Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:BY8970

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
08-01-2013
Datum publicatie
21-01-2013
Zaaknummer
334621 / HA RK 12-571
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingszaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zaaknummer / rekestnummer: 334621 / HA RK 12-571

beslissing van 8 januari 2013 van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken, zitting houdend te Utrecht,

op het verzoek in de zin van artikel 36 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) van:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verder ook te noemen [verzoeker],

verzoeker.

1. Het verloop van de procedure

1.1. Bij fax, gedagtekend 19 december 2012, diezelfde dag ter griffie binnengekomen, heeft [verzoeker] het verzoek gedaan tot wraking van mr. D.C.P.M. Straver, rechter in de sector handel en kanton van deze rechtbank (hierna ook te noemen: de rechter) en als kantonrechter belast met de behandeling van de zaak van[bedrijf] B.V. (hierna [bedrijf] te noemen) tegen [verzoeker], bij de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer 818298 AC EXPL 12-3790. Bij latere fax van 19 december 2012 heeft [verzoeker] zijn wrakingsverzoek nader onderbouwd.

1.2. De griffier van deze rechtbank heeft verzoeker en de gewraakte rechter opgeroepen voor de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek op 8 januari 2013. De gemachtigde van [bedrijf] is van deze behandeling in kennis gesteld.

1.3. De rechter heeft niet in de wraking berust. Op 3 januari 2013 heeft zij haar schriftelijke reactie op het wrakingsverzoek aan de griffier van de rechtbank doen toekomen. Deze reactie is in afschrift aan [verzoeker] toegestuurd.

1.4. Het wrakingsverzoek is op 8 januari 2013 in het openbaar behandeld. Daarbij was de gewraakte rechter aanwezig. [verzoeker] is niet ter zitting verschenen. Ook [bedrijf] was niet ter zitting aanwezig. De rechter heeft een nadere toelichting op haar standpunt gegeven.

1.5. Nadat de behandeling was gesloten en de wrakingskamer zich had beraden, is aansluitend mondeling uitspraak gedaan. Hetgeen hierna volgt is van deze uitspraak de schriftelijke uitwerking.

2. De feiten

2.1. De hoofdprocedure betreft de vordering die [bedrijf] tegen [verzoeker] heeft ingesteld - kort gezegd - strekkende tot ontbinding van de huurovereenkomst, ontruiming van het gehuurde en betaling van de huurachterstand (met nevenvorderingen).

2.2. Voor het verloop van de procedure in de hoofdzaak, in de periode die vooraf is gegaan aan het eerdere wrakingsverzoek van [verzoeker] van 11 september 2012, wordt verwezen naar de weergave daarvan in de beslissing van de wrakingskamer van 18 oktober 2012 (zaaknummer 329764 / HA RK 12-436).

2.3. Daarna is in de hoofdzaak opnieuw een comparitie van partijen gelast, te houden op 7 december 2012. In reactie op de brief van [verzoeker] van 20 november 2012, waarin hij te kennen gaf nog een nadere toelichting op zijn standpunt te willen geven, heeft de rechter hem bij brief van 3 december 2012 geantwoord dat hij daartoe ter zitting van 7 december 2012 de gelegenheid heeft. In diezelfde brief heeft de rechter aan [verzoeker] laten weten dat een verder uitstel van de zitting niet zou worden verleend.

2.4. Op 7 december 2012 heeft de comparitie plaats gevonden, in aanwezigheid van de directeur van [bedrijf]. [verzoeker] is niet ter zitting verschenen. Na de zaak inhoudelijk te hebben behandeld, heeft de rechter bepaald dat op 19 december 2012 vonnis zou worden gewezen.

2.5. Op 12 december 2012 heeft de rechter een brief van [verzoeker], gedagtekend 7 december 2012, ontvangen. In deze brief heeft [verzoeker] meegedeeld dat hij op 7 december 2012, onderweg naar de zitting, bij slecht weer ten val is gekomen en onverrichter zake naar huis is teruggekeerd. De rechter heeft op deze brief niet gereageerd. De hoofdzaak bleef voor vonnis staan.

3. Het verzoek

3.1. Verzoeker meent dat de rechter dient te worden vervangen door een andere rechter, omdat er grond is te vrezen dat het haar in de gegeven omstandigheden aan de vereiste onpartijdigheid ontbreekt. Doordat niet is gereageerd op zijn brief van 7 december 2012 en de rechter voornemens bleef om vonnis te wijzen, is de schijn gewekt dat de rechter bevooroordeeld is en is verzoeker ten onrechte beperkt in zijn mogelijkheid om tegen de jegens hem ingestelde vordering verweer te voeren. Verzoeker meent dat hem niet kan worden tegengeworpen dat binnen de rechtbank zijn post niet juist is behandeld.

3.2. De rechter meent dat het wrakingsverzoek moet worden afgewezen, omdat van een gebrek aan rechterlijke onpartijdigheid geen sprake is. Van de brief van [verzoeker], gedagtekend 7 december 2012, heeft de rechter eerst op 12 december 2012 kennis genomen. Omdat de inhoud ervan niet om beantwoording vroeg, is daarop niet gereageerd. [verzoeker] heeft in de procedure voldoende gelegenheid gehad zich tegen de vordering van [bedrijf] te verweren. Hij is ook niet in zijn verdediging geschaad, omdat ter zitting van 7 december 2012 geen nieuwe feiten aan de orde zijn gekomen. In genoemde brief heeft [verzoeker] geen feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat hij er belang bij heeft om alsnog mondeling te worden gehoord. Mede in verband met het zwaarwegende belang van [bedrijf] bij een spoedige uitspraak, is de beslissing om vonnis te wijzen gehandhaafd.

4. De beoordeling

4.1. Voor de beoordeling van dit wrakingsverzoek is de toepasselijke norm gegeven in artikel 36 Rv. Daarin is bepaald dat op verzoek van een partij de rechter die een zaak behandelt kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Voor de beoordeling van het wrakingsverzoek wordt de toepasselijke norm voorts gegeven door artikel 6 EVRM, in samenhang met de door de Hoge Raad en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens ontwikkelde criteria. Van een gebrek aan onpartijdigheid kan, afgezien van de persoonlijke instelling van de betrokken rechter, ook sprake zijn indien objectief bepaalde feiten of omstandigheden grond vormen te vrezen dat het de rechter in de gegeven omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt.

4.2. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 36 Rv/artikel 6 EVRM dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procespartij bestaande vrees dienaangaande objectief gerechtvaardigd is.

4.3. Omdat niet is gebleken van enige persoonlijke vooringenomenheid van de rechter jegens verzoeker, zal slechts onderzocht worden of [verzoeker] in objectieve zin reden heeft te vrezen dat het de rechter aan onpartijdigheid ontbreekt.

4.4. Naar het oordeel van de wrakingskamer bestaat geen grond voor gerechtvaardigde vrees dat het de rechter aan de vereiste onpartijdigheid heeft ontbroken, doordat zij de hoofdzaak ter zitting van 7 december 2012 inhoudelijk heeft behandeld, óók toen [verzoeker] niet was verschenen. Uit het enkele feit dat het slecht weer was, kon haar redelijkerwijs niet bekend zijn wat de reden van zijn verhindering was. Niet gebleken is dat de brief van [verzoeker], gedagtekend 7 december 2012, door toedoen van de rechtbankorganisatie zoek is geraakt of is blijven liggen en daardoor niet tijdig bij de rechter is bezorgd. De wrakingskamer stelt vast dat de brief, die [verzoeker] op 7 december 2012 heeft geschreven maar waarvan hij ook zelf niet zeker weet of die tijdig is gepost, in elk geval niet voorafgaand aan de zitting van 7 december 2012 ter kennis van de rechter had kunnen komen.

4.5. Toen de rechter, bij kennisname van bedoelde brief van [verzoeker], alsnog op de hoogte kwam van de gestelde reden van verhindering, hoefde zij daarin geen aanleiding te zien terug te komen op de beslissing van 7 december 2012 om de zaak voor vonnis naar de rol te verwijzen, en opnieuw een comparitie te bepalen. Die beslissing is aan te merken als een procesbeslissing, waarvan de juistheid in beginsel niet door de wrakingskamer kan worden getoetst. Slechts indien de beslissing dermate onbegrijpelijk is dat deze een zwaarwegende aanwijzing oplevert dat het oordeel van de rechter alleen kan voortvloeien uit een vooringenomenheid jegens [verzoeker], althans dat de bij hem bestaande vrees daarvoor naar objectieve maatstaven gerechtvaardigd is, kan dit tot een ander oordeel leiden. Deze situatie doet zich naar het oordeel van de rechtbank niet voor. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat [verzoeker] in zijn brief, gedagtekend 7 december 2012, niet om een nadere comparitie heeft verzocht en zich niet nader heeft uitgelaten over zijn concrete belang om alsnog ter zitting te worden gehoord. Hiertegenover mocht de rechter, tot wier taak het behoort om de voortgang van de procedure te bewaken, het belang van de eiseres in de hoofdzaak zwaarder laten wegen.

4.6. Op grond hiervan wordt het verzoek afgewezen. In de hoofdzaak is het de tweede keer dat [verzoeker] een ongegrond wrakingsverzoek heeft ingediend. Bepaald wordt dat een volgend wrakingsverzoek van [verzoeker], betrekking hebbend op de hoofdzaak, niet in behandeling zal worden genomen. De reden hiervan is dat in het belang van de voortgang van de hoofdprocedure voorkomen moet worden dat [verzoeker] door een hernieuwd wrakingsverzoek misbruik maakt van het wrakingsmiddel.

5. De beslissing

De rechtbank:

5.1. wijst het verzoek tot wraking van de rechter af;

5.2. bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek van [verzoeker], betrekking hebbend op de hoofdzaak, niet in behandeling zal worden genomen;

5.3. draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te zenden aan verzoeker, aan de rechter, alsmede aan de voorzitter van de Afdeling Civiel recht en de president van deze rechtbank;

Deze beslissing is gegeven door mr. B.J. van Ettekoven (voorzitter), mr. L.E. Verschoor-Bergsma en mr. G. Perrick en in het openbaar uitgesproken op 8 januari 2013, in aanwezigheid van de griffier.