Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:BY9871

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
23-01-2013
Datum publicatie
29-01-2013
Zaaknummer
323167 - HA ZA 12-670
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uitleg hoofdelijkheidsakte; Haviltex

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

zitting houdend te Utrecht

zaaknummer / rolnummer: 323167 / HA ZA 12-670

Vonnis van 23 januari 2013

in de zaak van

de naamloze vennootschap

ABN AMRO LEASE N.V.,

gevestigd te Utrecht,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. H.M. Fritschy te Amsterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[Gedaagde] HOLDING B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[Gedaagde] ESTATE B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[Gedaagde] ESTATE HOLDING B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

gedaagden in conventie,

eiseressen in reconventie,

advocaat mr. I.C.J.C. van de Klundert te Eindhoven.

Partijen zullen hierna ABN AMRO Lease en [Gedaagden] (afzonderlijk: [Gedaagde] Holding, [Gedaagde] Estate en [Gedaagde] Estate Holding) genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 8 augustus 2012

- het proces-verbaal van comparitie van 11 december 2012, ter gelegenheid waarvan onder meer een akte wijziging van eis in conventie, tevens conclusie van antwoord in reconventie is genomen.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [Gedaagden] maakt onderdeel uit van de zogeheten ‘[Gedaagde]-groep’ die (op

1 april 2011) als volgt was opgebouwd:

2.2. [Gedaagde] Solar Holding B.V. (hierna: Solar Holding) is de moedervennootschap van [Gedaagde] Solar Systems B.V., [bedrijf 5] en Solar [Gedaagde] Nederland B.V.

2.3. Op 27 juni 2006 heeft de rechtsvoorgangster van [Gedaagde] Holding 403-verklaringen afgegeven voor de schulden van (de rechtsvoorgangers van) [Gedaagde] Estate en [Gedaagde] Estate Holding.

2.4. Op 25 juni 2007 heeft (de rechtsvoorgangster van) ABN AMRO Lease met Solar Holding een financiële pand lease-overeenkomst gesloten met betrekking tot machines voor de fabricage van zonne-energiesystemen voor een investeringsbedrag van € 10.000.000,-- (hierna: Overeenkomst I).

2.5. Bij brief van 6 februari 2010 heeft ABN AMRO Lease aan Solar Holding meegedeeld de limiet van de faciliteit die op grond van de onder 2.8 bedoelde bereidstellingsofferte van 25 augustus 2008 was verleend, te stellen op € 14.000.000,00.

2.6. Op of omstreeks 11 maart 2010 heeft (de rechtsvoorgangster van) ABN AMRO Lease een sale en lease-overeenkomst gesloten met [Gedaagde] Estate strekkende tot het verkopen (voor een bedrag van € 309.876,--) door laatstgenoemde aan ABN AMRO Lease van een zonne-energiesysteem en het vervolgens terugleasen ervan.

Artikel 14 van deze overeenkomst luidt als volgt:

“Artikel 14 Bijzondere voorwaarden

- U zult ten behoeve van Amstel Lease een recht van Opstal verlenen op het Dak waar het object zal worden gesitueerd.

- Deze overeenkomst doen wij gestand onder de hoofdelijke aansprakelijkheid van de partijen zoals vermeld in de hoofdelijkheidsakte.

- De gehele foto-voltaïsche installatie (hierna te noemen: “Materieel”) dient conform fabrieksrichtlijnen te worden onderhouden en regelmatig te worden schoongemaakt.

- Wij ontvangen een kopie van het geldig legitimatiebewijs van de bevoegde ondertekenaars van de overeenkomst.”

2.7. Op of rond dezelfde datum hebben [Gedaagde] Estate, Solar Holding en [Gedaagde] Estate Holding ten behoeve van (de rechtsvoorgangster van) ABN AMRO Lease een hoofdelijkheidsakte ondertekend die, voor zover relevant, luidt als volgt:

“(…)

DE ONDERGETEKENDEN:

1. a. [Gedaagde] Estate B.V. (…) hierna te noemen: “Ondergetekende sub 1.a.”

en

b. [Gedaagde] Solar Holding B.V.

(...)

[Gedaagde] Estate Holding B.V.

(…)

hierna zowel gezamenlijk als ieder afzonderlijk te noemen: “Ondergetekenden sub 1.b.”,

de Ondergetekende sub 1.a. en de Ondergetekenden sub 1.b. gezamenlijk worden hierna ook wel genoemd: “de Ondergetekenden sub 1.”;

en

2. Amstel Lease Maatschappij N.V. (…)

hierna te noemen: “Amstel Lease”;

OVERWEGENDE DAT:

• de Ondergetekenden sub 1. deel uitmaken van één concern;

• Amstel Lease met een (of meer) van de Ondergetekenden sub 1. (Lease-)overeenkomsten, hierna te noemen: “(Lease-)overeenkomsten”, zal aangaan dan wel is aangegaan en of (Lease-)overeenkomsten die door derden met een (of meer) van de Ondergetekenden sub 1. zijn of zullen worden aangegaan, van deze derden heeft overgenomen of eventueel zal overnemen;

• de Ondergetekenden sub 1. in economisch opzicht een belangengemeenschap vormen en mitsdien belang hebben bij (Lease-)overeenkomsten tussen (één van) hen en Amstel Lease;

KOMEN OVEREEN ALS VOLGT:

1. Ieder der ondergetekenden sub 1. is tegenover Amstel Lease hoofdelijk verbonden voor al hetgeen Amstel Lease nu of te eniger tijd, uit hoofde van voorbedoelde (Lease-) overeenkomsten of uit welken andere hoofde ook, van de Ondergetekenden sub 1. en van hen die vanaf heden tot deze overeenkomst zullen toetreden, zowel van hen tezamen als van ieder van hen afzonderlijk, te vorderen heeft of zal hebben.

(…)”

2.8. Op 29 november 2010 hebben ABN AMRO Lease en Solar Holding (op basis van een door beide partijen ondertekende bereidstellingsofferte d.d. 25 augustus 2008) een financiële pand lease-overeenkomst gesloten met betrekking tot een productielijn voor een investeringsbedrag van € 15.000.000 (hierna te noemen: Overeenkomst II).

2.9. Op Overeenkomst I en Overeenkomst II zijn de Algemene voorwaarden financiële lease pandrecht van ABN AMRO Lease van toepassing. Artikel 15 van deze algemene voorwaarden luidt als volgt:

“Alle kosten welke ABN AMRO Lease moet aanwenden wanneer Cliënt zijn verplichtingen uit de leaseovereenkomst niet nakomt, zijn voor rekening van Cliënt. Cliënt is dus te allen tijde verplicht, behalve het op grond van de leaseovereenkomst verschuldigde, ook de gerechts-, incasso- en executiekosten, alsmede de kosten van rechtskundige bijstand, derhalve de gerechtelijke en de buitengerechtelijke invorderingskosten te voldoen. Bij de incasso van geldvorderingen worden de buitengerechtelijke kosten daarbij gefixeerd op 15% van het in te vorderen bedrag, met een minimum van EUR 250,- excl. btw.”

2.10. In maart 2012 zijn alle onder 2.2 genoemde vennootschappen failliet verklaard. ABN AMRO Lease stelt dat haar vorderingen op Solar Holding uit hoofde van Overeenkomsten I en II per maart 2012 bedragen respectievelijk € 581.193,-- en

€ 12.735.932,--.

2.11. Bij brieven van 22 maart 2012 en 2 april 2012 heeft ABN AMRO Lease [Gedaagden] aangesproken tot betaling van het uit 2.10 volgende totaalbedrag van € 13.317.125,00. [Gedaagden] heeft niet aan deze sommatie is voldaan.

2.12. Bij beschikkingen van 22 maart, 24 mei en 25 juni 2012 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Alkmaar aan ABN AMRO Lease verlof verleend tot het leggen van beslag ten laste van [Gedaagde] Holding. Bij beschikking van 24 mei 2012 heeft de voorzieningenrechter aan ABN AMRO Lease bovendien verlof verleend tot het leggen van beslag ten laste van [Gedaagde] Estate en [Gedaagde] Estate Holding.

2.13. Bij vonnis van 21 juni 2012 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Alkmaar de vorderingen van [Gedaagden] strekkende tot opheffing van de gelegde beslagen afgewezen.

3. Het geschil

in conventie

3.1. ABN AMRO Lease vordert samengevat - na eiswijziging veroordeling van [Gedaagden] tot betaling van € 11.982.140,10, vermeerderd met rente en kosten (een bedrag van € 6.422,00 aan buitengerechtelijke kosten, de proceskosten, de beslagkosten en de nakosten), alsmede waarmerking van het vonnis als Europese executoriale titel.

De gevorderde hoofdsom is als volgt opgebouwd:

- vordering uit hoofde van Overeenkomst I: € 581.193,00

- vordering uit hoofde van Overeenkomst II: € 11.309.842,00

- juridische kosten ex artikel 15 van de Algemene Voorwaarden € 91.105,10

Totaal € 11.982.140,10

3.2. De gevorderde hoofdsom bestaat uit niet-nagekomen verplichtingen van Solar Holding jegens ABN AMRO Lease. De aansprakelijkheid van [Gedaagde] Estate en [Gedaagde] Estate Holding voor deze verplichtingen is gegrond op de hoofdelijkheidsakte van 11 maart 2010, waarmee [Gedaagde] Estate en [Gedaagde] Estate Holding zich (volgens ABN AMRO Lease) hoofdelijk voor deze verplichtingen hebben verbonden. [Gedaagde] Holding is op grond van de afgegeven 403-verklaringen aansprakelijk voor de verplichtingen die voor [Gedaagde] Estate en [Gedaagde] Estate Holding uit de hoofdelijkheidsakte voortvloeien, aldus ABN AMRO Lease.

3.3. [Gedaagden] voert verweer.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.5. [Gedaagden] vordert samengevat - in reconventie het volgende:

primair: dat de rechtbank voor recht verklaart dat de hoofdelijkheidsakte wegens dwaling is vernietigd door de buitengerechtelijke verklaring van 29 maart 2012,

subsidiair: dat de rechtbank de hoofdelijkheidsakte wegens dwaling vernietigt,

primair en subsidiair: - dat de rechtbank de beslagen opheft en ABN AMRO Lease veroordeelt om alle formaliteiten te verrichten die noodzakelijk zijn voor doorhaling, op straffe van verbeurte van een dwangsom,

- dat de rechtbank ABN AMRO Lease veroordeelt in de proceskosten.

3.6. ABN AMRO Lease voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie

4.1. De kern van het geschil tussen partijen betreft het antwoord op de vraag of [Gedaagde] Estate en [Gedaagde] Estate Holding zich bij de hoofdelijkheidakte van 11 maart 2010 hoofdelijk hebben verbonden voor alle verplichtingen die de ondertekenaars van die akte (naast voormelde partijen ook Solar Holding) zijn aangegaan dan wel zouden aangaan jegens ABN AMRO Lease (standpunt ABN AMRO Lease), dan wel dat deze hoofdelijke verbondenheid beperkt is tot de verplichtingen van [Gedaagde] Estate jegens ABN AMRO Lease uit hoofde van de onder 2.6 bedoelde lease-overeenkomst, hierna: de lease-overeenkomst (standpunt [Gedaagden]).

4.2. De vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld en of dit contract een leemte laat die moet worden aangevuld, kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht.

4.3. De rechtbank constateert dat de tekst van artikel 1 van de hoofdelijksakte erop wijst dat partijen met het ondertekenen van deze akte beoogden dat de “Ondergetekenden sub 1” ([Gedaagde] Estate, Solar Holding en [Gedaagde] Estate Holding) zich zouden verbinden jegens ABN AMRO Lease voor al hetgeen ABN AMRO Lease jegens al deze partijen te vorderen had of zou hebben. In de tekst van deze bepaling wordt:

- geen onderscheid gemaakt tussen de “Ondergetekende sub 1a” ([Gedaagde] Estate) en de “Ondergetekenden sub 1b” ([Gedaagde] Solar en [Gedaagde] Estate Holding),

- gesproken over “overeenkomsten” (meervoud) alsmede

- gesproken van “zowel van hen tezamen als van ieder van hen afzonderlijk”.

4.4. Zoals hiervoor reeds is overwogen, is de tekst van een overeenkomst echter niet allesbepalend. Er kunnen zich omstandigheden voordoen op basis waarvan een overeenkomst anders moet worden uitgelegd dan deze strikt op papier is verwoord. Die omstandigheden doen zich naar het oordeel van de rechtbank hier voor.

4.5. Tussen partijen staat vast dat zij voorafgaande aan de ondertekening van de lease-overeenkomst (zie onder 2.6) en de hoofdelijkheidsakte (zie onder 2.7) nooit met elkaar hebben gesproken over de inhoud van de hoofdelijkheidsakte zelf en de reikwijdte daarvan. De enige concrete handeling van de zijde van [Gedaagde] Estate en [Gedaagde] Estate Holding waaraan ABN AMRO Lease het vertrouwen stelt te hebben ontleend dat deze partijen de wil hadden om zich te verbinden voor meer dan alleen de verplichtingen uit hoofde van de lease-overeenkomst, is de ondertekening van de hoofdelijkheidsakte door deze partijen en de mededeling in de e-mail van 16 maart 2010 van de zijde van “[Gedaagde] Solar” dat zij de ontvangen documentatie “aandachtig heeft doorgenomen” (productie 16 van ABN AMRO Lease). Naar het oordeel van de rechtbank heeft ABN AMRO Lease aan laatstgenoemde mededeling evenwel niet de strekking mogen geven die zij daaraan heeft gegeven. Vast staat dat deze e-mail niet afkomstig was van [Gedaagde] Estate of [Gedaagde] Estate Holding, maar van Solar Holding, dat Solar Holding door de Estate-vennootschappen was ingeschakeld om met name de door ABN AMRO Lease aangeboden complexe financieringsconstructie te beoordelen en dat deze reactie dus op de verstrekte documentatie met betrekking tot die constructie zag.

4.6. Ook aan de ondertekening van de hoofdelijkheidsakte heeft ABN AMRO Lease, gelet op hetgeen hierna zal worden overwogen, niet de verwachting mogen ontlenen dat [Gedaagde] Estate en [Gedaagde] Estate Holding zich beoogden te verbinden voor meer verplichtingen dan die voortvloeiden uit de lease-overeenkomst van 11 maart 2010.

Ontbreken juridische bijstand

4.7. Ten eerste staat vast dat de ondertekening heeft plaatsgevonden door de heer [betrokkene] als “Financial Director” van [Gedaagde] Estate en [Gedaagde] Estate Holding (hierna: [betrokkene]), die geen jurist is en die zich niet heeft voorzien van juridische bijstand. ABN AMRO Lease heeft niet weersproken dat zij van deze hoedanigheid en van het ontbreken van juridische bijstand op de hoogte was. Beide partijen moeten op zichzelf wel als professionele partijen worden beschouwd, maar gelet op het feit dat ABN AMRO Lease wel was voorzien van juridische bijstand (zij heeft de hoofdelijkheidsakte eenzijdig opgesteld) en [Gedaagden] niet, kan de relatie op dit punt niet als gelijkwaardig worden gekwalificeerd.

Koppeling tussen hoofdelijkheidsakte en lease-overeenkomst

4.8. Ten tweede vloeit het aangaan van de hoofdelijkheidsakte rechtstreeks voort uit de lease-overeenkomst van 11 maart 2010, en in het bijzonder uit de tweede voorwaarde van artikel 14 daarvan: "Deze overeenkomst doen wij gestand onder de hoofdelijke aansprakelijkheid van de partijen zoals vermeld in de hoofdelijkheidsakte”. Uit deze bepaling zelf wordt derhalve niet duidelijk dat ABN AMRO Lease hoofdelijke aansprakelijkheid wenste voor verdergaande verplichtingen dan die zouden voortvloeien uit de lease-overeenkomst. De inhoud van de overige door ABN AMRO Lease gestelde bijzondere voorwaarden bieden daarvoor ook geen aanknopingspunt. Deze strekken tot:

- het verlenen van een recht van opstal op het dak waar het zonne-energiesysteem zou worden geïnstalleerd dat met de lease-overeenkomst zou worden gefinancierd

- het onderhouden van dat systeem en

- het verstrekken van een kopie van het legitimatiebewijs van de ondertekenaars.

Deze overige voorwaarden zijn duidelijk beperkt tot de lease-overeenkomst van 11 maart 2010. Gelet hierop heeft ABN AMRO Lease niet zonder meer mogen verwachten dat [Gedaagde] Estate en [Gedaagde] Estate Holding erop bedacht zouden zijn dat de overeen te komen hoofdelijke aansprakelijkheid zich uit zou strekken over meer dan de verplichtingen die zouden voortvloeien uit de betreffende lease-overeenkomst.

Inrichting hoofdelijkheidsakte

4.9. Ten derde is in dit kader van belang dat de wijze waarop de partijen in de hoofdelijkheidsakte zijn vermeld, [Gedaagde] Estate en [Gedaagde] Estate Holding eenvoudig op het verkeerde been heeft kunnen zetten. In zijn algemeenheid is het niet gebruikelijk dat een partij die een nieuwe verplichting aangaat en daarvoor van haar wederpartij zekerheid moet stellen in de vorm van een hoofdelijke aansprakelijkheid, zelf in de hoofdelijkheidsakte als partij fungeert. Het zijn juist derden die de betreffende zekerheid moeten stellen. ABN AMRO Lease stelt dat [Gedaagde] Estate uit de opname van [Gedaagde] Estate in de hoofdelijkheidsakte heeft moeten afleiden dat ABN AMRO Lease ook van haar verwachtte dat zij zich hoofdelijk aansprakelijk zou stellen voor alle verplichtingen van [Gedaagde] Estate Holding en Solar Holding jegens ABN AMRO Lease. Een dergelijke conclusie ligt evenwel - gelet op de inrichting van de kop van de hoofdelijkheidsakte - niet voor de hand. In die kop wordt immers een onderscheid gemaakt tussen “Ondergetekende sub 1.a” ([Gedaagde] Estate) en “Ondergetekenden sub 1.b.” (Solar Holding en [Gedaagde] Estate Holding). Indien alle partijen zich hoofdelijk aansprakelijk zouden stellen voor al hun verplichtingen jegens ABN AMRO Lease, is niet (meteen) goed te begrijpen waarom deze tweedeling in partijen wordt gemaakt. De tweedeling zet de lezer van de hoofdelijkheidsakte op het verkeerde been, omdat als het ware een tegenstelling wordt gecreëerd tussen [Gedaagde] Estate aan de ene kant en Solar Holding en [Gedaagde] Estate Holding aan de andere kant. Deze omstandigheid komt voor rekening en risico van ABN AMRO Lease, omdat zij degene is geweest die (eenzijdig) de tekst van hoofdelijkheidsakte heeft bepaald.

Eenmaal op het verkeerde spoor kunnen [Gedaagde] Estate en [Gedaagde] Estate Holding, zoals zij stellen, artikel 1 van de hoofdelijkheidsakte aldus hebben gelezen dat de “Ondergetekenden sub 1.b” zich hoofdelijk aansprakelijk stelden voor de verplichtingen van “Ondergetekende sub 1.a.” jegens ABN AMRO Lease. Een dergelijke lezing sluit ook aan bij de achtergrond van de hoofdelijkheidsakte, namelijk dat deze een rechtstreeks gevolg is van het aangaan van de lease-overeenkomst van 11 maart 2010, en ook als een logisch uitvloeisel daarvan kon worden beschouwd. [Gedaagde] Estate en [Gedaagde] Estate Holding mochten immers verwachten dat ABN AMRO Lease aanvullende zekerheid zou willen hebben voor de nakoming van de uit de overeenkomst van 11 maart 2010 voor [Gedaagde] Estate voortvloeiende verplichtingen, omdat het onroerend goed waarover [Gedaagde] Estate beschikte, reeds aan de huisbank, de Rabobank, was verhypothekeerd.

Wanverhouding en het ontbreken van belang

4.10. Als vierde, en belangrijkste, omstandigheid noemt de rechtbank dat er sprake is van een wanverhouding tussen het financiële belang van de lease-overeenkomst van 11 maart 2010 (€ 309.876,--), en de omvang van de verplichtingen van Solar Holding waarvoor [Gedaagde] Estate en [Gedaagde] Estate Holding zich met de hoofdelijkheidsakte - volgens de door ABN AMRO Lease gevolgde uitleg - hoofdelijk aansprakelijk zouden maken. Die verplichtingen van Solar Holding betroffen onder meer de kredietfaciliteit die door ABN AMRO Lease aan haar was verleend en waarvan de limiet op 8 februari 2010 was gesteld op € 14.000.000 (zie productie 8 van [Gedaagden]). Vaststaat tussen partijen dat [Gedaagde] Estate en [Gedaagde] Estate Holding van deze kredietfaciliteit geen gebruik mochten maken, zodat zij ook geen belang hadden om zich voor de daaruit voortvloeiende verplichtingen hoofdelijk aansprakelijk te stellen.

4.11. Binnen de [Gedaagde]-groep was het ook niet gebruikelijk dat vennootschappen uit de ene divisie zich aansprakelijk stelden voor activiteiten die in een andere divisie plaatsvonden. De verschillende divisies, kort gezegd Solar, Estate en Glas, opereerden als zelfstandige economische eenheden. Dat dat zo was en dat ABN AMRO Lease dat wist blijkt onder meer uit het feit dat niet gesteld of gebleken is dat ABN AMRO Lease voor de aan Solar Holding verleende kredietfaciliteit zekerheidsstelling door ondernemingen van andere divisies van de [Gedaagde]-groep vereist heeft. Uit het ter comparitie verhandelde blijkt voorts dat ABN AMRO Lease niet heeft overwogen om de kredietfaciliteit die al was verleend aan Solar Holding, in te zetten ter financiering van het zonne-energiesysteem voor [Gedaagde] Estate. In zoverre was er derhalve sprake van gescheiden financieringen. Ook voor een andere vergelijkbare lease-overeenkomst (ten behoeve van de financiering van [Gedaagde] Power Plants Germany GmbH; productie 15 van [Gedaagden]) heeft ABN AMRO Lease alleen een garantie gevraagd van de moedermaatschappij van de volledige groep ([Gedaagde] s.à.r.l.), en niet van ondernemingen uit andere divisies van de [Gedaagde]-groep. Deze garantie was bovendien beperkt tot het door ABN AMRO Lease gefinancierde bedrag van de betreffende overeenkomst zelf (productie 16 van [Gedaagden]).

Gelet op:

- de hiervoor genoemde omstandigheden,

- de omstandigheid dat de hoofdelijkheidsakte eenzijdig is opgesteld en

- de omstandigheid dat de hoofdelijkheidsakte - in het licht van de gelijkenissen met de hoofdelijkheidsakte die als productie 6 door [Gedaagden] is overgelegd - door ABN AMRO Lease kennelijk als standaardakte (voor de [Gedaagde]-groep) is gebruikt,

legt de zinsnede in de hoofdelijkheidsakte dat [Gedaagde] Estate, Solar Holding en [Gedaagde] Estate Holding “in economisch opzicht een belangengemeenschap vormen en mitsdien belang hebben bij (Lease-)overeenkomsten tussen (één van) hen en Amstel Lease” onvoldoende gewicht in de schaal om de conclusie te rechtvaardigen dat [Gedaagde] Estate en [Gedaagde] Estate Holding wel belang hadden bij de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de verplichtingen van Solar Holding.

4.12. De omstandigheid dat Solar Holding zich in de onderhavige situatie wel hoofdelijk aansprakelijk heeft gesteld voor de verplichtingen van een onderneming uit een andere divisie (namelijk voor [Gedaagde] Estate en [Gedaagde] Estate Holding), heeft bij [Gedaagde] Estate en [Gedaagde] Estate Holding geen bevreemding hoeven te wekken, omdat dat is te verklaren door het feit dat het voorwerp van de betreffende lease-overeenkomst divisie-overstijgend was. Immers, het object dat met de lease-overeenkomst werd gefinancierd, werd geproduceerd in de Solar-divisie. Solar Holding is dan weliswaar niet de vennootschap die het betreffende zonne-energiesysteem feitelijk vervaardigde, maar zij had er als moeder van de producent wel belang bij dat de levering van het zonne-energiesysteem aan [Gedaagde] Estate zou doorgaan, en dat ABN AMRO Lease de benodigde financiering aan [Gedaagde] Estate zou verstrekken.

Niet op de hoogte van omvang verplichtingen Solar Holding

4.13. Ten vijfde geldt dat ABN AMRO Lease haar stelling onvoldoende heeft onderbouwd dat [Gedaagde] Estate en [Gedaagde] Estate Holding op de hoogte waren van de omvang van de financiële verplichtingen van Solar Holding jegens ABN AMRO Lease. Ook om die reden heeft zij redelijkerwijs niet mogen verwachten dat [Gedaagde] Estate en [Gedaagde] Estate Holding zich voor dergelijke (onbekende) verplichtingen hoofdelijk aansprakelijk zouden stellen. ABN AMRO Lease heeft ter comparitie aangevoerd dat zij weliswaar nooit stukken aan [Gedaagden] heeft gezonden waaruit de schuldpositie van Solar Holding blijkt, maar dat [betrokkene] op de hoogte kon zijn van die schuldpositie, nu er een link bestaat tussen [Gedaagde] Holding en Solar Holding bestaande daaruit dat [betrokkene] samen met [Gedaagde] s.à.r.l., in de persoon van de heer [A], bestuurder is van [Gedaagde] Holding, en de heer [A] tevens commissaris is bij en gevolmachtigde is van Solar Holding. Naar het oordeel van de rechtbank is deze link te zwak om daaruit de conclusie te kunnen trekken dat [Gedaagde] Estate en [Gedaagde] Estate Holding feitelijk op de hoogte waren van de schuldpositie van Solar Holding. Ook de in de conclusie van antwoord in reconventie door ABN AMRO Lease ingenomen stelling dat [Gedaagde] Estate op de hoogte moet worden geacht van de omvang van de financiële verplichtingen van Solar Holding, omdat zij een gezamenlijke moedermaatschappij heeft ([Gedaagde] s.à.r.l.), is onvoldoende voor een dergelijke conclusie.

4.14. Gelet op:

- de wanverhouding tussen het financiële belang van de leaseovereenkomst en de omvang van de financiële verplichtingen van Solar Holding jegens ABN AMRO Lease (14 miljoen euro),

- het ontbreken van een concreet belang aan de zijde van [Gedaagde] Estate en [Gedaagde] Estate Holding bij de door Solar Holding jegens ABN AMRO Lease aangegane verplichtingen,

- het ontbreken van overleg tussen partijen over de inhoud van de hoofdelijkheidsakte,

- het ontbreken van juridische bijstand aan de zijde van [Gedaagde] Estate en [Gedaagde] Estate Holding,

- de koppeling tussen de hoofdelijkheidsakte en de lease-overeenkomst,

- de misleidende inrichting van de kop van de hoofdelijkheidsakte,

- en de wetenschap van ABN AMRO Lease over de hiervoor genoemde omstandigheden,

mocht ABN AMRO Lease redelijkerwijs niet verwachten dat [Gedaagde] Estate en [Gedaagde] Estate Holding met ondertekening van de hoofdelijkheidsakte beoogden een verdergaande hoofdelijke aansprakelijkheid te aanvaarden dan voor de verplichtingen die voortvloeiden uit de lease-overeenkomst van 11 maart 2010.

4.15. Nu de vorderingen van ABN AMRO Lease jegens [Gedaagde] Estate en [Gedaagde] Estate Holding op het bestaan van een dergelijke verdergaande aansprakelijkheid zijn gebaseerd, moeten deze worden afgewezen.

4.16. Gelet op het feit dat de vordering van ABN AMRO Lease jegens [Gedaagde] Holding is gegrond op haar aansprakelijkheid uit hoofde van de afgegeven 403-verklaringen voor de schulden van [Gedaagde] Estate en [Gedaagde] Estate Holding uit hoofde van de hoofdelijkheidsakte van 11 maart 2010 en van dergelijke schulden in het licht van het voorgaande geen sprake is, moet ook de vordering jegens [Gedaagde] Holding worden afgewezen.

4.17. ABN AMRO Lease zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [Gedaagden] worden begroot op:

- griffierecht € 3.621,00

- salaris advocaat 6.422,00 (2,0 punten × tarief € 3.211,00)

Totaal € 10.043,00

in reconventie

4.18. Uit de conclusie van eis in reconventie van [Gedaagden] blijkt dat de vorderingen strekkende tot een verklaring voor recht dat de hoofdelijkheidsakte wegens dwaling is vernietigd, en (subsidiair) strekkende tot vernietiging van de akte door de rechtbank, is ingesteld onder de voorwaarde dat de rechtbank zou oordelen dat uit de hoofdelijkheidsakte een verbintenis van [Gedaagde] Estate en [Gedaagde] Estate Holding voortvloeit voor de verplichtingen van Solar Holding. Nu de rechtbank in conventie niet tot een dergelijke conclusie is gekomen, is deze voorwaarde niet vervuld, zodat deze vorderingen geen behandeling behoeven.

4.19. Ten aanzien van de vordering tot opheffing van de door ABN AMRO Lease ten laste van [Gedaagden] gelegde beslagen overweegt de rechtbank dat deze beslagen zijn gegrond op de stelling dat [Gedaagde] Estate en [Gedaagde] Estate Holding zich in de hoofdelijkheidsakte mede hebben verbonden voor de verplichtingen van Solar Holding jegens ABN AMRO Lease en dat [Gedaagde] Holding op grond van de verstrekte 403-verklaringen voor deze hoofdelijke verbondenheid mede aansprakelijk is. Nu in conventie is geoordeeld dat van een hoofdelijke aansprakelijkheid voor die verplichtingen geen sprake is en de daartoe ingestelde vorderingen tegen [Gedaagden] worden afgewezen, moet de vordering waarvoor beslag is gelegd, als ondeugdelijk worden beschouwd. De vordering tot opheffing van het beslag is dan ook in beginsel toewijsbaar, tenzij het belang van [Gedaagden] bij opheffing niet opweegt tegen het belang van ABN AMRO Lease bij handhaving van het beslag in afwachting van een eventuele beslissing in hoger beroep (en cassatie). Van die situatie is hier geen sprake. [Gedaagden] heeft voldoende onderbouwd dat zij concrete plannen heeft om de beslagen onroerende zaken te verkopen, hetgeen door het laten liggen van de beslagen kan worden doorkruist, en dat de beslagen gevolgen heeft gehad voor haar relatie met haar huisbank (de Rabobank), zodat zij een voldoende zwaarwegend belang heeft bij opheffing van de beslagen. Het belang van ABN AMRO Lease bij het laten liggen van beslagen weegt naar het oordeel van de rechtbank, mede gelet op het feit dat de beslagen onroerende zaken in hypotheek zijn gegeven aan de huisbank van [Gedaagden], niet op tegen het belang van [Gedaagden] bij opheffing van de beslagen. De vordering tot opheffing zal dan ook worden toegewezen en ABN AMRO Lease zal worden bevolen om alle formaliteiten te verrichten die noodzakelijk zijn voor de doorhaling daarvan. De gevorderde dwangsom zal wel worden beperkt als volgt.

4.20. Nu de vorderingen die [Gedaagden] heeft ingesteld in verband met vernietiging van de hoofdelijkheidsakte geen behandeling behoeven, en ABN AMRO Lease in de resterende vorderingen in het ongelijk is gesteld, moet ABN AMRO Lease als in reconventie in het ongelijk gestelde partij worden beschouwd en in de proceskosten van [Gedaagden] worden veroordeeld. Deze kosten worden begroot op € 452,-- voor salaris advocaat (2,0 punten x factor 0,5 × tarief € 452,00).

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt ABN AMRO Lease in de proceskosten, aan de zijde van [Gedaagden] tot op heden begroot op € 10.043,00,

5.3. verklaart dit vonnis in conventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

5.4. heft op de door ABN AMRO Lease ten laste van [Gedaagden] gelegde beslagen,

5.5. veroordeelt ABN AMRO Lease om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis alle formaliteiten te verrichten die noodzakelijk zijn voor doorhaling van de beslagen,

5.6. veroordeelt ABN AMRO Lease om aan [Gedaagden] een dwangsom te betalen van € 1.000,-- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan het onder 5.5 bepaalde voldoet, tot een maximum van € 300.000,-- is bereikt,

5.7. veroordeelt ABN AMRO Lease in de proceskosten, aan de zijde van [Gedaagden] tot op heden begroot op € 452,00,

5.8. verklaart dit vonnis in reconventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.9. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.M. Staal, bijgestaan door mr. W.A. Visser als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2013.?