hij het ten laste gelegde feit heeft gepleegd. De raadsman voert hiertoe aan dat de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 1] niet als bewijs kunnen dienen omdat deze verklaringen onbetrouwbaar zijn. Daarnaast is de raadsman van oordeel dat er geen wettig bewijs is, nu enkel de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 1] gelet op het bepaalde in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering niet voldoende zijn en er geen ondersteunend bewijsmateriaal is.

De raadsman doet, voor zover de rechtbank aan deze verweren voorbijgaat en van oordeel is dat er voldoende wettig bewijs is, een voorwaardelijk verzoek tot het ter zitting bekijken van de camerabeelden van het tankstation aan de [adres] te [woonplaats] van 3 september 2012, inzake het tanken door [medeverdachte 1]. De raadsman stelt in dit verband dat het bewijs, indien wettig, onvoldoende overtuigend is en dat de waarneming van de camerabeelden die (beperkte) overtuiging nog verder kan ondermijnen. Volgens de raadsman is van belang om vast te stellen hoeveel personen op die beelden te zien zijn.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt omtrent het ten laste gelegde feit het volgende.

De echtgenote van [aangever] heeft op 3 september 2012 omstreeks 8.05 uur hun woning aan de [adres] te [woonplaats], gemeente [woonplaats], verlaten en heeft de woning afgesloten. Diezelfde dag, omstreeks 17.45 uur, had de woning een drietal ingeslagen ruiten, een geforceerde deurstijl, slot en grendel van een buitendeur en een beschadigd raamkozijn. Uit de woning zijn ontvreemd een powerbook, een laptop, een digitale spiegelreflexcamera en een audioset.

Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft over [medeverdachte 2] verklaard dat deze een gouden tand heeft en dat hij vermoedt dat hij donkerbruin haar en een slank postuur heeft. Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft een gouden tand in zijn gebit. Daarnaast heeft [medeverdachte 1] verklaard dat hij wel eens heeft gechild met [naam], de broer van [medeverdachte 3] en dat hij [verdachte] - verdachte - kent. [medeverdachte 1] bezit een rode Opel Corsa.

[medeverdachte 1] heeft voorts verklaard dat hij op maandag 4 september (de rechtbank leest: maandag 3 september 2012) in zijn auto zat met [verdachte], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] en dat hij van [woonplaats] naar [woonplaats] is gereden. Hij zag via zijn binnenspiegel dat [medeverdachte 3] onder zijn jas een koevoet tevoorschijn haalde, waarna hij moest stoppen. Hij heeft de auto gestopt nabij het huis waar is ingebroken en is met [verdachte] bij de auto blijven staan, terwijl [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] achterom naar het huis liepen. Toen ze terug kwamen hadden ze een laptop in hun handen en later in de auto hadden ze ook een fotocamera. Op het moment dat hij de auto weer instapte zag [medeverdachte 1] de contactsleutels op zijn stoel liggen. Hij hoorde [verdachte] later zeggen dat hij de sleutels uit het slot had gehaald en bij zich had gehouden om te voorkomen dat hij weg zou rijden tijdens de inbraak.

Omwonenden hebben verklaard dat zij op 3 september 2012 een rode Opel Corsa in de buurt van de woning aan de [adres] te [woonplaats] zagen met daarbij twee personen en dat zij twee andere personen in de tuin van voornoemd perceel zagen lopen. Deze personen droegen ieder iets onder hun arm, waar snoeren aan bevestigd waren.

Bewijsoverweging

De rechtbank leidt uit de samenhang tussen de verklaringen van [medeverdachte 1] af dat hij met ‘[medeverdachte 2]’ medeverdachte [medeverdachte 2] bedoelt, met ‘[medeverdachte 3]’ medeverdachte [medeverdachte 3] en dat hij met ‘[verdachte]’ verdachte bedoelt.

De rechtbank verwerpt het verweer over de betrouwbaarheid van de verklaringen van [medeverdachte 1]. Zij overweegt hiertoe dat deze, vanaf het moment dat hij bekennende verklaringen heeft afgelegd, consistent zijn voor wat betreft de gang van zaken rondom de inbraak en het door hem geschetste aandeel van verdachte in de gebeurtenissen. Daarnaast komt de door [medeverdachte 1] beschreven gang van zaken, voor zover het de inbraak zelf betreft, overeen met hetgeen de omwonenden hierover hebben verklaard. Met het oog op dit een en ander heeft de rechtbank geen reden om aan de betrouwbaarheid van deze getuige te twijfelen.

De rechtbank verwerpt voorts het verweer dat de verklaringen van [medeverdachte 1] onvoldoende zijn om tot een bewezenverklaring te komen. Volgens het tweede lid van artikel 342 van het Wetboek van Strafvordering - dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan - kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. In dit geval worden deze verklaringen van [medeverdachte 1] in voldoende mate ondersteund door de aangifte van [aangever] en door de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2]. Er is dan ook geen sprake van dat [medeverdachte 1] de enige bron is waarop een bewezenverklaring van het tenlastegelegde kan steunen. De rechtbank concludeert dat het tenlastegelegde wettig kan worden bewezen.

De rechtbank wijst af het voorwaardelijke verzoek van de verdediging tot het bekijken van de camerabeelden van het tankstation. Hiertoe overweegt zij dat het niet relevant is hoeveel personen er op deze beelden te zien zijn, nu ook de diverse omwonenden die als getuige zijn gehoord, hebben verklaard dat zij ten tijde van de inbraak vier personen bij de woning aan de [adres] hebben gezien.

De rechtbank verwerpt ten slotte het verweer dat de verklaringen van [medeverdachte 1] als bewijsmiddel onvoldoende overtuigend zijn om tot een bewezenverklaring te komen. Op basis van de hiervoor genoemde consistentie in die verklaringen over de rol van verdachte en op basis van het feit dat verdachte reeds in de eerste verklaring van [medeverdachte 1] genoemd wordt heeft de rechtbank de overtuiging gekregen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft gepleegd.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 03 september 2012 te [woonplaats], gemeente [woonplaats], tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in / uit een woning (gelegen aan de [adres]) heeft weggenomen twee computers (notebook), een camera en een audioset, geheel toebehorende aan [aangever], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van omstandigheden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 90 dagen, waarvan 54 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Aan de voorwaardelijke gevangenisstraf dienen de bijzondere voorwaarden te worden verbonden dat verdachte zich blijft melden bij de reclassering en dat hij wordt verplicht zich te laten behandelen voor zijn beïnvloedbaarheid bij een forensische polikliniek. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd verdachte op te leggen een werkstraf van 100 uur, bij niet vervulling te vervangen door 50 dagen hechtenis.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman met betrekking tot de strafoplegging geen standpunt kenbaar gemaakt.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft met anderen een inbraak gepleegd in een woning waarbij goederen zijn weggenomen. Woninginbraken zorgen voor veel overlast en schade en maken een inbreuk op de privacy van bewoners. Het is voor hen vaak bijzonder onaangenaam om te leven met de wetenschap dat een vreemde in hun woning is geweest en hun persoonlijke bezittingen heeft doorzocht. Daarnaast versterken woninginbraken gevoelens van onveiligheid in de samenleving. De rechtbank tilt hierom zwaar aan dit feit.

Op grond van de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting is voor een inbraak in een woning een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden in beginsel passend.

De rechtbank ziet echter aanleiding een gedeelte van de straf voorwaardelijk op te leggen. Hiertoe overweegt zij dat de rol van verdachte bij de inbraak beperkter was dan die van de medeverdachten die daadwerkelijk het huis binnen zijn gegaan. Bovendien acht de rechtbank het op basis van het reclasseringsadvies van 30 november 2012 aannemelijk dat verdachte beïnvloedbaar is en dat dit een rol heeft gespeeld bij het plegen van de inbraak. Daarnaast golden voor verdachte gedurende een gedeelte van zijn voorarrest beperkende maatregelen, die voor hem belastend zijn geweest. De rechtbank neemt ten slotte de jonge leeftijd van verdachte in aanmerking en heeft wat betreft de persoon van verdachte kennis genomen van het uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 28 november 2012, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld.

De rechtbank ziet, gelet op de persoon van de verdachte en zijn gebrek aan motivatie voor een behandeling, geen aanleiding om aan het voorwaardelijk deel van de gevangenisstraf bijzondere voorwaarden te verbinden.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van 90 dagen, waarvan 54 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden is.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, en 311 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 90 dagen waarvan 54 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.P.H. van Driel van Wageningen, voorzitter, mr. H.A. Brouwer en mr. C.A.M. van Straalen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K. de Meulder, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 24 januari 2013.