Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:8026

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
14-10-2013
Datum publicatie
19-02-2016
Zaaknummer
16/659311-13 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft op 4 september 2012 een valse aangifte gedaan van diefstal met geweld.

De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij het politieapparaat onnodig in werking heeft gezet door het doen van een valse aangifte. Door het handelen van verdachte zijn er geld, middelen en mensen verspeeld. Bovendien is door de media-aandacht de politie Gooi & Vechtstreek, maar ook de politie in het algemeen ten onrechte in diskrediet gebracht en is daarmee het vertrouwen van de burger in de politie schade toegebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2016/109

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 16/659311-13 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 14 oktober 2013

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1988] te [geboorteplaats] ,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

althans verblijvende te [woonplaats] , [adres] .

1 HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het onderzoek heeft plaatsgevonden ter openbare terechtzitting van 30 september 2013 te Lelystad, waarbij de verdachte niet is verschenen. De rechtbank heeft vastgesteld dat er een rechtsgeldige betekening heeft plaatsgevonden en heeft tegen de verdachte verstek bevolen.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. E.M. van der Burg.

2 DE TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 4 september 2012 in de gemeente Hilversum, althans in het arrondissement Midden-Nederland, aangifte heeft gedaan dat een strafbaar feit was gepleegd, wetende dat dat feit niet was gepleegd, immers heeft verdachte toen aldaar ten overstaan van [verbalisant] , zijnde inspecteur van politie Gooi en Vechtstreek, opzettelijk in strijd met de waarheid aangifte gedaan van gekwalificeerde diefstal (diefstal met geweld).

3 DE VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

Inleiding

Op 3 september 2012 staat in de Gooi- en Eemlander krant een bericht over een jongen die bij de politie Hilversum aangifte had willen doen van een straatroof, maar door de politie was weggestuurd en op zijn sokken naar zijn huis in Bussum was gelopen. Het bericht wordt overgenomen in de landelijke pers en uiteindelijk worden zelfs kamervragen gesteld over het uitgaansgeweld in Hilversum. De politie roept het slachtoffer op zich te melden. Verdachte meldt zich een dag later, op 4 september 2012, en doet ten overstaan van inspecteur [verbalisant] aangifte van een straatroof, waarbij het volgende zou hebben plaatsgevonden:

Verdachte reed in de nacht van 1 september 2012 op zijn fiets van Hilversum naar Bussum. Hij werd van zijn fiets afgetrapt door twee Marokkaanse jongens en kwam ten val in de berm. Er kwamen nog drie Marokkaanse jongens bij en onder bedreiging van een mes werd hij bestolen van zijn telefoon, schoenen, portemonnee en fiets. Hij had letsel opgelopen doordat hij was geprikt en gesneden met een mes. Door het snijden met het mes, is zijn jas en t-shirt gescheurd. Hij is op zijn sokken naar het politiebureau in Hilversum gelopen, werd door de politie niet geholpen en is vervolgens op zijn sokken naar huis in Bussum gelopen. Volgens verdachte waren hierdoor zijn sokken kapot en was hij gewond geraakt aan zijn voeten door splinters.

Later, bij het verhoor van [A] , de vriendin van verdachte, blijkt dat zij boos was dat haar vriend niet door de politie was geholpen en dat zij vervolgens een boze brief naar de krant had gestuurd, welke brief de aanleiding was voor het bedoelde bericht in de krant.

Er rezen twijfels over de juistheid van de aangifte en nader onderzoek werd ingesteld.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een valse aangifte heeft gedaan. Zij heeft ten aanzien van het bewijs gewezen op het feit dat er niets bekend is bij de politie over iemand die aangifte heeft willen doen in de nacht van 1 september 2013. Voorts is er sporenonderzoek gedaan. De onderzoeksresultaten ondersteunen de verklaring van verdachte niet. Bovendien bleek op een bepaald moment contact met verdachte niet meer mogelijk en heeft verdachte zelf ook geen contact meer opgenomen.

Het oordeel van de rechtbank 1

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het doen van een valse aangifte. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

De politie heeft nader onderzoek ingesteld en daaruit komt naar voren dat er in de politiesystemen geen melding of mutatie te vinden is, die de verklaring van verdachte ondersteunt dat hij in de nacht van 1 september 2013 op het politiebureau in Hilversum is geweest en een politieagent heeft gesproken. Navraag bij de in die nacht dienstdoende agenten leverde ook geen herkenning op.2

Op 4 september 2012 (een paar dagen nadat het incident zou hebben plaatsgevonden) is verdachte medisch onderzocht. Een GGD-arts heeft geconstateerd dat verdachte geen verwondingen aan zijn voeten heeft en slechts oppervlakkige wondjes op zijn bovenlichaam.3

Deze constatering strookt niet met de verklaring van verdachte dat hij verschillende malen met een mes is gesneden in zijn borst, linkerzijde en in zijn been.

Voorts strookt de constatering niet met de verklaring van verdachte dat hij als gevolg van de lange wandeling op zijn sokken splinters in zijn voeten had.4

De letselfoto’s van verdachte zijn vervolgens naar het NFI verzonden. De conclusie van het NFI luidt dat de sporen niet passen bij de verklaring van verdachte. Het is waarschijnlijker dat de aangetroffen verwondingen onder de hypothese van bij zichzelf aangebracht letsel vallen dan onder de hypothese van opzettelijk door anderen toegebracht letsel.5

Voorts is de kleding van verdachte door de forensische opsporing onderzocht. Er waren geen scherpe insnijdingen zoals bij het steken met een mes te zien. Er zijn ook geen vlekken op de jas van verdachte aangetroffen, die wijzen op een val van verdachte van zijn fiets in de berm.6

Op 4 september 2012 werd de vriendin van verdachte, [A] , gehoord die heeft verklaard dat zij ook twijfels had bij het verhaal van verdachte. Verdachte reageerde namelijk boos op het artikel in de krant. Voorts had hij gezegd dat hij twee uur op het politiebureau was geweest en wel aangifte had gedaan. Hij kon echter geen papieren kopie van de aangifte laten zien. Bovendien vond ze het vreemd dat de politie pas na twee uur uiteindelijk iemand op straat zet en dat er veel tijd zat tussen het voorval (tussen 01.30 / 02.00 uur) en de thuiskomst van verdachte (05.30 / 06.30 uur);

Volgens haar kan een motief zijn geweest dat haar fiets is gestolen en dat verdachte dit met zijn verhaal wil verhullen of dat verdachte haar fiets heeft verkocht om aan geld te komen, omdat hij niet met geld om kan gaan.7

Tot slot heeft verdachte verklaard dat zijn telefoon is gestolen en dat hij het Imei-nummer aan de politie zou verstrekken. Verdachte reageerde echter niet meer op uitnodigingen van de politie en bleek ook niet langer op het door hem opgegeven adres te verblijven. De politie heeft vervolgens de historische gegevens van de gestolen telefoon opgevraagd en hieruit blijkt dat er voor en na de straatroof contact is geweest met dezelfde personen, waaronder met de vriendin van verdachte, hetgeen niet past bij de stelling van verdachte dat hij niet meer de beschikking zou hebben over de telefoon.8

De rechtbank acht op grond van bovengenoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 4 september 2012 een valse aangifte heeft gedaan zoals in de bewezenverklaring hieronder is beschreven.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat:

hij op 4 september 2012 in de gemeente Hilversum, aangifte heeft gedaan dat een strafbaar feit was gepleegd, wetende dat dat feit niet was gepleegd, immers heeft verdachte toen aldaar ten overstaan van [verbalisant] , zijnde inspecteur van politie Gooi en Vechtstreek, opzettelijk in strijd met de waarheid aangifte gedaan van gekwalificeerde diefstal (diefstal met geweld).

Van het meer of anders ten laste gelegde zal verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

6 KWALIFICATIE

Het bewezene levert op:

Aangifte doen dat een strafbaar feit gepleegd is, wetende dat het niet is gepleegd.

7 STRAFBAARHEID

Het feit en verdachte zijn strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

8 STRAFOPLEGGING

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het door haar bewezen geachte feit al worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, alsmede een werkstraf voor de duur van 150 uren subsidiair 75 dagen vervangende hechtenis.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

Verdachte heeft op 4 september 2012 een valse aangifte gedaan van diefstal met geweld.

De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij het politieapparaat onnodig in werking heeft gezet door het doen van een valse aangifte. Door het handelen van verdachte zijn er geld, middelen en mensen verspeeld. Bovendien is door de media-aandacht de politie Gooi & Vechtstreek, maar ook de politie in het algemeen ten onrechte in diskrediet gebracht en is daarmee het vertrouwen van de burger in de politie schade toegebracht.

De rechtbank houdt er rekening mee dat verdachte volgens het uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister zich niet eerder aan soortgelijke strafbare feiten schuldig heeft gemaakt.

Concluderend is de rechtbank van oordeel dat, gelet op het voorgaande, de door de officier van justitie geëiste straf passend en geboden is.

9 DE BENADEELDE PARTIJ

Voor aanvang van de terechtzitting heeft de politie Gooi & Vechtstreek – daartoe vertegenwoordigd door [B] – zich als benadeelde partij in dit geding gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van schade ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde feit. De hoogte van die schade wordt door de benadeelde partij begroot op een bedrag van € 9.568,--, zijnde 184 verspilde manuren.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft toewijzing van de vordering benadeelde partij gevorderd tot een bedrag van € 6.760,-- met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. Zij heeft daarbij aangegeven, dat volgens de jurisprudentie sinds eind 2011 de schade van de verspilde manuren bij de politie voor vergoeding in aanmerking komt. De officier van justitie heeft ten aanzien van het door de Politie Gooi & Vechtstreek gevorderde bedrag opgemerkt dat er zes diensten van 54 uren in mindering dienen te worden gebracht, nu deze kosten zien op het onderzoek dat werd gedaan naar de valse aangifte. Slechts de schade die is ontstaan naar aanleiding van het onderzoek, dat werd gedaan in de veronderstelling dat de aangifte van de diefstal met geweld juist was, komt voor vergoeding in aanmerking.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt, dat de kosten die verband houden met het gedane onderzoek op basis van een valse aangifte door de politie mogen worden verhaald op verdachte. De rechtbank verwijst hierbij naar een arrest van de civiele kamer van het Gerechtshof Amsterdam van 26 juli 2011 (LJN: BR3958),

De rechtbank overweegt dat het doen van valse aangifte van een strafbaar feit jegens de politie Gooi & Vechtstreek onrechtmatig en aan verdachte toerekenbaar is. Verdachte wist of had moeten weten dat de politie kosten zou maken in verband met het onderzoek naar de diefstal met geweld, zonder dat daarmee een belang was gediend dat de politie zich moest aantrekken. Dat is een schending van een ongeschreven zorgvuldigheidsnorm die mede strekt tot bescherming van het belang van de politie Gooi & Vechtstreek, zodat aan het relativiteitsvereiste, zoals vastgelegd in art. 6:163 BW, is voldaan. De rechtbank is van oordeel dat de schade die is geleden toen de politie Gooi & Vechtstreek in de veronderstelling verkeerde dat de melding en de aangifte van de gewapende overval juist waren, voor vergoeding in aanmerking komt. Dit opsporingsonderzoek is nodeloos verricht en kan voor rekening van de dader worden gebracht.

Er kan geen verhaal plaatsvinden van de kosten van de inzet van de politie Gooi & Vechtstreek naar aanleiding van het onderzoek naar de valse aangifte. In het wettelijk stelsel van strafrechtelijke handhaving ligt namelijk besloten dat de kosten van die handhaving niet kunnen worden verhaald op de plegers van strafbare feiten. Verhaal van kosten op de daders is niet mogelijk, hoezeer er ook sprake was van een onrechtmatige daad en politie en justitie opsporings- en vervolgingskosten hebben moeten maken. Vanaf dat moment behoort het opsporingsonderzoek in verband met die valse aangifte als strafbaar feit tot de gewone politietaak en moet dat onderzoek uit de algemene middelen worden betaald.

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat derhalve op de totale vordering van € 9.568,-- een bedrag van € 2.808,-- (zijnde zes diensten van in totaal 54 uur) in mindering dient te worden gebracht.

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij Gooi & Vechtstreek rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het bewezen verklaarde feit. De hoogte van die schade is genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 6.760,--, vermeerderd met de kosten die – tot op heden – worden begroot op nihil.

De vordering van de benadeelde partij dient voor het meerdere te worden afgewezen.

De verdachte is voor de schade, voor zover toegewezen, naar burgerlijk recht aansprakelijk.

De rechtbank zal verdachte niet verplichten de schade te betalen aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij politie Gooi & Vechtstreek, omdat de politie Gooi & Vechtstreek anders dan een burger, zelf de ontstane schade kan verhalen op de verdachte. De schadevergoedingsmaatregel zal derhalve niet worden opgelegd.

10 TOEPASSELIJKHEID WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 188 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

- verklaart het bewezen verklaarde feit strafbaar;

- verklaart verdachte strafbaar;

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand;

- bepaalt dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond van het feit dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

- stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- legt aan verdachte op een werkstraf voor de duur van 150 uren;

- beveelt dat voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet of niet naar behoren verricht de werkstraf wordt vervangen door 75 dagen hechtenis, althans een aantal dagen hechtenis dat evenredig is aan het niet verrichte aantal uren werkstraf;

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij Gooi & Vechtstreek, domicilie kiezende te Hilversum van een bedrag van € 6.760,-- (zegge: zevenenzestighonderdzestig euro), vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag waarop het thans bewezen verklaarde feit jegens de benadeelde partij werd gepleegd, te weten 4 september 2012, tot die van de voldoening;

- veroordeelt de verdachte voorts in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

- wijst de vordering van de benadeelde partij politie Gooi & Vechtstreek voor wat betreft het meer gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.G. van de Streek, voorzitter mrs. M. Iedema en H. Vegter, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. van Veen-Looy, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 oktober 2013.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer PL1406 2012040520, doorgenummerd 1 tot en met 48.

2 Pagina 29.

3 Pagina’s 19, 20 en 21.

4 Pagina 33.

5 Pagina 48.

6 Pagina 13.

7 Pagina’s 22 en 23.

8 Pagina’s 31 en 32.