Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:BY8892

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
18-01-2013
Datum publicatie
18-01-2013
Zaaknummer
16/700639-12 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan stalking van zijn ex-vriendin. Daartoe zocht hij veelvuldig contact door haar onder andere op te bellen, sms-berichten te sturen en haar te volgen. Dit alles nam een dreigende toon aan wanneer zij hierop geen reactie gaf. Verdachte heeft daarmee stelselmatig inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van zijn ex-vriendin. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 109 dagen waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Als bijzondere voorwaarde geldt dat verdachte in het eerste jaar van de proeftijd geen contact mag hebben met slachtoffer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Sector strafrecht

parketnummer: 16/700639-12 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 18 januari 2013

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1992] te [geboorteplaats]

wonende te [adres] [woonplaats]

raadsman mr. G.E. Menick, advocaat te Amsterdam.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 4 januari 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: in de periode van 8 februari 2012 tot en met 7 april 2012 [X] heeft gestalkt;

Feit 2: op 16 of 17 maart 2012 een auto heeft vernield door deze te bekrassen en een ruit van die auto in te gooien.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte beide tenlastegelegde feiten heeft begaan en baseert zich daarbij in het bijzonder, ten aanzien van beide feiten, op de aangifte en verklaringen van [X], welke door verklaringen van andere getuigen worden ondersteund.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en wijst daarbij op het volgende. Ten aanzien van feit 1 is de verdediging van mening dat het stelselmatige karakter, welke noodzakelijk is om tot een bewezenverklaring van dat feit te komen, ontbreekt. Verdachte was slechts bezig te proberen om zijn relatie te redden en hield daarom een dialoog die zowel door hem als [X] gewenst was. Derhalve dient vrijspraak te volgen voor feit 1. Ten aanzien van feit 2 is de verdediging van mening dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte de vernieling heeft gepleegd. Er is geen enkele getuige die hem heeft gezien op de plaats delict en er is enkel sprake van vermoedens in plaat van concrete feiten. Om die reden dient verdachte ook voor feit 2 vrijgesproken te worden.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de beide tenlastegelegde feiten heeft begaan en overweegt daartoe het volgende.

Bewijsmiddelen ten aanzien van feit 1

Op 6 april 2012 komt [X] (hierna: [X]) aangifte doen van belaging door haar ex-vriend [verdachte] (hierna: verdachte). Ze hebben ruim 2 jaar een relatie gehad, maar op 8 februari 2012 heeft zij de relatie verbroken. Sindsdien laat verdachte haar niet met rust.

Op 10 april 2012 dient [X] een klacht in van belaging en wenst daarmee een strafrechtelijk onderzoek en vervolging van verdachte. [X] verklaart dat verdachte haar vanaf 8 februari 2012 veelvuldig belt en sms-berichten stuurt. Deze berichten beginnen onschuldig, maar wanneer [X] niet reageert worden de berichten dreigend van aard. In de periode van 10 februari 2012 tot en met 14 maart 2012 belt verdachte 31 keer naar [X], terwijl die laatste zijn oproepen niet beantwoordt. Naast het bellen en berichten sturen, volgt verdachte [X] naar school en naar huis en laat daarbij aan [X] merken dat hij haar volgt. Dit door even naast haar te blijven rijden of haar te laten weten dat hij ziet dat zij niet thuis slaapt. Op 24 maart 2012 staat verdachte volgens [X] plotseling naast haar bed. Zij verklaart hier ontzettend van geschrokken te zijn en verdachte geen toestemming te hebben gegeven de woning te betreden. De verklaring van [X] hieromtrent wordt ondersteund door de verklaring van [C], die zegt dat [X] hem heeft verteld dat verdachte plotseling naast haar bed stond. Ondanks dat [X] en zelfs haar vader, waarmee verdachte een goede verhouding heeft, herhaaldelijk tegen verdachte zeggen dat hij [X] met rust moet laten, blijft verdachte contact zoeken. Hij stuurt haar een liefdesbrief en wanneer hij in Spanje is met een vriend, stuurt hij haar een vakantiekaart.

De verklaring van [X] wordt ondersteund door de getuigenverklaringen van zowel haar moeder, [Getuige 1], als haar zus, [Getuige 2]. Beide vrouwen schetsen, mede gebaseerd op eigen waarnemingen, het beeld dat [X] door verdachte werd lastig gevallen en dat [X] wilde dat hij zou stoppen. [Getuige 1] verklaart daarnaast dat [X] erg bang is sinds de relatie is beëindigd. [X] zelf verklaart bij de politie dat zij zich onveilig voelt en bang is dat verdachte [C], haar of haar familie wat aandoet.

Bewijsmiddelen ten aanzien van feit 2

Op 17 maart 2012 komt [benadeelde] (hierna: [benadeelde]) erachter dat zijn auto met kenteken [kenteken] bekrast is en dat een ruit van de auto is ingegooid. Bij de politie geeft hij aan dat hij het vermoeden heeft dat dit gedaan is door [verdachte]. Zijn zoon [C] heeft namelijk contact met [X] en verdachte denkt dat zij een relatie hebben. Verdachte is al eerder veroordeeld voor vernielingen bij de familie , omdat hij boos is op [C] vanwege de vermeende relatie met [X]. Het vermoeden van [benadeelde] wordt ondersteund door het feit dat [C] op 17 maart 2012 van [X] een berichtje heeft ontvangen waarin staat: ‘Hee, is er iets gebeurd??’

Dit bericht van [X] aan [C] lijkt kennelijk voort te komen uit berichten die verdachte de dag daarvoor aan [X] heeft gestuurd, waaruit blijkt dat hij iets van plan was.

Zo stuurt hij haar op 16 maart 2012 om 17:45 uur:

‘Ik rij gelijk door daar naar toe opkk jij mij negeren ik gekke acties uithalen ik heb nu echt schijt niks te verlieze ook geen werk meer dus gaat lachen worde’.

Op dezelfde dag om 22:13 uur stuurt hij haar:

‘Ga maar naar hem toe ik ga ook.’ Ter zitting verklaart verdachte dat hij met ‘hem’ [C] bedoelde.

[X] reageert hier dezelfde dag om 22:15 uur op met het volgende bericht:

‘Kk lijer, jij laat mij met rust. Ik ken jou niet meer nooit meer’

Verdachte stuurt dan terug om 22:16 uur:

‘Is goed hoer eerst ga ik de boel teroriseren kk sletje doei ken jou inder daad nie meer’.

Verdachte heeft ter terechtzitting toegegeven dat hij jaloers was op [C] om de redenen als door de vader van [C] vermeld.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 1

Verdachte verklaart ter zitting dat het contact tussen hem en [X] van twee kanten kwam en dus niet alleen van hem. De rechtbank acht dit ongeloofwaardig en baseert zich daarbij op de verklaring van [X] waaruit blijkt dat zij bang is voor verdachte en zich onveilig voelt. Dit wordt ondersteund door de verklaringen van de zus en de moeder van [X], die beiden hebben verklaard dat [X] angstig is geworden sinds de relatie met verdachte is beëindigd en hij haar sindsdien lastig valt. Daar komt bij dat verdachte veelvuldig contact heeft gezocht en [X] dit contact vrijwel niet beantwoordde. De keren dat zij zijn berichten wel beantwoordde gaf zij te kennen dat zij verder geen contact met hem wenste. Dat [X] nagenoeg geen contact met verdachte onderhield blijkt ook uit de sms-berichten, waarin verdachte meermalen aan [X] vraagt om hem niet te negeren en uiteindelijk gaat dreigen. Ook zelfs dan zoekt [X] geen contact met verdachte.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 2

De verklaring van verdachte, inhoudende dat hij de vernieling niet gepleegd kan hebben omdat hij ten tijde daarvan in Spanje was, wordt onbetrouwbaar geacht.[D] is een vriend van verdachte en heeft verklaard dat hij met verdachte op 20 maart 2012 naar Spanje is vertrokken en derhalve na de datum van de vermeende vernieling. Deze getuige heeft geen enkele reden om ten nadele van verdachte te verklaren. Derhalve acht de rechtbank deze verklaring betrouwbaarder dan de verklaring van verdachte zelf. Daar komt bij dat verdachte ter terechtzitting het door de vader van [C] aan hem toegekende motief heeft bevestigd, hij reeds eerder is veroordeeld voor een vernieling bij de familie van [benadeelde] en hij op de avond van de vernieling sms-berichten heeft gestuurd naar [X] waaruit blijkt dat hij een gekke actie zou gaan uithalen. Deze berichten van verdachte hebben bij [X] de vrees opgeleverd dat verdachte wederom een tegen de familie van [C] gerichte actie zou gaan uithalen, Deze vrees is gegrond gebleken, zoals blijkt uit het feit dat de auto van de familie [benadeelde] daadwerkelijk is vernield.

Gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden en bezien in onderling verband en samenhang, volgt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte [X] heeft belaagd en de auto met het kenteken [kenteken] heeft vernield.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1. in de periode van 8 februari 2012 tot en met 7 april 2012 te Maarssen, Wijk bij Duurstede en Bodegraven, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [X] met het oogmerk die [X] te dwingen iets te doen en vrees aan te jagen, immers heeft verdachte

- die [X] een groot aantal sms-berichten gestuurd en

- die [X] een brief en een kaart gestuurd en

- die [X] meermalen gebeld en

- tegen die [X] meermalen bedreigingen geuit en

- die [X] gevolgd vanaf school en naar huis en

- zonder toestemming de woning van die [X] betreden;

2. in de periode van 16 maart 2012 en 17 maart 2012 te [woonplaats]opzettelijk en wederrechtelijk een auto (kenteken [kenteken]) geheel toebehorende aan [benadeelde], heeft vernield en beschadigd door toen aldaar opzettelijk en wederrechtelijk die auto te bekrassen en de ruit van die auto in te gooien.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Feit 1: belaging

Feit 2: vernieling

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 109 dagen waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met de volgende bijzondere voorwaarden:

- de verdachte mag geen contact hebben met [X] (niet direct, niet indirect, ook niet als die persoon zelf dat contact zoekt);

- de verdachte mag zich niet binnen een straal van 1 kilometer rondom de [adres] [woonplaats] ophouden;

- de verdachte zal zich verplicht laten behandelen bij De Waag of soortgelijke instelling indien de reclassering dit nodig acht.

- de verdachte zal zich houden aan de aanwijzingen die de reclassering geeft, zo lang en zo frequent als de reclassering dit nodig acht.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt de rechtbank rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Uit het psychologisch onderzoek blijkt namelijk dat verdachte ten tijde van het plegen van het delict leed aan een impulscontrolestoornis, hetgeen meegewogen zou moeten worden in de strafmaat, indien de rechtbank overgaat tot strafoplegging.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan stalking van zijn ex-vriendin. Daartoe zocht hij veelvuldig contact door haar onder andere op te bellen, sms-berichten te sturen en haar te volgen. Dit alles nam een dreigende toon aan wanneer zij hierop geen reactie gaf. Verdachte heeft daarmee stelselmatig inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van zijn ex-vriendin.

Het handelen van verdachte heeft enorme impact gehad -en heeft dat nog steeds- op [X] en de mensen in haar nabije omgeving die tevens met het gedrag van verdachte worden geconfronteerd. Zo heeft verdachte een vernieling gepleegd bij de familie [benadeelde], omdat hij dacht dat zijn ex-vriendin een nieuwe relatie had met [C] en hij hierover, naar eigen zeggen, erg boos was. Verdachte heeft zich geen rekenschap gegeven van wat hij bij zijn ex-vriendin en de familie [benadeelde] heeft veroorzaakt. Hij verklaart dat het voor hem een laatste poging was om de relatie te herstellen en heeft daarbij geen rekening gehouden met zijn ex-vriendin en haar gevoelens.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van verdachte d.d. 28 november 2012, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor belaging is veroordeeld, maar wel voor vernieling en wel laatstelijk op 28 maart 2012 door de politierechter in Utrecht. De rechtbank merkt op dat bij deze laatste vernieling ook de familie [benadeelde] het slachtoffer is geworden.

De rechtbank heeft kennis genomen van een rapport van gz-psycholoog dr. D.J. Burck d.d. 15 juli 2012, waaruit blijkt dat verdachte lijdt aan een impulscontrolestoornis die tot uitdrukking komt in het structureel tekortschieten van zijn copingsvaardigheden en sociale vaardigheden. Hierdoor kon verdachte de situatie niet goed beoordelen en heeft hij geen alternatieven gezien dan het plegen van de strafbare feiten. Indien het tenlastegelegde wordt bewezen, dienen de feiten hem in enigszins verminderde mate te worden toegerekend.

De rechtbank constateert op grond van bovenstaande rapportage, de houding van verdachte ter terechtzitting en de aanwezige gevoelens bij de slachtoffers, dat het noodzakelijk is om verdachte een contactverbod met [X] op te leggen. De rechtbank acht het niet geïndiceerd een locatieverbod op te leggen voor het adres [adres], aangezien dit locatieverbod reeds van kracht is uit hoofde van een eerdere veroordeling van verdachte.

De rechtbank is van oordeel dat het, gelet op de ernst van de feiten, passend is om aan verdachte de volgende straf op te leggen: een gevangenisstraf van 109 dagen waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met de bijzondere voorwaarde dat de verdachte gedurende het eerste jaar van de proeftijd geen contact heeft met [X] (niet direct, niet indirect). Het opleggen van deze bijzondere voorwaarde betekent dat aan verdachte ook de in artikel 14c van het wetboek van strafrecht opgesomde algemene voorwaarden worden opgelegd, waaronder de voorwaarde dat hij medewerking zal verlenen aan reclasseringstoezicht. De rechtbank acht daarnaast een meldplicht bij en begeleiding door de reclassering niet noodzakelijk. Verdachte heeft inkomen, werk en huisvesting en lijkt zijn leven, afgezien van het moeilijk accepteren van het einde van zijn relatie met [X], redelijk op orde te hebben. Behandeling door de Waag acht de rechtbank om dezelfde reden en ook gezien het ontbreken van intrinsieke motivatie evenmin geëigend.

7 De vordering benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde] vordert een schadevergoeding van € 1420,44 aan materiële schade, welke bestaat uit de reparatie van de autoruit en herstellen van de krassen op de zijkant van de auto, dit alles te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat de vordering deels kan worden toegewezen en wel voor een bedrag van €161,42. Voor het overige deel dient de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard aangezien herstel van de krassen niet meer mogelijk was nu de auto kort daarna is afgebrand.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt de rechtbank de vordering af te wijzen, dan wel niet-ontvankelijk te verklaren omdat de schade aan de auto door de brand niet meer te bepalen is.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de vordering ingediend door benadeelde partij [benadeelde] oordeelt de rechtbank als volgt. De schade is een rechtstreeks gevolg van het onder feit 2 bewezenverklaarde feit en verdachte wordt aansprakelijk geacht voor die schade.

Dat de auto, voordat deze hersteld kon worden, is uitgebrand waardoor feitelijk geen herstel heeft plaatsgevonden, neemt niet weg dat de vordering ook ten aanzien van dat bedrag kan worden toegewezen. Doorslaggevend is hier het enkele feit dat sprake is geweest van schade. Daardoor is de auto in waarde verminderd. De geleden schade kan gelijk gesteld worden op het bedrag dat nodig zou zijn geweest om de auto in de oude staat terug te brengen.

De vordering zal voor het gehele bedrag van €1420,44 worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente, berekend vanaf 17 maart 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Met betrekking tot de toegekende vordering zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 36f, 285b, 350 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Feit 1: belaging

Feit 2: vernieling

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 109 dagen waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en daarbij de volgende algemene voorwaarden:

- dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit;

- dat de verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- dat de verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

en de volgende bijzondere voorwaarden:

- dat de verdachte gedurende het eerste jaar van de proeftijd geen contact heeft met [X] (niet direct en niet indirect);

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf;

Vordering benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde] van €1420,44 bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente berekend vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 17 maart 2012;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde], €1420,44 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente berekend vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 17 maart 2012, bij niet betaling te vervangen door 24 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.P.C.M. Waarts, voorzitter, mr. E.A.A. van Kalveen en

mr. M.A.A.T. Engbers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Capitano, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 18 januari 2013.