Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:BY9773

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
29-01-2013
Datum publicatie
29-01-2013
Zaaknummer
16-653127-12 (promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank honoreert het beroep op schending art. 6 EVRM. Verklaringen van twee medeverdachten kunnen niet worden gebruikt voor het bewijs. De rechtbank veroordeelt verdachte wegens schuldheling tot een werkstraf van 16 uren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/653127-12 (Promis)

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 29 januari 2013 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [1996],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres] en aldaar feitelijk verblijvende.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 14 januari 2013. Het onderzoek is gesloten ter terechtzitting van 15 januari 2013.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de advocaat, mr. R. Takens, naar voren hebben gebracht.

2. Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: op 24 december 2011 zich samen met anderen heeft schuldig gemaakt aan diefstal met braak;

feit 2: op 4 januari 2012 zich samen met anderen heeft schuldig gemaakt aan diefstal met braak;

feit 3: op 28 maart 2012 zich samen met anderen heeft schuldig gemaakt aan diefstal met braak. Subsidiair is dit feit ten laste gelegde als heling;

feit 4: in de periode van 29 oktober 2011 tot en met 27 april 2012 zich schuldig heeft gemaakt aan heling van een mp3 speler.

3. Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4. Vrijspraak

4.1. Het standpunt van het Openbaar Ministerie

ten aanzien van het onder 1, 2, 3, primair en 4 ten laste gelegde

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 en 2 ten laste gelegde woninginbraken wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. De officier van justitie verwijst hiertoe naar de desbetreffende aangiftes en de verklaringen van de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2], die allebei verklaringen over deze inbraken hebben afgelegd en wijzen naar de persoon van verdachte als één van de mededaders. De officier van justitie is van mening dat deze beide verklaringen bruikbaar zijn voor het bewijs. Er bevinden zich immers voldoende andere stukken in het dossier op basis waarvan toetsing kan plaatsvinden, aldus de officier van justitie.

Ten aanzien van de onder 3, primair ten laste gelegde woninginbraak vordert de officier van justitie vrijspraak.

Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde acht de officier van justitie de opzetheling wettig en overtuigend bewezen. Verdachte wist wel degelijk dat deze mp3 speler op zijn kamer lag, aldus de officier van justitie.

4.2. Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde woninginbraken heeft de raadsman het volgende verweer gevoerd.

De verklaringen van de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] dienen van het bewijs te worden uitgesloten. Het bewijs dat verdachte bij de woninginbraken aan de [adres] en [adres] betrokken is geweest, is hoofdzakelijk gebaseerd op deze belastende verklaringen. De verdediging heeft getracht de medeverdachten hierover te ondervragen, maar beide verdachten hebben bij de rechter-commissaris, naar wie de rechtbank had verwezen op een eerdere zitting om deze medeverdachten als getuigen te horen, te kennen gegeven zich op hun verschoningrecht te beroepen en geen vragen te willen beantwoorden. Hierdoor heeft de verdediging niet de gelegenheid gehad deze getuigen effectief te ondervragen. Daarnaast is de verdediging op geen enkele wijze gecompenseerd voor dit nadeel. De raadsman stelt zich op het standpunt dat dit een schending is van het ondervragingsrecht van de verdediging als bedoeld in artikel 6 EVRM. Onder verwijzing naar onder meer de uitspraak van het Europees Hof (EHRM 10 juli 2012, Vidgen vs Nederland) stelt de raadsman zich op het standpunt dat onder deze omstandigheden de verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] dienen te worden uitgesloten van het bewijs. Omdat er geen verder bewijs van betrokkenheid van verdachte bij deze inbraken overblijft, zal vrijspraak moeten volgen, aldus de raadsman.

Ten aanzien van de onder 4 ten laste gelegde heling merkt de raadman op dat er sprake was van een situatie waarbij meerdere mensen in de woning en de kamer van verdachte konden komen. Het bewijs blijft steken bij het enkele aantreffen van de iPod. Ook voor dit feit zal vrijspraak moeten volgen.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ten aanzien van het onder 1, 2 en 3 primair en 4 ten laste gelegde

De rechtbank is van oordeel dat er voor de woninginbraak van het derde ten laste gelegde feit geen aanwijzing is voor betrokkenheid van verdachte buiten het aantreffen van een bij die woninginbraak gestolen ipod op de kamer van verdachte tijdens de doorzoeking van diens kamer. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van deze woninginbraak.

Ten aanzien van de onder 4 ten laste gelegde heling stelt de rechtbank vast dat de bij verdachte aangetroffen iPod via navraag bij Apple bleek te staan geregistreerd onder de naam [benadeelde 1]. [benadeelde 1] had aangifte gedaan van diefstal van een iPod op 29 oktober 2011. De rechtbank is van oordeel dat uit voorgaande niet blijkt van enige wetenschap van verdachte, in die zin dat hij wist, dan wel redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat deze iPod van diefstal afkomstig was. De rechtbank zal verdachte hiervan dan ook vrijspreken.

Ten aanzien van de beide eerste ten laste gelegde woninginbraken overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank is van oordeel dat de twee aangiften van de woninginbraken van de feiten 1 en 2 in combinatie met de gedetailleerde verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 2] en de algemenere verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 1] op zich wettig bewijs zouden kunnen opleveren.

De verklaringen van genoemde medeverdachten zoals afgelegd bij de politie komen in het geheel niet overeen met de verklaringen door verdachte afgelegd en verschillen ook van elkaar op onderdelen zoals de rol van eenieder, waardoor zij elkaar niet zonder meer volledig steunen. De verdediging heeft beide genoemde medeverdachten daarom willen ondervragen. Bij het verhoor van deze medeverdachten bij de rechter-commissaris hebben zij zich beiden op hun verschoningsrecht beroepen en hebben geen vragen beantwoord. Het is deze getuigen toegestaan geen vragen te beantwoorden.

De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van beide medeverdachten “decisive” zijn. Zonder die verklaringen is er geen bewijs.

De rechtbank heeft zich de vraag gesteld of er sprake is van voldoende compenserende factoren waardoor het proces als geheel eerlijk is als bedoeld in artikel 6 EVRM. De enkele procedurele gelegenheid om de medeverdachten bij de rechter-commissaris te ondervragen acht de rechtbank in dit geval niet voldoende. Inhoudelijke compensatie in de zin van voldoende ondersteunend bewijs is er evenmin. Mogelijke andere aanwijzingen in het dossier, zoals de gestelde trendbreuk van woninginbraken na het arresteren van de vijf verdachten, de verhouding tussen de plaats van de woninginbraken en de woning van (mede)verdachte(n) of het aantreffen van gestolen ipods bij verdachte, zijn enerzijds te vaag en anderzijds onvoldoende onderzocht door de politie.

Nu de verklaringen van de medeverdachten flink van elkaar verschillen, er onvoldoende ander bewijs is en de verdediging hun betrouwbaarheid feitelijk niet heeft kunnen toetsen, kan de rechtbank de stelling van de officier van justitie dat de rechtbank de betrouwbaarheid van de getuigen in voldoende mate kan vaststellen, niet onderschrijven.

De rechtbank is van mening – gelet op de jurisprudentie van het EHRM – dat het ondervragingsrecht van de verdediging is geschonden nu de verdediging beide genoemde medeverdachten niet effectief heeft kunnen ondervragen en er onvoldoende compenserende factoren zijn waardoor het proces als geheel toch als eerlijk kan worden beschouwd en de verdediging een beroep heeft gedaan op die schending. De rechtbank zal daarom de verklaringen van de medeverdachten zoals afgelegd bij de politie uitsluiten van het bewijs.

De rechtbank zal daarom verdachte van de beide eerste ten laste gelegde woninginbraken vrijspreken.

De rechtbank merkt ten overvloede het volgende op. Naar aanleiding van het onderhavige dossier worden naast verdachte nog aan vier andere verdachten (onder wie de medeverdachten die een bekennende verklaring bij de politie hebben afgelegd en zich bij de rechter-commissaris op hun verschoningsrecht hebben beroepen) feiten telastegelegd van onder andere een of meer dezelfde en soortgelijke woninginbraken in een bepaalde periode zoals de beide eerste ten laste gelegde feiten bij deze verdachte. Van een van de bekennende verdachten is de eigen verklaring in samenhang met andere bewijsmiddelen op zich toereikend voor een bewezenverklaring. Van de andere deels bekennende medeverdachte is dit niet zo, maar in die zaak heeft de verdediging geen beroep gedaan op schending van artikel 6 EVRM en is de verklaring van de medeverdachte derhalve niet van het bewijs uitgesloten. De drie overige – ontkennende – verdachten, waaronder verdachte, zullen grotendeels van de tegen hen geuite beschuldigingen worden vrijgesproken omdat de verklaringen van de bekennende medeverdachten wegens schending van artikel 6 EVRM niet aan het bewijs kunnen bijdragen.

5. Waardering van het bewijs

Ten aanzien van het onder 3, subsidiair ten laste gelegde

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde opzetheling wettig en overtuigend bewezen kan worden. De officier van justitie verwijst hiertoe naar de aangifte van diefstal van deze iPod door [benadeelde 2] en de omstandigheid dat deze iPod op de kamer van verdachte is aangetroffen.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat er sprake was van een situatie waarbij meerdere mensen in de woning en de kamer van verdachte konden komen. Het bewijs blijft steken bij het enkele aantreffen van de iPod. Verdachte zal hiervan dan ook moeten worden vrijgesproken, aldus de raadsman.

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.

Op 2 april 2012 werd door [benadeelde 2] aangifte gedaan terzake inbraak in zijn woning aan de [adres] te [woonplaats] op 28 maart 2012. Deze aangifte werd mede gedaan namens de benadeelde [benadeelde 3]. Uit de woning waren diverse goederen weggenomen, waaronder een Apple iPod van [benadeelde 3]. Op 27 april 2012 werd er een onderzoek ingesteld in de woning van de ouders van verdachte. In de slaapkamer van verdachte werden onder meer aangetroffen een tweetal iPods. Uit nader onderzoek bleek dat in het scherm van een van deze iPods de naam [benadeelde 3] stond. Er stonden 8334 muziekbestanden op de iPod. Deze iPod blijkt toe te behoren aan [benadeelde 3], wiens iPod op 28 maart 2012 was gestolen.

Gelet op het vorengaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan schuldheling. Door de plaats waar de iPod is aangetroffen, de slaapkamer van verdachte en wel naast het schoolwerk van verdachte, kan deze iPod ook aan verdachte gelinkt worden. Het dossier biedt geen aanknopingspunten voor de stelling van de raadsman dat meerdere personen deze kamer konden in- en uitlopen. Daarnaast is de verklaring van verdachte dat hij de ipod nooit heeft gezien reeds vanwege de plek waar die iPod is aangetroffen niet aannemelijk. Ook had verdachte, gelet op de afspeellijsten en de melding in het overzicht ‘iPod van [benadeelde 3]’ op zijn minst kunnen en moeten vermoeden dat deze iPod van misdrijf afkomstig was. Dit verweer wordt dan ook verworpen.

6. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de onder 5. vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte in de periode van 28 maart 2012 tot en met 27 april 2012 te Utrecht een iPod (merk Apple) voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van die iPod redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

7. De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als:

Schuldheling.

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

8. Motivering van de straf

8.1. De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1, 2, 3 subsidiair en 4 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een werkstraf van 200 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de werkstraf niet naar behoren (heeft) verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast van 100 dagen, met aftrek van voorarrest, alsmede tot een jeugddetentie van 2 maanden, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren met als bijzondere voorwaarde dat verdachte zijn medewerking zal verlenen aan de maatregel Hulp en Steun, uitgevoerd door de William Schrikker Jeugdreclassering en zijn medewerking zal verlenen aan de ITB Plus.

8.2. Het strafmaatverweer van de verdediging

De verdediging heeft geen specifiek strafmaatverweer gevoerd.

8.3. Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft een bij een woninginbraak gestolen ipod geheeld. Woninginbraken zijn nare feiten, die naast schade, overlast en angst bij de slachtoffers, onrust in de samenleving teweeg brengen. Een woning is bij uitstek een plek waar men zich veilig moet kunnen voelen. Verdachte wist wellicht niet dat de ipod van een woninginbraak afkomstig was, maar had dat zoals hiervoor overwogen wel moeten vermoeden dat de iPod van enig misdrijf afkomstig was. Heling draagt wel bij aan het plegen van diefstallen en woninginbraken.

Verdachte heeft een blanco strafblad. Hij heeft lange tijd – 49 dagen - in voorarrest gezeten (ondermeer omdat hij de bijzondere voorwaarden die bij schorsing waren opgelegd, had overtreden) en heeft tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis de ITB+ maatregel ondergaan.

Op basis van onder andere het Pro Justitia-rapport van de GZ-psycholoog A. Soetendaal d.d. 11 oktober 2012 en het civiele rapport van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 20 december 2012 waarin naar voren komt wat de individuele problemen van verdachte zijn, waar hij tegenaan loopt bij de uitvoering van de ITB+ maatregel en welke beschermende en risicovolle factoren er bij hem zijn, heeft de rechtbank zorgen over verdachte en acht zij het op zich wenselijk dat er hulpverlening blijft bestaan ten behoeve van verdachte. Vooral omdat verdachte inmiddels al langer in voorarrest heeft gezeten dan het bewezenverklaarde feit rechtvaardigt, maar ook vanwege de uitspraak van de rechtbank d.d. 15 januari 2013 waarin zij de ondertoezichtstelling van verdachte gelast, zal de rechtbank echter geen voorwaardelijke straf opleggen met als bijzondere voorwaarde hulpverlening.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd.

Ten aanzien van het beslag

Op de beslaglijst zijn drie items opgenomen. Het eerste en het derde items betreft dezelfde telefoon. De rechtbank zal ten aanzien van de eerste en het tweede item beslissen dat deze zullen worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende.

Ten aanzien van de benadeelde partij

Nu aan verdachte - zonder toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht – ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde geen straf of maatregel is opgelegd, is [benadeelde 2] in de vordering niet-ontvankelijk.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 77a, 77g, 77m, 77n en 417bis van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10. Beslissing

Verklaart het onder 1, 2, 3 primair en 4 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 3, subsidiair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Schuldheling

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf van 16 (zestien) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast van 8 dagen, met bevel dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag.

Beslag

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van:

1. 1.00 STK Mobiel kl: zwart Apple iPod. Nr. [nummer]

2. 1.00 STK Mobiel kl: zwart Apple iPod. Nr. [nummer]

Benadeelde partij

Verklaart [benadeelde 2] niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Voorlopige hechtenis

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. P. W.G. de Beer, voorzitter tevens kinderrechter,

mrs. E.A.A. van Kalveen en P.P.C.M. Waarts, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J. Gardenier, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 januari 2013.