Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:8027

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
03-10-2013
Datum publicatie
22-06-2016
Zaaknummer
C/16/352186 / KL ZA 13-342
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De vrouw vordert in kort geding afgifte kind nadat de man haar na een omgangsweekend niet heeft teruggebracht naar de vrouw. Man voert verweer. Volgens hem hebben partijen afgesproken dat het kind bij hem en zijn ouders zal wonen. De Raad heeft zorgen over de opvoedingssituatie bij beide ouders. Ter zitting wordt een ondertoezichtstelling verzocht. Volgens de Raad is de huidige plek van het kind bij de man en zijn ouders een goede plek. Het contact met de vrouw moet zo snel mogelijk worden opgestart. De voorzieningenrechter spreekt de ondertoezichtstelling uit en wijst de vorderingen van de vrouw af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling civielrecht

Zittingsplaats Lelystad

zaaknummer / rolnummer: C/16/352186 / KL ZA 13-342

Vonnis in kort geding van 3 oktober 2013

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. V.G.J. van Veenendaal-Stolk te Almere,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. W.F. Wienen te Almere.

Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de pleitnota van man.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De man en de vrouw hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.

2.2.

Uit deze relatie is het navolgende, thans nog minderjarige kind geboren:

[naam minderjarige] , geboren op [2012] in de gemeente [geboorteplaats] .

2.3.

De man en de vrouw zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag.

2.4.

De voorzieningenrechter heeft bij beschikking d.d. 19 september 2013 (geregistreerd onder nummer 352964/JL RK 13-751) de minderjarige onder toezicht gesteld van Bureau Jeugdzorg Flevoland voor de duur van een jaar.

3 Het geschil

3.1.

De vrouw vordert samengevat – te bepalen dat:

1. primair:

- de man de minderjarige [naam minderjarige] onmiddellijk afgeeft aan de vrouw;

- de man een dwangsom verbeurt van € 500,00 voor iedere dag dat hij hiermee in gebreke blijft;

- een zorgregeling wordt vastgesteld tussen de man en de minderjarige van telkens één weekend per veertien dagen in de oneven weken van vrijdagmiddag 16:30 uur tot zondag 18:00 uur, waarbij de overdracht zal plaatsvinden op het centraal station van Almere, op straffe van een dwangsom van € 500,00 indien de man de minderjarige niet terugbrengt naar de vrouw;

2. subsidiair:

- de man zijn medewerking verleent aan een voorlopige zorgregeling waarbij de minderjarige afwisselend een week bij de vrouw en bij de man verblijft en het wisselmoment zondagavond 18:00 uur bij het centraal station van Almere zal zijn;

3. meer subsidiair:

- de man zijn medewerking verleent aan een door de voorzieningenrechter vast te stellen zorgregeling;

4. de man wordt veroordeeld in de kosten van deze procedure.

3.2.

De man heeft ter zitting verweer gevoerd.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Ter onderbouwing van haar vorderingen heeft de vrouw aangevoerd dat de man na het verbreken van de relatie de woning heeft verlaten en [naam minderjarige] bij haar heeft achtergelaten. De man heeft [naam minderjarige] na een omgangsweekend op maandagavond

2 september 2013 niet teruggebracht naar de vrouw. De man maakt door zijn handelen een grote inbreuk op het vertrouwen van de vrouw. Het is niet in het belang van [naam minderjarige] , gezien haar zeer jonge leeftijd, dat zij bij de vrouw wordt weggehouden. Ook wordt zij op deze wijze gescheiden van haar oudere broertje. Verder heeft de vrouw naar voren gebracht dat zij vrijwillig hulp heeft gezocht in verband met het problematische eetgedrag van haar oudste kind. Uit de concept-verslagen van Vitree komt naar voren dat de vrouw goed meewerkt met de hulpverlening en zij vooruitgang laat zien. Volgens de vrouw is de huidige verblijfplaats van [naam minderjarige] niet in haar belang. De man beschikt, zo stelt de vrouw, niet over opvoedingsvaardigheden. Daarnaast verwacht de vrouw geen constructieve opstelling van grootouders vaderszijde ten aanzien van een omgangsregeling.

4.2.

De man heeft zich tegen de vordering verweerd. Hij stelt dat partijen hebben afgesproken dat [naam minderjarige] bij hem en zijn ouders zou wonen. De man heeft zorgen over de veiligheid van [naam minderjarige] bij de vrouw in verband met de psychische gesteldheid en het gedrag van de vrouw. Volgens de man is de ingeschakelde hulpverlening niet voldoende om de veiligheid van de minderjarige te waarborgen.

4.3.

De Raad voor de Kinderbescherming, nader te noemen de Raad, heeft ter zitting zorgen geuit over de opvoedingssituatie bij beide ouders. Sinds mei 2013 is hulpverlening in de thuissituatie bij de vrouw vanuit Vitree ingezet.

Uit informatie van Vitree blijkt dat de vrouw zich meewerkend opstelt maar de hulp niet lijkt te beklijven. De man lijkt zich aan de hulpverlening te onttrekken. Zowel de man, als de vader van het oudste kind van de vrouw, hebben zorgen geuit over de psychische gesteldheid en het gedrag van de vrouw. De Raad vindt dit zorgelijk en acht verder onderzoek noodzakelijk. Ook zijn in de afgelopen week een aantal zorgmeldingen vanuit school en de kinderarts gedaan over het oudste kind van de vrouw. De inschatting van de Raad is dat de vrouw thans niet in staat is om twee kinderen op te voeden. De Raad heeft ter zitting verzocht [naam minderjarige] onder toezicht te stellen van Bureau Jeugdzorg Flevoland omdat hulpverlening in het vrijwillig kader bij de vrouw niet toereikend is gebleken en de man niet openstaat voor hulpverlening.

De man en de vrouw verzetten zich niet tegen het verzoek van de Raad om de minderjarige [naam minderjarige] onder toezicht te stellen van Bureau Jeugdzorg Flevoland.

Tevens heeft de Raad ter zitting toegelicht dat [naam minderjarige] op dit moment bij vader en grootouders vaderszijde woont. De Raad is van mening dat dit voorlopig een goede plek is, gelet op de verkregen informatie vanuit de hulpverlening. [naam minderjarige] heeft daar de meeste rust. Verder vindt de Raad het belangrijk dat de omgang tussen de vrouw en de minderjarige zo snel mogelijk wordt opgestart.

4.4.

De voorzieningenrechter overweegt het volgende.

4.5.

De voorzieningenrechter is van oordeel, gelet op hetgeen namens de Raad ter zitting naar voren is gebracht over de verblijfplaats van de minderjarige, dat de huidige situatie, waarbij [naam minderjarige] bij haar vader en grootouders vz verblijft, voorlopig gecontinueerd dient te worden. De Raad heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat in de opvoedingssituatie bij moeder, ondanks de inzet van hulpverlening, de veiligheid van [naam minderjarige] onvoldoende gewaarborgd kan worden. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal de voorzieningenrechter de vordering van de vrouw tot afgifte van [naam minderjarige] afwijzen.

4.6.

Nu een ondertoezichtstelling is uitgesproken, ligt het op de weg van de gezinsvoogd om een omgangsregeling tussen de vrouw en de minderjarige vast te stellen. Gelet hierop zal de voorzieningenrechter de vorderingen van de vrouw ter zake van het vaststellen van een omgangsregeling afwijzen. Wel hecht de voorzieningenrechter eraan op te merken dat de omgang tussen de vrouw en [naam minderjarige] zo snel mogelijk opgestart dient te worden. De voorzieningenrechter verwijst in dat kader op hetgeen daarover in de beschikking ondertoezichtstelling is opgenomen.

4.7.

Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst de vorderingen van de vrouw af.

5.2.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.F. van Aalst en in het openbaar uitgesproken op 3 oktober 2013.