Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:BY9810

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
29-01-2013
Datum publicatie
29-01-2013
Zaaknummer
16-653128-12
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2014:3013, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank honoreert het beroep op schending art. 6 EVRM. Verklaringen van twee medeverdachten kunnen niet worden gebruikt voor het bewijs. De rechtbank veroordeelt verdachte voor het plegen van een inbraak tot een werkstraf van 80 uren en een voorwaardelijke jeugddetentie van 1 maand

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2013/91
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/653128-12 (Promis)

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 29 januari 2013, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1997],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres], [woonplaats], en aldaar feitelijk verblijvende.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 15 januari 2013.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de advocaat, mr. B. Hartman, naar voren hebben gebracht.

2. Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: op 24 december 2011 zich samen met anderen heeft schuldig gemaakt aan diefstal met braak;

feit 2: op 4 januari 2012 zich samen met anderen heeft schuldig gemaakt aan diefstal met braak;

feit 3: op 5 maart 2012 zich samen met een ander heeft schuldig gemaakt aan diefstal met braak, welke diefstal werd vergezeld van geweld en gevolgd door geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer].

3. Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4. Vrijspraak

Ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat deze beide woninginbraken wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. De officier van justitie verwijst hiertoe naar de desbetreffende aangiftes en de verklaringen van de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2], die allebei verklaringen over deze inbraken hebben afgelegd en wijzen naar de persoon van verdachte als zijnde één van de mededaders. De officier van justitie is van mening dat deze beide verklaringen bruikbaar zijn voor het bewijs. Er bevinden zich immers voldoende andere stukken in het dossier op basis waarvan toetsing kan plaatsvinden, aldus de officier van justitie.

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 1] geen objectief steunbewijs biedt voor de betrokkenheid van verdachte bij de hem ten laste gelegde woninginbraken. In de door [medeverdachte 1] genoemde periode rond kerst 2011 hebben er meer dan vier woninginbraken aan de [adres] plaatsgevonden. Nu [medeverdachte 1] aangeeft dat hij en de mededaders, onder wie verdachte, bij vier woninginbraken betrokken zijn geweest, waaronder in ieder geval niet de woninginbraak aan de [adres], vormt deze verklaring geen bewijs dat verdachte betrokken is geweest bij woninginbraken aan de [adres] en [adres]. Immers zou het hierbij ook om andere woninginbraken aan de [adres] kunnen gaan. Daarnaast biedt de verklaring van [medeverdachte 1] ook geen ondersteuning voor wat betreft de deelnemingsvorm die verdachte ten laste is gelegd. [medeverdachte 1] verklaart dat zowel hij als verdachte alleen een ondersteunende rol hebben vertolkt door op de uitkijk te gaan staan. Uit deze verklaring volgt niet dat er ter uitvoering van een gezamenlijk plan zo nauw en bewust is samengewerkt dat er gesproken kan worden van een ‘in vereniging’ plegen. De verklaring van [medeverdachte 1] biedt dan ook slechts ondersteuning voor een mogelijke medeplichtigheid en niet voor medeplegen.

Ten aanzien van de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 2] is de raadsman van mening dat deze verklaring van het bewijs uitgesloten dienen te worden. Het bewijs dat verdachte betrokken is geweest bij de woninginbraken aan de [adres] en [adres] berust in beslissende mate op deze belastende verklaring. De verdediging heeft deze medeverdachte hierover willen bevragen. Bij zijn verhoor heeft [medeverdachte 2] zich echter beroepen op het verschoningrecht en aangegeven niet op vragen van de verdediging te willen antwoorden. De verdediging heeft de eerlijkheid en betrouwbaarheid van de verklaringen van [medeverdachte 2] dan ook niet kunnen toetsen. Door het ontbreken van deze ondervragingsgelegenheid kan niet meer worden gesproken van een eerlijk proces. Voorts is de verdediging op geen enkele wijze gecompenseerd voor het nadeel waarin zij door het niet kunnen ondervragen van deze getuige is geplaatst. Overeenkomst de uitspraak van het Europees Hof (EHRM 10 juli 2012, Vidgen vd. Nederland) dienen de verklaringen van [medeverdachte 2] te worden uitgesloten van het bewijs. Verdachte zal dan ook moeten worden vrijgesproken, aldus de raadsman.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ten aanzien van woninginbraken aan de [adres] en [adres] overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank is van oordeel dat de aangiften van de woninginbraak, zoals afgelegd bij de politie in combinatie met de gedetailleerde verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 2] en de algemenere verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 1] op zich wettig bewijs zouden kunnen opleveren.

De verklaringen van genoemde medeverdachten komen in het geheel echter niet overeen met de verklaringen door verdachte afgelegd en verschillen ook van elkaar op onderdelen zoals de rol van eenieder, waardoor zij elkaar niet zonder meer volledig steunen. De verdediging heeft beide genoemde medeverdachten daarom willen ondervragen. Bij het verhoor van deze medeverdachten bij de rechter-commissaris hebben zij zich beiden op hun verschoningsrecht beroepen en hebben geen vragen beantwoord. Het is deze getuigen toegestaan geen vragen te beantwoorden.

Alleen ten aanzien van de getuige [medeverdachte 2] beroept de raadsman zich op schending van artikel 6 EVRM. De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 2] “decisive” is. Zonder diens verklaringen is er geen bewijs.

De rechtbank heeft zich de vraag gesteld of er sprake is van voldoende compenserende factoren waardoor het proces als geheel eerlijk is als bedoeld in artikel 6 EVRM. De enkele procedurele gelegenheid om de medeverdachte [medeverdachte 2] bij de rechter-commissaris te ondervragen acht de rechtbank in dit geval niet voldoende. Inhoudelijke compensatie in de zin van voldoende ondersteunend bewijs is er evenmin. De verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 1] zijn zonder de gedetailleerde verklaringen van [medeverdachte 2] te onbepaald om de betrokkenheid van verdachte bij genoemde woninginbraken te bewijzen. Mogelijke andere aanwijzingen in het dossier, zoals de gestelde trendbreuk van woninginbraken na het arresteren van de vijf verdachten, de verhouding tussen de plaats van de woninginbraken en de woning van (mede)verdachte(n) zijn enerzijds te vaag en anderzijds onvoldoende onderzocht door de politie. Het bewijs voor de derde tenlastegelegde woninginbraak kan evenmin als compensatie dienen omdat het verband tussen de drie woninginbraken te gering is nu de pleegdatum te veel afwijkt van de kerstperiode.

Nu de verklaringen van de medeverdachten flink van elkaar verschillen, er onvoldoende ander bewijs is en de verdediging hun betrouwbaarheid feitelijk niet heeft kunnen toetsen, kan de rechtbank de stelling van de officier van justitie dat de rechtbank de betrouwbaarheid van de getuigen in voldoende mate kan vaststellen, niet onderschrijven.

De rechtbank is van mening – gelet op de jurisprudentie van het EHRM – dat het ondervragingsrecht van de verdediging is geschonden nu de verdediging de medeverdachte [medeverdachte 2] niet effectief heeft kunnen ondervragen en er onvoldoende compenserende factoren zijn waardoor het proces als geheel toch als eerlijk kan worden beschouwd en de verdediging een beroep heeft gedaan op die schending.

De rechtbank zal daarom de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 2] uitsluiten van het bewijs.

Nu de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 1] bovendien te onbepaald zijn om de betrokkenheid van verdachte bij deze tenlastegelegde woninginbraken aan de [adres] en [adres] te bewijzen zal de rechtbank verdachte van de beide eerste ten laste gelegde woninginbraken vrijspreken.

De rechtbank merkt ten overvloede het volgende op. Naar aanleiding van het onderhavige dossier worden naast verdachte nog aan vier andere verdachten (onder wie de medeverdachten die een bekennende verklaring bij de politie hebben afgelegd en zich bij de rechter-commissaris op hun verschoningsrecht hebben beroepen) feiten telastegelegd van onder andere een of meer dezelfde en soortgelijke woninginbraken in een bepaalde periode zoals de beide eerste ten laste gelegde feiten bij deze verdachte. Van één van de bekennende verdachten is de eigen verklaring in samenhang met andere bewijsmiddelen op zich toereikend voor een bewezenverklaring; van de andere deels bekennende medeverdachte is dit niet zo maar hier heeft de verdediging geen beroep gedaan op schending van artikel 6 EVRM; de drie overige – ontkennende - verdachten zullen grotendeels van de tegen hen geuite beschuldigingen worden vrijgesproken omdat de verklaringen van de bekennende verdachten wegens schending van artikel 6 EVRM niet aan het bewijs kunnen bijdragen. De rechtbank vindt deze uitkomst onbevredigend.

5. Waardering van het bewijs

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte betrokken is geweest bij deze woninginbraak, die is vergezeld van geweld. De officier van justitie verwijst hiertoe naar de aangifte, de verklaring van de getuige [slachtoffer] en de van verdachte aangetroffen vingerafdrukken op de gereedschapsdoos. Daarnaast merkt de officier van justitie op dat verdachte ten overstaan van de rechter-commissaris ook heeft verklaard dat hij bij deze woninginbraak op de uitkijk heeft gestaan.

De raadsman van verdachte heeft opgemerkt dat verdachte op zijn verklaring bij de rechter-commissaris wil terugkomen; verdachte heeft deze verklaring onder druk afgelegd, in de veronderstelling dat hij politie en justitie hiermee tevreden zou stellen en de kans om naar huis te gaan hiermee zou toenemen. De raadsman verzoekt deze bekennende verklaring van verdachte dan ook niet te bezigen voor het bewijs.

Voorts merkt de raadsman op dat de aangetroffen vingerafdrukken geen bewijs leveren voor enige betrokkenheid van verdachte bij deze woninginbraak. Uit het dossier volgt niet dat deze gereedschapsdoos is gebruikt bij de woninginbraak en staat dus ook niet vast dat de vingerafdrukken van verdachte ten tijde van het verwijt op de gereedschapsdoos terecht zijn gekomen. Bovendien is niet uit te sluiten dat verdachte gebruik heeft gemaakt van andermans spullen, waardoor het om die reden niet ‘verdacht’ is dat zijn vingerafdrukken zich bevinden op een gereedschapsdoos. Primair verzoek de raadsman om vrijspraak wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor betrokkenheid. Subsidiair verzoekt de raadsman verdachte vrij te spreken omdat er geen bewijs voorhanden is voor medeplegen; verdachte heeft verklaard dat hij op de uitkijk heeft gestaan. Van een dusdanige bewuste en nauwe samenwerking dat van een ‘in vereniging plegen’ kan worden gesproken is dan ook geen sprake geweest, aldus de raadsman.

De rechtbank overweegt als volgt

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.

Op 5 maart 2012 deed [Aangever 1] aangifte terzake woninginbraak, mede namens de benadeelden [benadeelde 1], [benadeelde 2] en [benadeelde 3]. Aangeefster verklaarde dat zij samen met de andere benadeelden woonachtig is aan de woning gelegen aan de [adres] te [woonplaats]. Op 5 maart 2012 had aangeefster de woning verlaten en afgesloten. Toen zijn omstreeks 18.30 uur thuiskwam, bleek er te zijn ingebroken. De keukendeur was opengebroken. Aangeefster miste twee concerttickets met een waarde van zestig euro. Aangeefster hoorde van [benadeelde 1] dat haar flatscreen televisie vernield was. Benadeelde [benadeelde 3] miste haar digitale fotocamera en het tasje met accu van de camera. Aangeefster hoorde van de politie dat er meer spullen waren meegenomen, maar dat de buurman de daders had overlopen en dat de goederen hierdoor in de tuin waren achtergelaten. Aangeefster hoorde van een agent dat er buiten in de tuin een groene portemonnee was gevonden. Deze portemonnee was het eigendom van aangeefster. Tijdens het daarop volgende forensische onderzoek naar sporen werd in de keuken een gereedschapsdoos in een tas aangetroffen. Op deze doos werden dactyloscopische sporen veiliggesteld voor nader onderzoek. De twee op de gereedschapsdoos aangetroffen (vingerafdrukken) bleken afkomstig te zijn van verdachte.

De getuige [slachtoffer] verklaarde dat hij op 5 maart 2012 omstreeks 16.30 uur thuis was op de [adres] te [woonplaats]. De getuige had vanuit deze woning zich op de voordeur van de buren, [adres]. Omstreeks 16.30 uur zag de getuige dat een jongen daar aanbelde bij de voordeur en wegrende. Getuige vond dat vreemd en naar de woonkamer gelopen van waaruit hij zicht had op de tuindeur van de buren. Deze tuindeur werd opengedaan en de getuige zag twee jongens staan. De jongens zagen de getuige ook staan,waarna de getuige riep dat de jongens moesten wegwezen. Getuige zag de jongens daarop wegrennen. Ongeveer een half uurtje later zag getuige weer beweging achter de matglazen tuindeur van de buren. Getuige is toen via een gat in de heg in de tuin van de buren gekomen. Getuige forceerde de tuindeur en zag direct dat de achterdeur van de woning openstond. Verdachte zag een jongen wegrennen richting het gat in de heg en richting de Prins Claus Brug rende. Getuige hoorde dat hij iets schreeuwde, waarschijnlijk om de rest te waarschuwen.

Verdachte heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij bij deze woninginbraak aan de [adres] op de uitkijk heeft gestaan.

Gelet op het vorengaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte als medepleger betrokken is geweest bij deze woninginbraak. Redengevend hiervoor is dat op de gereedschapsset vingerafdrukken van verdachte zijn aangetroffen. Hieruit leidt de rechtbank af dat de rol van verdachte niet uitsluitend heeft bestaan aan het op de uitkijk staan, maar dat hij ook actief is betrokken geweest bij het plegen van deze inbraak. Dit vindt ook bevestiging in de verklaring van de getuige, die deze dader ook heeft aangetroffen in de achtertuin van de woning van de [adres]. De rechtbank is dan ook van oordeel dat er sprake is geweest van een dermate nauwe en bewuste samenwerking dat er sprake is geweest van medeplegen.

De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het nadien gevolgde geweld tegen de getuige [slachtoffer]. Het dossier, alsmede de eigen verklaring van verdachte, bieden onvoldoende aanknopingspunten voor de gevolgtrekking dat verdachte ook hierbij betrokken was.

6. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de onder 5. vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte op 5 maart 2012 te Utrecht, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning gelegen aan de [adres] heeft weggenomen meer tassen en concertkaarten en een fotocamera en een portemonnee, toebehorende aan [benadeelde 3] en/of [Aangever 1], in elk geval aan anderen dan aan verdachte en zijn mededaders, waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft en de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak van een keukendeur van die woning.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

7. De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als:

Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

8. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

9. Motivering van de straffen en maatregelen

9.1. De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1, 2 en 3 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een werkstraf van 200 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de werkstraf niet naar behoren (heeft) verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast van 100 dagen, met aftrek van voorarrest, alsmede tot een jeugddetentie van 2 maanden, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, met als bijzondere voorwaarde dat de maatregel Hulp en Steun zal worden opgelegd alsmede zes maanden ITB Plus, ook als dat inhoudt meewerken aan Tools4you.

9.2. Het strafmaatverweer van de verdediging

De verdediging heeft opgemerkt dat verdachte reeds 73 dagen in jeugddetentie heeft doorgebracht en zich nagenoeg zeven maanden aan de voorwaarden van ITB Plus houdt. Verdachte wordt bij elkaar ruim negen maanden sterk beperkt in zijn persoonlijke vrijheid. Verdachte heeft goed meegewerkt aan zijn ITB Plus, maar is deze maatregel inmiddels wel zat. Een voortzetting van een dergelijk traject zal na een langer verloop van tijd contraproductief werken. Daarnaast dient niet uit het oog te worden verloren dat verdachte, indien hij wordt schuldig bevonden, een first offender is. De door hem reeds ondergane bestraffing is niet alleen aanzienlijk, maar - in het geval van de ITB Plus - ook buitenproportioneel; verdachte heeft nooit de kans gekregen om zich binnen een minder ingrijpend traject, zoals de maatregel Hulp en Steun, te bewijzen. De raadsman verzoekt dan ook het huidige ITB Plus traject te beëindigen.

9.3. Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een woninginbraak. Woninginbraken zijn nare feiten, die naast schade, overlast en angst bij de slachtoffers, onrust in de samenleving teweeg brengen. Een woning is bij uitstek een plek waar men zich veilig moet kunnen voelen. Hij heeft zich alleen laten leiden door eigen gewin.

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte een blanco strafblad heeft. De passende straf is een werkstraf van na te melden duur, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast is een voorwaardelijke jeugddetentie gepast om verdachte te weerhouden in herhaling te vervallen. De rechtbank zal aan deze voorwaardelijke straf de bijzondere voorwaarde van hulp en steun koppelen. Verdachte heeft naar aanleiding van de verdenkingen in voorlopige hechtenis verbleven. Deze hechtenis is onder voorwaarden geschorst. Eén van de voorwaarden was reclasseringsbegeleiding in de vorm van ITB-plus. In dat kader is verdachte intensief begeleid en zijn hem strenge regels omtrent zijn dagprogramma opgelegd. Gelet op deze reeds ondergane begeleiding en de ernst van het bewezenverklaarde feit ziet de rechtbank geen ruimte en geen aanleiding de ITB plus begeleiding voort te zetten. Evenmin is er ruimte voor het opleggen van een leerstraf Tools 4 U.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op de omstandigheid dat verdachte ten aanzien van hetgeen onder 1 en 2 is ten laste gelegd wordt vrijgesproken, aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd.

Ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

Vordering [X]

Nu aan verdachte - zonder toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht – ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde geen straf of maatregel is opgelegd, is [X] in de vordering niet-ontvankelijk.

Vordering [Aangever 1]

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van [Aangever 1] niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor 3 bewezen geachte feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op € 317 (zegge: driehonderdenzeventien euro), bestaande uit € 69 aan materiële schade en € 250 aan immateriële schade. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [Aangever 1] voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd.

Nu niet is gebleken dat het bewezen geachte feit [Aangever 1] voor het overige rechtstreeks schade heeft toegebracht, is de benadeelde partij voor dat deel van de vordering niet-ontvankelijk.

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 36f, 77a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

11. Beslissing

Verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 3 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf 80 (tachtig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast van 40 dagen, met bevel dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag.

Veroordeelt verdachte voorts tot een jeugddetentie van 1 (een) maand.

Beveelt dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt of ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast als verdachte tijdens de proeftijd de volgende bijzondere voorwaarde niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

- De verdachte moet zich gedurende de proeftijd gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die in het kader van de maatregel Hulp en Steun worden gegeven door of namens Bureau Jeugdzorg.

- De rechtbank draagt die instelling op om de verdachte hulp en steun te verlenen bij het naleven van de bijzondere voorwaarden.

- De verdachte wordt verplicht [benadeelde 1] een bedrag van € 122 (zegge: honderdtweeentwintig euro) te betalen. (zijnde de gevorderde kosten voor de vernielde televisie).

Ten aanzien van de benadeelde partijen

Vordering [X]

Verklaart [X] niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Vordering [Aangever 1]

Wijst de vordering van [Aangever 1], wonende te [woonplaats], toe tot € 317 (zegge: driehonderdenzeventien euro). (€ 67 materiële schade en € 250 immateriële schade).

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [Aangever 1] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [Aangever 1] aan de Staat € 158,50 (zegge: honderdachtenvijftig euro en vijftig eurocent) te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt de betalingsverplichting door jeugddetentie van 1 dag vervangen. De toepassing van die jeugddetentie heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Verklaart de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk.

Voorlopige hechtenis

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.A.A. van Kalveen, voorzitter tevens kinderrechter,

mrs. P.W.G. de Beer en P.P.C.M. Waarts, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J. Gardenier griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 januari 2013.