Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:BY7743

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
03-01-2013
Datum publicatie
03-01-2013
Zaaknummer
16/656291-12 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft een verpleegkundige meerdere malen op ernstige wijze met de dood bedreigd. Het slachtoffer heeft dermate geleden onder de bedreigingen dat hij als gevolg daarvan een posttraumatische stressstoornis heeft opgelopen waardoor hij maanden zijn werk niet heeft kunnen doen. Maar ook onder andere medewerkers in het ziekenhuis heeft het gedrag van verdachte voor grote onrust gezorgd. Dat verdachte in een rouwproces verkeerde door het overlijden van zijn partner, is een omstandigheid die de rechtbank meeweegt, maar die geenszins het gedrag van verdachte rechtvaardigt. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar en (onder meer) een meldingsplicht bij de Reclassering en een gebiedsverbod voor de Uithof te Utrecht en een werkstraf van 200 uren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/656291-12 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 3 januari 2013

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1975],

postadres: [adres],

[woonplaats]

raadsman mr. A.E.M.C. Koudijs, advocaat te Utrecht;

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 20 december 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

meermalen een persoon heeft bedreigd met de dood (de feiten 1 en 3), scherpe voorwerpen bij zich heeft gedragen (feit 2) en agenten heeft beledigd (feit 4).

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte alle vier ten laste gelegde feiten heeft gepleegd, met dien verstande dat de in feit 3 ten laste gelegde periode kan worden beperkt tot beginnend vanaf 1 juni 2012 en in feit 4 de belediging ten aanzien van verbalisant [verbalisant 1] kan worden weggestreept. Zij baseert zich daarbij op de verklaringen van de verdachte ter zitting en de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank tot een bewezenverklaring kan komen van de feiten zoals door de officier van justitie beperkt.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht alle vier ten lastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank baseert haar oordeel op de volgende bewijsmiddelen:

Met betrekking tot feit 1 heeft verdachte ter zitting bekend dat hij in de nacht van 17 september 2012 in het UMC in Utrecht een verpleegkundige [benadeelde] meermalen met de dood heeft bedreigd. [benadeelde] heeft hiervan aangifte gedaan. Beveiligers hebben verdachte de bedreigingen horen uiten en ook twee agenten hebben gehoord dat verdachte [benadeelde] met de dood heeft bedreigd.

Met betrekking tot feit 2 heeft verdachte ter zitting bekend dat hij in de nacht van 17 september naar het UMC in Utrecht is gegaan en daar twee aardappelschilmesjes, een stanleymes en een vleesvork bij zich droeg. Hij heeft de messen laten zien aan de verpleegkundigen die in de personeelsruimte verbleven, terwijl hij op zoek was naar voormelde [benadeelde] om deze persoon iets aan te doen. Het bij zich dragen van messen en andere scherpe voorwerpen onder deze omstandigheden is strafbaar.

Met betrekking tot feit 3 heeft verdachte ter zitting bekend dat hij in de periode van 1 juni 2012 tot en met 24 augustus 2012 meermalen voormelde [benadeelde] met de dood heeft bedreigd. [benadeelde] heeft hiervan aangifte gedaan en twee getuigen hebben hierover verklaard.

Met betrekking tot feit 4 heeft verbalisant [verbalisant 2] aangifte gedaan van belediging door verdachte. Hij hoorde verdachte tegen hem zeggen :”je bent een kankerlijer”en “je bent een kankernazi” en “je bent een kankergroentje.” Verbalisant [verbalisant 3] hoorde verdachte tegen [verbalisant 2] zeggen “kankernazi”en hij hoorde verdachte in iedere zin “kanker” zeggen, het beledigende gedrag van verdachte hield maar niet op. Verbalisant [verbalisant 1] hoorde verdachte in de richting van [verbalisant 2] zeggen: “jij bent een echte nazi.”

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

hij op 17 september 2012 te Utrecht, [benadeelde] (indirect) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk collega's van die voornoemde [benadeelde] dreigend de woorden toegevoegd :"Ik pak die [benadeelde] hier nog wel. Het is hier gebeurd en hier gaat het ook met hem gebeuren. Als het nu niet gebeurt dan gebeurt het de

volgende keer wel. Ik zet dan wel vrienden neer bij alle uitgangen en als hij dan naar buiten komt, dan verdwijnt hij in de kofferbak en dan komt hij niet meer terug" en "Die [benadeelde] heeft geluk dat hij er niet is. Ik had hem doodgemaakt, echt waar" en "Als ik hem tegen was gekomen in het ziekenhuis was het slecht met hem afgelopen en had hij in het ziekenhuis moeten blijven" en "Ik wens [benadeelde] de dood toe", en "[benadeelde] komt nog wel aan de beurt"en "de deuren gaan vanzelf wel een keer open en dan is hij voor mij"(doelend op [benadeelde]), althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2.

hij op of omstreeks 17 september 2012 te Utrecht een stanleymes en twee

aardappelschilmesjes en een vleesvork, zijnde voorwerpen als bedoeld in de categorie IV, onder 7, van de Wet wapens en munitie, heeft gedragen;

3.

hij op tijdstippen gelegen in de periode van 1 juni 2012 tot en met 24 augustus 2012 te Utrecht een of meermalen (telefonisch) (en al dan niet indirect) [benadeelde] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk een of meermalen voornoemde [benadeelde] en (een) collega('s) van die [benadeelde] en een medewerker van de telefonische hulpdienst Stichting Sensoor Utrecht dreigend de woorden toegevoegd:"Ik ga de man omleggen. Ik steek een schroevendraaier in zijn nek. Je ziet mij vanavond op SBS6. Ik ga zijn gezin iets aandoen" en/of "Je mag iets aan hem doorgeven, hij gaat eraan", althans telkens woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

4.

hij op of omstreeks 26 oktober 2012 te Utrecht, althans in het arrondissement

Utrecht, opzettelijk beledigend een ambtenaar, te weten [verbalisant 2], hoofdagent van politie Utrecht, gedurende en / of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in uniform gekleed en met mountainbike-surveillancedienst belast in diens tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden "Je bent een kankernazi" en/of "Je bent een kankergroentje" en/of "Je bent een kankerlijer" en/of "Jij bent echt een

nazi", althans woorden van gelijke beledigende aard en / of strekking;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op:

feit 1:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

feit 2:

Handelen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

feit 3:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

feit 4:

Eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit. Wel wordt in het rapport van de psychiater D.C.W.N. Naus d.d. 29 november 2012 geadviseerd uit te gaan van een verminderde toerekeningsvatbaarheid. De rechtbank neemt dit advies over.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen voor de overtreding onder feit 2. een geldboete van € 150,- subsidiair 3 dagen hechtenis en voor de feiten 1, 3 en 4 een gevangenisstraf voor de tijd van 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar en met oplegging van de bijzondere voorwaarden dat verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen hem door of namens de reclassering te geven, ook als dit inhoudt behandeling bij De Waag en/of het ACT team van Altrecht. Voorts oplegging van een locatieverbod voor de Uithof, gedurende de eerste zes maanden van de proeftijd te controleren via een gps-enkelband en een contactverbod voor de medewerkers van het UMC en het slachtoffer [benadeelde].

Daarnaast een werkstraf voor de duur van 200 uur subsidiair 100 dagen hechtenis met aftrek van de tijd in voorlopige hechtenis doorgebracht en verbeurdverklaring van de in beslag genomen goederen.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de voorlopige hechtenis op te leggen en een forse voorwaardelijke gevangenisstraf met oplegging van een meldingsgebod, reclasseringstoezicht en een ambulante behandelverplichting voor verdachte ter zake van zijn alcoholproblematiek, alsmede ten behoeve van rouwverwerking en agressieregulatie. De raadsman heeft bepleit de controle middels een gps-enkelband te beperken tot maximaal twee tot drie maanden.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Met betrekking tot de ernst van de feiten merkt de rechtbank op dat de herhaaldelijk door verdachte geuite ernstige bedreigingen met de dood tot grote onrust en spanningen hebben geleid. Dit geldt met name en in de eerste plaats bij het slachtoffer die dermate heeft geleden onder de bedreigingen dat hij als gevolg daarvan een posttraumatische stressstoornis heeft opgelopen waardoor hij maanden zijn werk niet heeft kunnen doen. Maar ook onder andere medewerkers in het ziekenhuis heeft het gedrag van verdachte voor grote onrust gezorgd. Dat verdachte in een rouwproces verkeerde door het overlijden van zijn partner, is een omstandigheid die de rechtbank meeweegt, maar die geenszins het gedrag van verdachte rechtvaardigt.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op een verdachte betreffende uittreksel uit het justitieel documentatieregister waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor een dergelijk feit is veroordeeld.

De rechtbank heeft bij haar oordeel voorts betrokken de inhoud van het hiervoor onder 5.2 vermelde psychiatrisch rapport. Hierin wordt vermeld dat verdachte een traumatische jeugd heeft gehad, gekenmerkt door verwaarlozing. Er is sprake van een gebrekkige persoonlijkheidsontwikkeling met voldoende kenmerken van een antisociale persoonlijkheid met onaangepast gedrag, impulsiviteit, middelenmisbruik en roekeloosheid. Tevens zijn enige kenmerken van psychopathie aanwezig zoals een groot gevoel voor eigenwaarde, gebrekkige beheersing van gedrag en gedragsproblemen op jeugdige leeftijd. Na het overlijden van zijn partner is verdachte de controle over zichzelf kwijtgeraakt. Er was sprake van een heftige rouwreactie, met depressieve gevoelens en suïcidale gedachtes, slecht slapen en gewichtsverlies. Door beperkte copingsvaardigheden is in die periode de woede op de verpleegkundige gefocust, hetgeen een obsessief karakter kreeg.

Het middelengebruik lijkt enigszins in remissie. Dit is door verdachte ter zitting bevestigd.

Het recidiverisico wordt matig tot hoog ingeschat. Vermindering van sociale stressfactoren, en middelengebruik en verbetering van sociaalmaatschappelijke factoren kan de recidivekans verkleinen. Een outreachende behandeling met een bij verdachte’s karakter passende informele bejegening, bijvoorbeeld in de vorm van ACT, onder andere geboden door Altrecht GGZ (Kade 17) wordt geadviseerd.

De rechtbank heeft ook meegenomen in haar beoordeling een verdachte betreffend reclasseringsadvies d.d. 6 december 2012. In dit rapport wordt vermeld dat de door de psychiater vastgestelde persoonlijkheidsstoornis op meerdere leefgebieden tot uiting komt maar niet delict gerelateerd is. Er is weinig zicht op alcoholgebruik, dat door verdachte lijkt te worden gebagatelliseerd en in de onderhavige zaak drempelverlagend heeft gewerkt. Verdachte heeft zich tot op heden aan schorsingsvoorwaarden gehouden. Hij heeft inmiddels een lopend contact bij De Waag. Het recidiverisico wordt als hooggemiddeld ingeschat. Het risico op het zich onttrekken aan de voorwaarden wordt als hoog ingeschat omdat verdachte geen eigen woonruimte, geen inkomen en geen verzekering heeft. Er is risico op letselschade aanwezig voor specifieke persoon, namelijk aangever.

Geadviseerd wordt aan verdachte een meldingsgebod op te leggen, een behandelverplichting bij de Waag of soortgelijke ambulante zorginstelling en een behandelverplichting door forensische verslavingszorg.

Tot slot heeft de rechtbank bij haar oordeel betrokken dat verdachte zich tot op heden aan de schorsingsvoorwaarden heeft gehouden en ter zitting spijt heeft betuigd over hetgeen hij het slachtoffer heeft aangedaan.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, acht de rechtbank de eis van de officier van justitie passend en geboden. Dit houdt in dat aan verdachte een werkstraf zal worden opgelegd van 200 uur subsidiair 100 dagen hechtenis. Daarnaast zal een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden worden opgelegd waaraan bijzondere voorwaarden zullen worden verbonden.

De rechtbank acht het van belang dat verdachte een meldingsgebod krijgt opgelegd en dat hij de ambulante behandeling voortzet. Aan de algemene en bijzondere voorwaarden zal de rechtbank een proeftijd verbinden van drie jaar. De rechtbank acht het ook van belang dat het locatieverbod wordt ondersteund met een gps-enkelband gedurende de eerste 6 maanden van de proeftijd.

Om het ingezette traject te ondersteunen zal de rechtbank het – geschorste – bevel voorlopige hechtenis niet eerder opheffen dan met ingang van het moment dat het vonnis onherroepelijk is geworden.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij vordert een schadevergoeding van € 2.642,09, waarvan € 2.000,- immateriële schade voor de feiten 1 en 3.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van deze bewezen verklaarde feiten en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt zodat de vordering zal worden toegewezen.

Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop de feiten werd gepleegd

Met betrekking tot de toegekende vordering van de benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 33, 33a, 36f, 57, 266, 267, 285 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 54 van de Wet wapens en munitie zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

feit 2:

Handelen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

feit 3:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

feit 4:

Eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

Ten aanzien van feit 1, 3 en 4:

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van twee maanden, voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar;

- bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat de verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich binnen vijf werkdagen na de betekening van het vonnis tijdens kantooruren moet melden bij de Reclassering Nederland op het adres Vivaldiplantsoen 200 te Utrecht en zich hierna moet blijven melden zo vaak en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Reclassering Nederland;

* dat verdachte zich ambulant zal laten behandelen door het ACT team van Altrecht (Kade 17) en De Waag of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering waarbij de verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven, ook als dit inhoudt het volgen van een agressieregulatiebehandeling;

* dat verdachte geen contact opneemt met medewerkers van het UMC in het algemeen en het slachtoffer [benadeelde] in het bijzonder;

* dat verdachte zich niet begeeft op de Uithof te Utrecht, wat ligt in het gebied tussen de A28-A27-N411 en de oostelijke gemeentegrens van Zeist;

* dat het locatieverbod de eerste 6 maanden van de proeftijd zal worden gecontroleerd door middel van een gps-enkelband;

- geeft de reclassering opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 200 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 100 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de uitvoering van de werkstraf naar rato van twee uur per dag;

Ten aanzien van feit 2:

- veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete van € 150 ,=;

- beveelt dat bij niet betaling van de geldboete, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 3 dagen;

De rechtbank heft het – geschorste – bevel voorlopige hechtenis op met ingang van het tijdstip waarop dit vonnis onherroepelijk wordt.

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde] van € 2.642,09, waarvan € 642,09 ter zake van materiële schade en € 2.000,- ter zake van immateriële schade, en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 11 juni 2012 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde], € 2.642,09 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 36 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Dit vonnis is gewezen door mr. G. Perrick, voorzitter, mr. S. Wijna en mr. R.S.B. Kool, rechters, in tegenwoordigheid van drs. M.G.M. van Rijnstra, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 3 januari 2013.

Mr. Kool is niet in de gelegenheid dit vonnis mee te ondertekenen.