Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:BZ0255

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
24-01-2013
Datum publicatie
31-01-2013
Zaaknummer
16-656232-12 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens medeplichtigheid aan een woninginbraak. Verwerping van beroep op psychische overmacht. Verdachte heeft de medeverdachten naar de woning gebracht, terwijl hij zich bewust was van de aanmerkelijke kans dat zij een inbraak zouden gaan plegen, is vervolgens tijdens de inbraak voor de woning bij zijn auto blijven wachten en heeft hen na de inbraak weggebracht. Van iemand van de leeftijd van verdachte kan gevergd worden dat hij in een dergelijke situatie weerstand biedt en/of zich distantieert.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16-656232-12 [P]

vonnis van de meervoudige strafkamer van 24 januari 2013

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1994] te [geboorteplaats]

wonende te [adres], [woonplaats]

raadsman mr. J.P.W. Nijboer, advocaat te Utrecht

1 Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 10 januari 2013, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte (primair) samen met een ander of met anderen op 3 september 2012 heeft ingebroken in een woning te [woonplaats] of (subsidiair) medeplichtig is geweest aan deze inbraak.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen reden is voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan. Hij is daarom van mening dat verdachte daarvan moet worden vrijgesproken. De officier van justitie acht wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft gepleegd. Hij baseert zich hierbij op de verklaringen van verdachte bij de politie en ter terechtzitting, op de diverse getuigenverklaringen van omwonenden en op de aangifte van [aangever].

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat verdachte dient te worden vrijgesproken van zowel het primair als subsidiair tenlastegelegde, omdat niet kan worden bewezen dat sprake was van opzet bij verdachte op het medeplegen van de inbraak en evenmin dat sprake was van opzet op het ondersteunen daarvan.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

4.3.1 Vrijspraak van het primair tenlastegelegde

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan. Hiertoe overweegt zij dat, hoewel sprake was van een gezamenlijke uitvoering van de inbraak door verdachte en de medeverdachten, niet kan worden vastgesteld dat tussen die medeverdachten en verdachte een bewuste en nauwe samenwerking bestond. Uit de verklaringen van verdachte volgt dat hij eerst vlak voor aanvang van het misdrijf hiervan op de hoogte kwam, dat hij niet was betrokken bij de voorbereiding van de inbraak en bij de taakverdeling en dat hij niet deelde in de opbrengst. Hij is enkel op aanwijzen van één van de medeverdachten naar de betreffende woning gereden, heeft daar gewacht en heeft de drie medeverdachten (met buit) ergens afgezet. Nu bovendien geen verklaringen door de medeverdachten zijn afgelegd over de rol van verdachte en ook anderszins niet is gebleken van andere betrokkenheid van verdachte bij de inbraak dan hiervoor omschreven, komt de rechtbank tot de conclusie dat verdachtes rol ten opzichte van de rol van zijn medeverdachten dermate minderwaardig is dat niet gesproken kan worden van een medepleger.

Gelet hierop zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het primair tenlastegelegde.

4.3.2 Het bewijs ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde

De rechtbank overweegt omtrent het subsidiair ten laste gelegde feit het volgende.

De echtgenote van [aangever] heeft op 3 september 2012 omstreeks 8.05 uur hun woning aan de [adres] te [woonplaats], gemeente[woonplaats], verlaten en heeft de woning afgesloten. Diezelfde dag, omstreeks 17.45 uur, had de woning een drietal ingeslagen ruiten, een geforceerde deurstijl, slot en grendel van een buitendeur en een beschadigd raamkozijn. Uit de woning zijn ontvreemd een powerbook, een laptop, een digitale spiegelreflexcamera en een audioset.

Verdachte heeft over [medeverdachte 1] verklaard dat deze een gouden tand heeft en dat hij vermoedt dat hij donkerbruin haar en een slank postuur heeft. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft een gouden tand in zijn gebit. Daarnaast heeft verdachte verklaard dat hij wel eens heeft gechild met [naam], de broer van [medeverdachte 2] en dat hij [medeverdachte 3] kent. Verdachte bezit een rode Opel Corsa.

Verdachte heeft voorts verklaard dat hij op maandag 4 september (de rechtbank leest: maandag 3 september 2012) in zijn auto zat met [medeverdachte 3], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] en dat hij van [woonplaats] naar [woonplaats] is gereden. Verdachte heeft de auto op aanwijzing van [medeverdachte 2] gestopt nabij het huis waar is ingebroken en is met [medeverdachte 3] bij de auto blijven staan, terwijl [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] achterom naar het huis liepen. Toen ze terug kwamen hadden ze een laptop in hun handen en later in de auto hadden ze ook een fotocamera. Daarna is verdachte met voornoemde [medeverdachte 2], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] van de plaats van de inbraak weggereden en heeft hij deze personen bij het station van Amersfoort afgezet.

Omwonenden hebben verklaard dat zij op 3 september 2012 een rode Opel Corsa in de buurt van de woning aan de [adres] te [woonplaats] zagen met daarbij twee personen en dat zij twee andere personen in de tuin van voornoemd perceel zagen lopen. Deze laatste personen droegen ieder iets onder hun arm, waar snoeren aan bevestigd waren.

Bewijsoverweging

De rechtbank leidt uit de samenhang tussen de verklaringen van verdachte af dat hij met ‘[medeverdachte 1]’ medeverdachte [medeverdachte 1] bedoelt, met ‘[medeverdachte 2]’ medeverdachte [medeverdachte 2] en met ‘[medeverdachte 3]’ medeverdachte [medeverdachte 3].

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman dat verdachte geen opzet had op de inbraak en op het behulpzaam zijn daarbij. De rechtbank stelt in de eerste plaats vast dat sprake is van voorwaardelijk opzet van verdachte op de inbraak die werd gepleegd. Zij overweegt hiertoe dat verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat hij in de auto onderweg naar [woonplaats] door de medeverdachten werd gelast om hen te helpen en dat hij toen het vermoeden kreeg dat zij een inbraak wilden gaan plegen. Hieruit volgt dat verdachte, door desondanks de aanwijzingen van de medeverdachten op te volgen, zich aan de aanmerkelijke kans heeft blootgesteld dat zij daadwerkelijk een inbraak zouden gaan plegen. Aldus heeft verdachte deze kans bovendien welbewust aanvaard en op de koop toegenomen. In de tweede plaats is de rechtbank van oordeel dat verdachte ook opzet had op het behulpzaam zijn bij die inbraak, nu hij de medeverdachten naar het betreffende adres heeft gebracht, terwijl hij zich bewust was van de aanmerkelijke kans dat zij een inbraak zouden gaan plegen, vervolgens tijdens de inbraak voor de woning bij zijn auto op de medeverdachten is blijven wachten en hen na de inbraak naar het station van Amersfoort heeft gebracht.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] op 03 september 2012 te [woonplaats], gemeente [woonplaats], tezamen en in vereniging, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in / uit een woning (gelegen aan de [adres]) hebben weggenomen twee computers (notebook) en een fotocamera en een audioset, geheel toebehorende aan [aangever], waarbij deze verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak, tot het plegen van welk misdrijf verdachte op 3 september 2012 te [woonplaats] opzettelijk behulpzaam is geweest door deze genoemde personen (met een door hem bestuurde auto) naar en van de plaats delict te vervoeren.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op: medeplichtigheid aan diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

5.2.1 Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hij niet strafbaar is vanwege psychische overmacht. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat verdachte het slachtoffer is geworden van de sociale druk die de medeverdachten als groep op hem uitoefenden en dat van hem, mede gezien zijn jonge leeftijd, niet gevergd kon worden dat hij zich distantieerde.

5.2.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat van psychische overmacht geen sprake was.

5.2.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank verwerpt het beroep op psychische overmacht. Zij overweegt hiertoe dat niet aannemelijk is geworden dat de druk die de medeverdachten op verdachte hebben uitgeoefend - wat daar ook van zij - zodanig was, dat hierdoor zijn wilsvrijheid was aangetast en hij die druk redelijkerwijze niet behoefde te weerstaan. Van iemand van de leeftijd van verdachte kan in het algemeen redelijkerwijze gevergd worden dat hij in een dergelijke situatie weerstand biedt en/of zich distantieert. Dat verdachte gemakkelijker beïnvloedbaar is dan leeftijdsgenoten is evenmin aannemelijk geworden. Het over verdachte uitgebrachte reclasseringsadvies biedt voor een andersluidende conclusie ook geen aanknopingspunt.

Verdachte is dus strafbaar, ook omdat niet is gebleken van overige omstandigheden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 60 dagen, waarvan 36 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Aan de voorwaardelijke gevangenisstraf dienen de bijzondere voorwaarden te worden verbonden dat verdachte zich blijft melden bij de reclassering, dat hij deelneemt aan een cognitieve vaardigheidstraining en dat hij, indien hij niet over een adequate dagbesteding beschikt, medewerking verleent aan een traject gericht op het vinden hiervan. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd verdachte op te leggen een werkstraf van 60 uur, bij niet vervulling te vervangen door 30 dagen hechtenis.

6.2 Het standpunt van de verdediging

Mocht de rechtbank tot een veroordeling komen, dan is de raadsman van oordeel dat met het opleggen van een taakstraf kan worden volstaan. In ieder geval is verdachte volgens de raadsman reeds voldoende gestraft door de tijd die hij, grotendeels onder oplegging van beperkende maatregelen, in voorarrest heeft doorgebracht. Verder ziet de raadsman geen aanleiding voor reclasseringstoezicht of voor het opleggen van de bijzondere voorwaarden zoals daarover in het reclasseringsrapport van 27 december 2012 is geadviseerd.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte is medeplichtig aan het plegen van een inbraak in een woning waarbij goederen zijn weggenomen. Woninginbraken zorgen voor veel overlast en schade en maken een inbreuk op de privacy van bewoners. Het is voor hen vaak bijzonder onaangenaam om te leven met de wetenschap dat een vreemde in hun woning is geweest en hun persoonlijke bezittingen heeft doorzocht. Daarnaast versterken woninginbraken gevoelens van onveiligheid in de samenleving. De rechtbank tilt hierom zwaar aan dit feit.

Op grond van de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting is voor een inbraak in een woning een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden in beginsel passend.

De rechtbank ziet echter aanleiding een lagere en een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Hiertoe overweegt zij dat verdachte enkel behulpzaam is geweest bij de inbraak en dat zijn rol derhalve beperkt was. Daarnaast golden voor verdachte gedurende een gedeelte van zijn voorarrest beperkende maatregelen, die voor hem belastend zijn geweest. De rechtbank neemt ten slotte de jonge leeftijd van verdachte in aanmerking en heeft wat betreft de persoon van verdachte kennis genomen van het uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 28 november 2012, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor misdrijven.

De rechtbank ziet, gelet op de persoon van de verdachte, geen aanleiding om aan het voorwaardelijk deel van de gevangenisstraf bijzondere voorwaarden te verbinden.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van 60 dagen, waarvan 36 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden is.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 48 en 311 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert: medeplichtigheid aan diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 60 dagen waarvan 36 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Voorlopige hechtenis

heft het - reeds geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte op met ingang van het tijdstip waarop dit vonnis onherroepelijk wordt.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.P.H. van Driel van Wageningen, voorzitter, mr. H.A. Brouwer en mr. C.A.M. van Straalen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K. de Meulder, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 24 januari 2013.