Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:BY9614

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
22-01-2013
Datum publicatie
25-01-2013
Zaaknummer
16/701426-12 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor het medeplegen van het onttrekken aan het wettelijk opzicht van vier van verdachtes eigen kinderen. Verdachte heeft, samen met zijn mededaders, zijn vier minderjarige uit huis geplaatste kinderen weggehaald van hun respectieve verblijfadres.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/701426-12 (P)

vonnis van de meervoudige strafkamer van 22 januari 2013

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Irak) op [1976],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[woonplaats], [adres],

gedetineerd voor deze zaak te P.I. Flevoland – locatie Huis van Bewaring Almere Binnen.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 8 januari 2013.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de raadsman, mr. V. van Dam, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

2. Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: samen met een of meer anderen in de periode van 20 augustus 2012 tot en met 22 augustus 2012 een van zijn minderjarige dochters, die onder toezicht was gesteld van Stichting Bureau Jeugdzorg en uit huis was geplaatst door de rechter, opzettelijk heeft onttrokken aan het bevoegd opzicht door haar naar Bulgarije te vervoeren en

feit 2: samen met een of meer anderen in de periode van 20 augustus 2012 tot en met 22 augustus 2012 drie van zijn minderjarige kinderen die de leeftijd van twaalf jaren nog niet hadden bereikt, welke kinderen allen onder toezicht waren gesteld van Stichting Bureau Jeugdzorg en uit huis waren geplaatst door de rechter, met gebruikmaking van geweld opzettelijk heeft onttrokken aan het bevoegd opzicht, door hen naar Bulgarije te vervoeren.

3. Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4. Waardering van het bewijs

4.1 Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht de beide ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat er zich weliswaar een dreigende situatie heeft voorgedaan bij de woning van de pleegouders te [woonplaats], maar dat er geen geweld is toegepast. Verder refereert de raadsman zich voor wat betreft de feiten aan het oordeel van de rechtbank.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.

Op 20 augustus 2012 deed [A] namens Stichting Bureau Jeugdzorg en Stichting William Schrikker Groep aangifte van onttrekking aan het wettelijk gezag (de rechtbank begrijpt: het opzicht) van een viertal kinderen. [A] werd die ochtend gebeld met de mededeling dat omstreeks 08:00 uur drie van die kinderen, die sinds 15 mei 2012 op een geheim pleegadres verbleven, door hun vader waren meegenomen vanaf dat pleegadres te [woonplaats]. De heer [X], pleegvader van de drie kinderen, heeft verklaard dat op 20 augustus twee mannen met bivakmutsen op de stoelen op het terras van de woning kwamen zitten en vervolgens wenkten naar de straat. Er kwam een man in een grijze Volkswagen Golf Variant aanrijden. Dat bleek de vader van de kinderen te zijn. De kinderen zijn vervolgens met deze man meegegaan, de twee andere mannen vertrokken toen ook.

Het betrof de volgende kinderen:

- [kind 1], geboren op [2009] en [kind 2], geboren op [2008]. Deze beide kinderen zijn bij beschikking van de rechtbank Breda van 15 mei 2012 voorlopig onder toezicht gesteld van de stichting Bureau Jeugdzorg, welke maatregel namens die stichting werd uitgevoerd door de William Schrikker Jeugdbescherming. De voorlopige ondertoezichtstelling is bij beschikking van de rechtbank Breda van 8 juni 2012 gehandhaafd, met machtiging hen uit huis te plaatsen in een verblijf pleeggezin 24 uur, en welke ondertoezichtstelling bij beschikking van de rechtbank Breda van 14 augustus 2012 is verlengd tot 11 februari 2013 en welke uithuisplaatsing bij diezelfde beschikking is verlengd tot uiterlijk 15 november 2012 en

- [kind 3], geboren op [2004]. Zij is bij beschikking van de rechtbank Breda d.d. 11 februari 2011 tot 12 februari 2012 onder toezicht gesteld van de stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant, welke ondertoezichtstelling bij beschikking van de rechtbank Breda van 24 januari 2012 is verlengd tot en met 11 februari 2013. Zij is voorts bij beschikking van de rechtbank Breda d.d. 15 mei 2012 uit huis geplaatst in een verblijf pleeggezin 24 uur, welke uithuisplaatsing bij beschikking van de rechtbank Breda van 8 juni 2012 is verlengd tot 15 augustus 2012 en welke uithuisplaatsing bij beschikking van de rechtbank Breda van 14 augustus 2012 is verlengd tot en met uiterlijk 15 november 2012.

Met ingang van 19 juli 2012 is de achternaam van [kind 2] en [kind 1] gewijzigd van [medeverdachte] in [naam verdachte].

Op de ochtend van 20 augustus 2012 werd Bureau Jeugdzorg ingelicht omtrent het feit dat [kind 4], geboren op [1997], was verdwenen uit de instelling waar zij verbleef. Zij heeft die instelling op 20 augustus 2012 omstreeks 04:00 uur verlaten. Zij is meegegaan met twee mannen en heeft haar spullen meegenomen.

[kind 4] is bij beschikking van de rechtbank Breda d.d. 11 februari 2011 voor de periode van een jaar onder toezicht gesteld van de stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant, welke ondertoezichtstelling bij beschikking van de rechtbank Breda van 24 januari 2012 is verlengd tot en met 11 februari 2013. Zij is voorts bij beschikking van de rechtbank Breda d.d. 8 juni 2012 uit huis geplaatst in een AWBZ-voorziening tot 15 augustus 2012, welke uithuisplaatsing bij beschikking van de rechtbank Breda van 6 augustus 2012 is verlengd tot en met 15 december 2012.

[medeverdachte], de (ex)vrouw van verdachte, verklaarde dat zij wist dat haar kinderen onder toezicht van jeugdzorg stonden en uit huis waren geplaatst.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij zijn kinderen uit het pleeggezin in [woonplaats] heeft weggehaald, omdat hij via de rechtbank had geprobeerd zijn kinderen terug te krijgen, maar dat dit niet was gelukt, dat zijn telefoonnummer [telefoonnummer] is, dat er die nacht veel met dat nummer gebeld is, dat hij gewoon een veilige plaats voor zijn kinderen wilde hebben en dat hij gewoon met hen naar Irak wilde gaan. Hij heeft enige dagen voor 20 augustus 2012 een zwarte Chrysler gekocht. Zowel verdachte als [medeverdachte] hebben verklaard dat zij met de kinderen in Bulgarije hebben gereden. Zij zijn daar op 22 augustus 2012 aangehouden.

4.4 Nadere bewijsoverwegingen

Bewijsoverwegingen

Door en namens verdachte is gesteld dat bij het ophalen van de drie kinderen in [woonplaats] geen geweld is gebruikt, maar ook dat de feiten door verdachte in een opwelling zijn gepleegd en dat verdachte daar in zijn eentje de kinderen is gaan halen.

De rechtbank oordeelt echter anders.

Gebruik van geweld

Door de pleegouders, de heer en mevrouw [X], is verklaard dat de kinderen zijn meegenomen door hun vader en twee mannen. Die twee mannen droegen een bivakmuts en een breekijzer en kwamen het terras van de woning opgelopen. Kort hierna kwam de vader van de kinderen, verdachte, het terras op lopen. Hij droeg geen bivakmuts. Verdachte zei "ik ben de vader van deze kinderen. Jullie begrijpen wel dat de kinderen met mij mee gaan". De pleegouders vroegen aan de kinderen of dit hun vader was, hetgeen de kinderen bevestigden. Vervolgens zijn de mannen met de drie kinderen vertrokken. Door [kind 3] is verklaard dat er twee mannen bij haar vader waren. Zij droegen zwarte kleding en zij hadden een (nep)pistool bij zich.

Op grond van deze verklaringen stelt de rechtbank vast dat de kinderen zijn meegenomen onder bedreiging met geweld. De verklaring van [kind 3] acht de rechtbank betrouwbaar gelet op het feit dat de pleegouders vrijwel hetzelfde verklaren over de bedreigende situatie op het terras van hun woning. Door in de vroege ochtend met drie mannen, waarvan er twee een bivakmuts droegen, en met medeneming van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en een breekijzer het terras van het pleeggezin op te lopen, is daar een intimiderende en dreigende situatie gecreëerd. Het is immers niet voorstelbaar dat de pleegouders, aan wie de kinderen ter verzorging en opvoeding waren toevertrouwd, deze aan voor hen vreemden vrijwillig zouden hebben meegegeven.

Opwelling

Ook moet er naar het oordeel van de rechtbank bij verdachte en zijn mededaders sprake zijn geweest van een vooropgezet plan. Dat de ontvoering van de drie kinderen vanuit een opwelling zou hebben plaatsgevonden, zoals door verdachte verklaard, strookt niet met de overige feiten in het dossier.

Allereerst volgt uit de bewijsmiddelen dat verdachte tezamen met anderen te werk is gegaan. Bij de woning was hij vergezeld van twee mannen met bivakmutsen en in het bezit van een (nep)pistool en een breekijzer.

In de nacht van 19 op 20 augustus blijkt bovendien sprake te zijn van druk telefoonverkeer tussen verdachte en onbekende anderen, waar verdachte niets over wenst te verklaren. Uit een proces-verbaal vergelijking contactnummers blijkt dat de telefoon van verdachte met het nummer [telefoonnummer] op 20 augustus 2012 van 02:21 tot 03:10 uur een telecommast in [woonplaats] aanstraalt, van 03:30 tot 04:40 uur een mast in Utrecht en van 05:48 tot 07:03 uur weer in [woonplaats]. Gedurende deze nacht worden er 25 telefoongesprekken gevoerd, waarvan een groot aantal met de telefoonnummers [telefoonnummer] en [telefoonnummer]. De telefoon met het nummer [telefoonnummer] staat op naam van [naam], maar wordt volgens de broer van [naam] gebruikt door (medeverdachte) [medeverdachte 2]. Dit wordt door [medeverdachte 2] zelf ook verklaard. Die telefoon – waarvan overigens niet is vast komen te staan dat de gebruiker van dit nummer op 20 augustus 2012 de medeverdachte [medeverdachte 2] is geweest – bevond zich op 20 augustus 2012 tussen 02:00 uur en 02:46 uur te [woonplaats] en tussen 03:30 uur en 03:54 uur te Tiel.

De telefoon met het nummer [telefoonnummer], waarvan geen tenaamstelling bekend is, bevond zich die dag van 05:48 uur tot in ieder geval 07.53 uur te [woonplaats].

Wanneer verdachte wordt geconfronteerd met de inhoud van getapte telefoongesprekken, verklaart hij dat hij anderen er niet bij wil betrekken. Ook verklaart hij dat hij de beide andere bovenstaande telefoonnummers mee heeft genomen op zijn reis naar [woonplaats]. Ook heeft hij verklaard dat twee mensen zich zorgen over hem hebben gemaakt en bij hem zijn geweest. Tussen de twee genoemde telefoonnummers is echter ook onderling contact geweest , waar de verdachte geen verklaring voor heeft willen geven, zodat zijn eerder genoemde verklaring kennelijk leugenachtig is.

[kind 4] heeft in de avond van 19 augustus 2012 tegen [Y] gezegd dat zij de volgende ochtend om 04:00 uur zou worden opgehaald door een neef van haar. Dit komt overeen met de verklaring van de instelling dat [kind 4] om vier uur ’s nachts uit de instelling in Tiel is vertrokken met twee mannen en met de hierboven gerelateerde telefoongegevens van nummer [telefoonnummer] waaruit blijkt dat dit nummer rond dit tijdstip in Tiel een telefoonpaal heeft aangestraald.

[kind 3] heeft verklaard dat zij vanuit [woonplaats] een stuk gereden hebben in een grijze auto waar haar zus [kind 4] al in zat. De twee mannen met bivakmutsen op deden die in de grijze auto weer af. [kind 3] herkende de mannen als vrienden die vaak bij hen thuis kwamen. Zij zijn vervolgens overgestapt in de grote zwarte auto van papa, waar mama al in zat. De paspoorten van de kinderen lagen in de auto. Uit de telefoongegevens van het nummer van verdachte ([telefoonnummer]) blijkt dat deze tussen 07.07 uur en 7.53 uur aanstraalt in [woonplaats] en vanaf 08.03 tot 08.29 uur in Breukelen, Vianen, Meerkerk en Hoog Blokland. Nummer [telefoonnummer] straalt op 7.53 uur [woonplaats] aan en om 8.20 uur Vianen.

De (ex-)echtgenote [medeverdachte] moet ook hebben geweten van de plannen. Een week voor vertrek heeft verdachte een nieuwe (grote) auto gekocht en die is in haar aanwezigheid op haar naam gesteld. De verklaring van [medeverdachte] dat zij zonder te weten waar zij heen zouden rijden en zonder dit aan verdachte te vragen in de auto zou zijn gestapt, legt de rechtbank terzijde. Deze is ongeloofwaardig en in strijd met objectief vast te stellen gegevens. De door verdachte gebruikte telefoon is na zijn bezoek aan [woonplaats] niet teruggegaan naar Roosendaal, zodat [medeverdachte] vanuit Roosendaal naar de verzamelplaats moet zijn gereden of vervoerd. Dit klopt ook met de verklaring van [kind 3] dat haar moeder in de zwarte auto zat te wachten toen verdachte, de kinderen en twee medeverdachten haar zagen. Behalve de paspoorten bevond zich ook speelgoed in de Chrysler, die aldus kennelijk was ingericht op een lange rit met kinderen.

Bovenstaande leidt tot de conclusie dat verdachte tezamen en in vereniging met in ieder geval [medeverdachte] en twee (onbekende) anderen in bewuste en nauwe samenwerking heeft gehandeld bij het (laten) ophalen van zijn kinderen van hun respectieve verblijfsadressen.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit dat er wel sprake is geweest van een vooropgezet plan.

Verdachte heeft verklaard dat zijn oudste dochter op 20 augustus 2012 vroeg in de ochtend thuis kwam in Roosendaal en dat hij zo was geschrokken van hoe zij er uitzag en van de verhalen die zij vertelde, dat hij ter plekke besloot om (alleen) de andere kinderen op te gaan halen. Dit verhaal kent echter de nodige hiaten.

Nu de andere drie kinderen omstreeks 08:00 uur in [woonplaats] werden opgehaald (volgens de ANWB-reisplanner kost dit vanaf Roosendaal minimaal 1 uur en 14 minuten) moet [kind 4] op zijn laatst om 06:45 uur die ochtend in Roosendaal zijn aangekomen. Deze route kan zij – wanneer er van uit wordt gegaan dat zij niet met een auto is gekomen – enkel met het openbaar vervoer hebben afgelegd. Op een dergelijk tijdstip kan zij echter niet aankomen, nu de verbindingen in het openbaar vervoer dit niet mogelijk maken. Ook zou verdachte op dat moment gasten in huis hebben gehad, die hij achter heeft gelaten. De vrouw van verdachte heeft verklaard dat zij die gasten na zijn vertrek achter verdachte aan heeft gestuurd. Onduidelijk is echter waarheen de verdachte zou gaan, zo verklaarde zij. Verdachte daarentegen heeft verklaard dat de gasten nog thuis waren, op het moment dat hij weer thuis kwam met de drie kinderen.

De verklaringen van verdachte omtrent al het bovenstaande worden terzijde geschoven, nu verdachte geen aanwijzingen voor een begin van aannemelijkheid voor de juistheid daarvan naar voren heeft gebracht.

Conclusie

Alle bovenstaande feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, bieden voldoende steun voor de conclusie dat verdachte, tezamen en in vereniging met in ieder geval [medeverdachte] en een of meer anderen, met -ten aanzien van de drie jongste kinderen- gebruikmaking van bedreiging met geweld, zijn vier kinderen aan het bevoegde opzicht heeft onttrokken door hen in een auto te plaatsen of plaats te laten nemen en hen naar en door Bulgarije (met als uiteindelijke bestemming Irak) te vervoeren, waardoor het voor de jeugdzorg feitelijk onmogelijk werd om het opzicht over die vier kinderen uit te oefenen. De verweren worden verworpen.

4.5 Partiële vrijspraak

De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het onttrekken aan het opzicht, voor zover dat volgens de tenlastelegging werd uitgeoefend door de Raad voor de Kinderbescherming. Uit de zich in het dossier bevindende beschikkingen van de kinderrechter van de Rechtbank Breda blijkt dat [kind 2] en [kind 1] onder toezicht zijn gesteld van de stichting (de rechtbank begrijpt: Stichting Bureau Jeugdzorg), waarbij is bepaald dat de maatregelen namens Bureau Jeugdzorg worden uitgevoerd door de William Schrikker Jeugdbescherming. Uit het dossier blijkt niet van enige bemoeienis van de Raad voor de Kinderbescherming bij de uitvoering van het opzicht.

Voorts zal de verdachte worden vrijgesproken van het gebruikmaken van list en/of geweld. Van een list of daadwerkelijk gebruik van geweld is niet gebleken.

5. Bewezenverklaring

5.1. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubrieken 4.3 en 4.4 genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

1.

in de periode van 20 augustus 2012 tot en met 22 augustus 2012 te Tiel en te [woonplaats], en elders in Nederland en in Bulgarije tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk een minderjarige, te weten:

[kind 4], geboren [1997],

(bij beschikking van de rechtbank Breda {met ingang van 11 februari 2011} onder toezicht gesteld bij Stichting Bureau Jeugdzorg {Noord-Brabant}, {welke ondertoezichtstelling bij beschikking van 24 januari 2012 met een jaar is verlengd tot 11 februari 2013} en waarvoor bij beschikking van de rechtbank Breda {met ingang van 8 juni 2012 tot uiterlijk 15 augustus 2012} een machtiging tot uithuisplaatsing is gegeven, {welke beschikking d.d. 6 augustus 2012 is verlengd tot 15 december 2012})

heeft onttrokken aan het opzicht van degene die dat opzicht desbevoegd over die minderjarige uitoefende met als doel dit minderjarige kind mee te nemen naar Bulgarije en Irak, immers heeft/hebben verdachte en/of (een van) zijn mededaders, zonder instemming (van voornoemde Stichting Bureau Jeugdzorg), die [kind 4]:

-met een auto opgehaald (te Tiel) en

-in een auto plaats laten nemen en vervoerd en

-buiten het grondgebied van Nederland gebracht en

-(in een auto) vervoerd naar en door Bulgarije

waardoor het voor voornoemde Stichting Bureau Jeugdzorg feitelijk onmogelijk was om opzicht over die [kind 4] uit te oefenen);

2.

in de periode van 20 augustus 2012 tot en met 22 augustus 2012 te [woonplaats] en elders in Nederland en in Bulgarije, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk drie minderjarigen die de leeftijd van twaalf jaar nog niet bereikt hadden, te weten:

- [kind 1], geboren [2009],

(bij beschikking van de rechtbank Breda {van 15 mei 2012} onder toezicht gesteld

{gehandhaafd bij beschikking van 8 juni 2012 en verlengd bij beschikking van 14 augustus 2012 tot uiterlijk 11 februari 2013} en waarvoor bij beschikking van de rechtbank Breda {van 15 mei 2012} een machtiging uithuisplaatsing is gegeven, {welke beschikking op 8 juni 2012 is gehandhaafd en verlengd bij beschikking van 14 augustus 2012 tot uiterlijk 15 november 2012}) en

- [kind 3], geboren [2004],

(bij beschikking van de rechtbank Breda met ingang van 11 februari 2011 tot 12 februari 2012 onder toezicht gesteld van de Stichting Bureau Jeugdzorg {Noord-Brabant}, {welke beschikking d.d. 24 januari 2012 met een jaar is verlengd tot 11 februari 2013}, en bij beschikking van de rechtbank Breda {d.d. 15 mei 2012} uit huis geplaatst, {welke op 8 juni 2012 is verlengd tot uiterlijk 15 augustus 2012 en op 14 augustus 2012 nogmaals is

verlengd tot uiterlijk 15 november 2012}) en

- [kind 2], geboren [2008],

(bij beschikking van de rechtbank Breda {van 15 mei 2012} onder toezicht gesteld {gehandhaafd bij beschikking van 8 juni 2012 en verlengd bij beschikking van 14 augustus 2012 tot uiterlijk 11 februari 2013}, en waarvoor bij beschikking van de rechtbank Breda {van 15 mei 2012} een machtiging uithuisplaatsing is gegeven, {welke beschikking op 8 juni 2012 is gehandhaafd en verlengd bij beschikking van 14 augustus 2012 tot uiterlijk 15 november 2012})

heeft onttrokken aan het opzicht van degene die dat opzicht desbevoegd over die minderjarigen uitoefende met als doel deze minderjarige kinderen mee te nemen naar Bulgarije en/of Irak, immers hebben verdachte en (een van) zijn mededaders zonder instemming (van voornoemde Stichting Bureau Jeugdzorg):

[kind 1] en [kind 3] en [kind 2]:

-in een auto geplaatst en/of gezet en/of laten plaatsnemen en

-meegenomen vanaf het adres waar zij verbleven en

-in een auto vervoerd door Nederland en

-buiten het grondgebied van Nederland gebracht en

-vervoerd naar en door Bulgarije

waardoor het voor voornoemde Stichting Bureau Jeugdzorg onmogelijk was om opzicht over die [kind 1] en [kind 3] en [kind 2] uit te oefenen)

en daarbij bedreiging met geweld gebezigd, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte en/of (een van) zijn mededaders:

-naar de verblijfplaats van voornoemde [kind 1] en [kind 3] en [kind 2] zijn gegaan en

-met een bivakmuts op op voornoemde [kind 1] en [kind 3] en [kind 2] en hun pleegouders is/zijn afgelopen en

-daarbij een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en een breekijzer heeft/hebben getoond aan die voornoemde [kind 1] en [kind 3] en [kind 2] en hun pleegouders en

-(daarbij) (tegen voornoemde pleegouders) heeft/hebben gezegd dat de kinderen met hen, verdachte en/of zijn mededaders mee moesten gaan en

- de woorden toegevoegd: "ik ben de vader van deze kinderen. Jullie begrijpen wel dat de kinderen met mij mee gaan" en

-aldus een dreigende en intimiderende situatie heeft/hebben doen ontstaan.

5.2. Toelichting op de bewezenverklaring

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze ook verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6. De strafbaarheid van het feit

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar als

1.

medeplegen van het opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefent;

2.

medeplegen van het opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefent, terwijl bedreiging met geweld is gebezigd en de minderjarige beneden de twaalf jaren oud is, meermalen gepleegd.

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8. Motivering van de straf

8.1. De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1 en 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek van voorarrest, waarvan een jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

8.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aandacht gevraagd voor de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en heeft er op gewezen dat deze zaak voor de verdachte buitengewoon emotioneel is en dat hij gelet op de traumatische ervaringen die hij heeft gehad met Stichting Bureau Jeugdzorg en de William Schrikker Groep geen andere uitweg zag dan de onderhavige. Daarbij heeft de raadsman er op gewezen dat de verdachte in een opwelling heeft besloten dat de kinderen weg moesten uit het pleeggezin, omdat hij zich ernstig zorgen maakte over hen. Ook is aangevoerd dat verdachte inmiddels inziet dat zijn gedrag strafbaar en afkeurenswaardig is en dat hij – wanneer hij in het vervolg niet naar de bevoegde instanties zou luisteren – hij zijn kinderen mogelijk nooit meer in een thuissituatie kan zien. Ook is gewezen op relevante jurisprudentie, waaruit blijkt dat in soortgelijke gevallen fors lagere straffen worden opgelegd dan de in deze zaak door de officier van justitie voorgestane straf, waarbij ook rekening gehouden dient te worden met de detentieomstandigheden in Bulgarije, waar de verdachte ruim een maand heeft vastgezeten. Ten slotte heeft de raadsman gewezen op de mogelijkheid aan verdachte een langere proeftijd op te leggen dan de twee jaren die standaard worden opgelegd.

8.3. Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft, samen met zijn mededaders, zijn vier minderjarige uit huis geplaatste kinderen weggehaald van hun respectieve verblijfadressen en heeft door aldus te handelen opzettelijk uitspraken van de kinderrechter genegeerd. Bij het wegnemen van zijn drie kinderen die in (hetzelfde) pleeggezin waren ondergebracht, heeft verdachte twee anderen meegenomen, die een bivakmuts droegen en een breekijzer en een op een vuurwapen gelijkend voorwerp bij zich hadden.

De naleving van rechterlijke uitspraken is van groot maatschappelijk belang en derhalve is het handelen van verdachte dan ook als uiterst laakbaar aan te merken. Bovendien heeft verdachte aldus handelend zijn kinderen in een onrustige, verwarrende en benarde positie gebracht. De pleegouders moeten erg geschrokken zijn van de komst van verdachte en ook voor zijn kinderen moet het een beangstigende ervaring zijn geweest om zo te worden overvallen op het eigen erf.

In de samenwerking met de medeverdachte, de moeder van de vier kinderen, is de rol van verdachte een overheersende geweest. Verdachte heeft het initiatief genomen en heeft de meeste uitvoeringshandelingen op zich genomen, waaronder het regelen van mededaders en twee auto’s. Van handelen in een opwelling, zoals betoogd, was naar het oordeel van de rechtbank in het geheel geen sprake.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met

- een de verdachte betreffend uittreksel uit het justitiële documentatieregister d.d. 28

november 2012, waaruit blijkt dat verdachte eerder – maar langer geleden – is veroordeeld;

- een de verdachte betreffend reclasseringsrapport van R. Jansen d.d. 23 november 2012, waaruit blijkt dat verdachte volledig is gericht op de hereniging van zijn gezin. De reclassering kan het recidiverisico niet inschatten en er wordt geen behandeling voorgesteld.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat bij de straftoemeting in forse mate af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd. De rechtbank kwalificeert het onderhavig feit, in tegenstelling tot de officier van justitie, niet als soortgelijk aan een woningoverval. De pleegouders van de kinderen zijn in dit geval niet feitelijk aangerand. Wel neemt de rechtbank het verdachte zeer kwalijk dat sprake is geweest van het dreigen met wapens op het privéterrein van de pleegouders.

De door de officier van justitie voorgestane straf wijkt af van de straffen die in het geval van onttrekking aan het gezag/opzicht veelal worden opgelegd. De rechtbank heeft daar echter wel aansluiting bij gezocht, waarbij nadrukkelijk wordt overwogen dat de enige gepaste reactie voor feiten als de onderhavige, het opleggen van een gedeeltelijk onvoorwaardelijke gevangenisstraf is.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden noodzakelijk is. Wel ziet de rechtbank aanleiding een deel daarvan, te weten 12 maanden, voorwaardelijk op te leggen. Met deze voorwaardelijke straf wordt beoogd verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Vanwege het feit dat de rechtbank het recidivegevaar als hoog aanmerkt vanwege de diepgaande emotionele betrokkenheid van verdachte bij zijn kinderen en de ongewisse situatie terzake die kinderen op het moment van invrijheidstelling van verdachte, zal een proeftijd worden opgelegd van drie jaren. Bij deze strafoplegging zijn de detentieomstandigheden in Bulgarije meegewogen.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47 en 279 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5.1 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

1.

medeplegen van het opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefent;

2.

medeplegen van het opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefent, terwijl bedreiging met geweld is gebezigd en de minderjarige beneden de twaalf jaren oud is, meermalen gepleegd

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 24 (vierentwintig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in uitleveringsdetentie, in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 12 (twaalf) maanden, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 3 (drie) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.C. Oostendorp, voorzitter,

mrs. J.P.W. Helmonds en D.A.C. Koster, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. H.H. Balk, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 januari 2013