Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:BY9635

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
10-01-2013
Datum publicatie
25-01-2013
Zaaknummer
16/655695-12 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft in een instelling waar hij verbleef een medepatiënte meermalen met een aluminium stoel tegen het hoofd en lichaam geslagen. Daarnaast heeft hij zijn ex-vriendin bedreigd met de dood. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN NEDERLAND

Sector strafrecht

parketnummer: 16/655695-12 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 10 januari 2013

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1986] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in de PPC Vught te Vught.

Raadsvrouw: mr. A.M.G. Wolffs, advocaat te Amsterdam.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 10 januari 2013, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1 primair: heeft geprobeerd [benadeelde] zwaar lichamelijk letsel toe te

brengen door haar meermalen met een stoel te slaan,

feit 1 subsidiair: die [benadeelde] hierdoor heeft mishandeld;

feit 2: [banadeelde 2] heeft bedreigd met een misdrijf tegen het leven gericht door tegen haar te zeggen: “Waar ben je [banadeelde 2], waar is die rooie, ik maak je dood” en/of “Ik maak je af”.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het onder 2 ten laste gelegde feit en heeft daartoe de hierna te noemen bewijsverweren gevoerd. De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de bewezenverklaring van het onder 1 primair ten laste gelegde feit.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Vaststelling van de feiten

Feit 1:

Aangeefster [benadeelde] zit op 15 april 2012 in de rookkamer van het psychiatrisch ziekenhuis te Amersfoort waar zij verblijft, als een van haar medepatiënten, verdachte, scheldend naar haar toe komt. Zij probeert verdachte tevergeefs te kalmeren. Verdachte pakt een aluminium stoel en slaat haar hiermee op haar hoofd, armen en benen, totdat getuige [getuige 1] tussen hen in weet te springen en verdachte weet te stoppen.

In totaal is aangeefster vijf maal door de stoel geraakt. Een van de poten van de betreffende stoel blijkt hierdoor tot ongeveer halverwege te zijn teruggeknakt.

Uit een medische verklaring d.d. 19 april 2012 volgt dat aangeefster door het slaan met de stoel een bult op haar hoofd, blauwe plekken op beide polsen en een blauwe plek op haar linkerbeen heeft opgelopen. Verdachte heeft erkend dat hij aangeefster met voornoemde aluminium stoel heeft geslagen.

Aanvullende overwegingen

De rechtbank is van oordeel dat het meermalen - en gezien het feit dat een van de poten van de betreffende stoel door dit slaan tot ongeveer halverwege is teruggeknakt - met kracht met een aluminium stoel op het hoofd en lichaam slaan naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht is op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat het niet anders kan dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg bewust heeft aanvaard.

Gezien de wijze waarop en de omstandigheden waaronder het voorgaande heeft plaatsgevonden, heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer in geval van voltooiing van het voorgenomen misdrijf, zwaar lichamelijk letsel in voormelde zin zou hebben opgelopen. Het onder 1 primair ten laste gelegde kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

Feit 2:

Als [banadeelde 2], aangeefster, op 18 januari 2012 aan het werk is in een winkel in Amersfoort, ziet zij dat haar ex-vriend, verdachte, in de winkel is. Zij weet zich te verstoppen en hoort dat verdachte schreeuwt: “Waar is [banadeelde 2], waar is die rooie, ik maak je dood”, waardoor zij zich bedreigd voelde.

Een collega van aangeefster, getuige [getuige 2], bevestigt het voorgaande en verklaart dat de betreffende man riep: “Waar ben je [banadeelde 2], ik maak je af.”

Betrouwbaarheid getuige [getuige 2]

De verdediging heeft de betrouwbaarheid van de verklaring van getuige [getuige 2] in twijfel getrokken en daartoe aangevoerd dat deze getuige door aangeefster zou zijn bewogen tot het afleggen van een valse verklaring om zo haar aangifte te ondersteunen. Daarbij voert zij aan dat er aanwijzingen zijn dat deze verklaring niet op hetzelfde incident ziet.

Anders dan de verdediging acht de rechtbank de verklaring van getuige [getuige 2] betrouwbaar. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor een eventuele afstemming van verklaringen, zoals door de verdediging is genoemd. De verklaring van voornoemde getuige en de verklaring van aangeefster komen immers wel op essentiële punten, maar niet op detailniveau overeen.

Ook overigens ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor de stelling van de verdediging dat getuige [getuige 2] door het afleggen van zijn verklaring andere belangen diende dan de waarheidsvinding.

Gezien het voorgaande acht de rechtbank het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna bij de bewezenverklaring zal worden uitgeschreven.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1 primair:

op 15 april 2012 te Amersfoort, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen met grote kracht met een aluminium stoel tegen het hoofd en armen en benen van die persoon heeft geslagen, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

2:

op 18 januari 2012 te Amersfoort, [banadeelde 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [banadeelde 2] de (een of meermalen) dreigend de woorden toegevoegd: “Waar ben je [banadeelde 2], waar is die rooie, ik maak je dood”.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op:

1 primair: poging tot zware mishandeling;

2: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is klinisch geobserveerd in het Pieter Baan Centrum te Utrecht in de periode van

6 september 2012 tot en met 26 oktober 2012.

J. Heershop, psycholoog en D. Harari, psychiater, beide verbonden aan het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, locatie Pieter Baan Centrum, hebben een rapport uitgebracht op 7 december 2012.

In dit rapport wordt geconcludeerd dat bij verdachte op twee gebieden psychopathologie is vastgesteld, te weten een forse instabiliteit in emotie en gedrag en een onduidelijke mate van pathologie van psychotische aard. Daarnaast is sprake van middelenmisbruik. Ten tijde van het plegen van de ten laste gelegde feiten waren voornoemde factoren aanwezig, die zijn gedragingen en gedragskeuzes zodanig beïnvloedden dat die mede daaruit verklaard kunnen worden. Voornoemde deskundigen adviseren om verdachte op grond daarvan als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen ten tijde van de ten laste gelegde feiten.

De rechtbank constateert dat uit voornoemde rapportage of anderszins niet is gebleken van een omstandigheid die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht primair gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 300 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 25 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Subsidiair heeft zij gevorderd om aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden en een terbeschikkingstelling met dwangverpleging.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit om verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te verklaren ten tijde van de ten laste gelegde feiten. Gelet op de tijd die verdachte reeds heeft vastgezeten en er vanuit gaande dat hij verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht, kan volstaan worden met een straf gelijk aan het voorarrest.

Wat er verder, gelet op de persoonlijkheidsproblematiek van verdachte, met verdachte moet gebeuren, ligt op de civiele weg, aldus de raadsvrouw.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft in een instelling waar hij verbleef een medepatiënte meermalen met een aluminium stoel tegen het hoofd en lichaam geslagen. Daarnaast heeft hij zijn ex-vriendin bedreigd met de dood. Door het plegen van deze feiten heeft verdachte een inbreuk gemaakt op de persoonlijke integriteit van deze slachtoffers en hen angst aangejaagd.

Voorts heeft verdachte bijgedragen aan een gevoel van onveiligheid dat slachtoffers van dergelijke feiten kunnen ervaren. Verdachte heeft hier kennelijk niet bij stilgestaan.

Ter terechtzitting is uitgebreid over de persoon van verdachte gesproken, waarbij onder meer het hiervoor genoemde rapport van J. Heerschop en D. Harari aan bod is gekomen. Naast hetgeen in dit rapport is opgemerkt over de toerekenbaarheid van het feit aan verdachte, waarover de rechtbank reeds onder het kopje “de strafbaarheid van de verdachte” heeft overwogen en waarnaar zij thans verwijst, volgt uit dit rapport dat herhaling van vergelijkbare feiten is te verwachten.

Voornoemde deskundigen achten, gezien het huidige functioneren van verdachte, een eventuele opname als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijk strafdeel niet haalbaar en evenmin passend.

Ook de reclassering stelt zich blijkens haar rapport van 9 januari 2013, opgemaakt door

P. van Laarhoven, op het standpunt dat er sprake is van aan hoog recidiverisico. Net als voornoemde deskundigen acht de reclassering verdachte niet in staat om zich te houden aan eventuele bijzondere voorwaarden.

Zowel voornoemde deskundigen als de reclassering adviseren een opname in het kader van de BOPZ bij de Kliniek voor Intensieve Behandeling, onderdeel van de Van der Hoevenkliniek. Deze behandeling, die als voorwaarde een rechterlijke machtiging in het kader van de Wet Bijzondere Opnemingen in Psychiatrische ziekenhuizen (hierna: BOPZ) kent, heeft als doel het plegen van diagnostiek en het stabiliseren van patiënten om ontwrichte behandelingen weer nieuw leven in te blazen. De behandeling kan maximaal een jaar duren, waarna een patiënt teruggeplaatst wordt naar de reguliere Geestelijke Gezondheidszorg dan wel de afdeling Langdurige Intensieve Zorg.

In het kader van een eventuele behandeling via de BOPZ is bij beschikking van de Rechtbank Oost-Brabant d.d. 3 januari 2013 een voorlopige machtiging verleend op basis van de BOPZ om verdachte te doen opnemen en te doen verblijven in een psychiatrisch ziekenhuis tot 3 juli 2013.

Naast voornoemde rapporten heeft de rechtbank rekening gehouden met het uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte van 17 september 2012 waaruit volgt dat verdachte meermalen onherroepelijk is veroordeeld in verband met mishandeling en bedreiging.

Alles afwegende, mede gelet op de aard van de bewezen verklaarde feiten en de voorlopige rechterlijke machtiging die van kracht is, komt de rechtbank tot het oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 374 dagen een passende straf is.

De rechtbank zal een deel daarvan, te weten 100 dagen, voorwaardelijk opleggen, met een proeftijd van 2 jaren, om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te begaan.

Door oplegging van deze straf is een spoedige plaatsing van verdachte in de Kliniek voor Intensieve Behandeling binnen het gedwongen kader van de BOPZ mogelijk.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij vordert een schadevergoeding van € 565,00 voor feit 1.

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 270,00 een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit, waarvan € 20,00 ter zake van materiële schade en € 250,00 ter zake van immateriële schade, en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Met betrekking tot de toegekende vordering zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen en de wettelijke rente toewijzen vanaf 15 april 2012.

Voor het overige acht de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 24c, 36f, 45, 57, 285 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 374 dagen, waarvan 100 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

1 primair: poging tot zware mishandeling;

2: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde] van € 270,00, waarvan € 20,00 ter zake van materiële schade en € 250,00 ter zake van immateriële schade; en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 15 april 2012 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer

[benadeelde], € 270,00 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 5 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Voorlopige hechtenis

- heft het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte op met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde vrijheidsstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.P.H.M. Severeijns, voorzitter, mr. A. van Maanen en

mr. Y.A.T. Kruijer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.A. Groenevelt-Timmer, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 10 januari 2013.

Mr. A. van Maanen en mr. Y.A.T. Kruijer zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mee te ondertekenen.