Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:8006

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
31-12-2013
Datum publicatie
28-01-2015
Zaaknummer
16-659809-13
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft onder invloed van een psychose met een bijl op een auto, met daarin twee inzittenden, ingehakt. Ontslag van alle rechtsvervolging. Plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van maximaal 1 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht
Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/659809-13

Vonnis van de meervoudige kamer van 31 december 2013

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1964] te [geboorteplaats],

thans verblijvende in PPC Amsterdam te Amsterdam

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 17 december 2013. Verdachte is verschenen met zijn raadsman mr. B. Snoeij, advocaat te Amsterdam.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat de verdachte en zijn raadsman naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1:

op 9 september 2013 heeft geprobeerd [slachtoffer 1] van het leven te beroven, dan wel zwaar te mishandelen;

Feit 2:

Primair: op 9 september 2013 heeft geprobeerd [slachtoffer 2] van het leven te beroven, dan wel zwaar te mishandelen;

Subsidiair: op 9 september 2013 [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht.

3 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 en 2, primair, ten laste gelegde feiten heeft begaan en baseert zich daarbij op zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de feitelijke handelingen die verdachte gepleegd heeft, gekwalificeerd dienen te worden als pogingen tot zware mishandeling en derhalve is de verdediging van mening dat verdachte moet worden vrijgesproken van de impliciet ten laste gelegde pogingen tot doodslag.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

Bewijsmiddelen

Aangever [slachtoffer 1] heeft bij de politie verklaard dat hij zich op 9 september 2013 in Zeist bevond. Samen met [slachtoffer 2] (hierna [slachtoffer 2]) liep aangever van de woning van [slachtoffer 2] naar de auto van aangever. Op het moment dat aangever in zijn auto stapte aan de bestuurszijde van de auto, zag hij een man met een bijl het portiek uit komen. Aangever zag dat de man met de bijl op de auto af kwam gelopen. [slachtoffer 2] zat op dat moment al naast aangever op de bijrijdersstoel. Aangever zag dat de man doorliep in de richting van zijn auto. Vervolgens zag aangever dat de man de bijl hoog in de lucht had geheven en deze met kracht op zijn voorruit sloeg. Aangever zag dat de man nogmaals uithaalde met de bijl. Ditmaal stond de man bij het portier van de zitting achter aangever, maar hij zag dat de man uithaalde richting de ruit van de bestuurderszijde. Hierdoor kwam de bijl door de ruit van het bestuurdersportier vlak naast aangever naar binnen. Hij hoorde de klap en zag direct daarna het blad van de bijl vlak naast zijn hoofd, op ongeveer twintig centimeter van zijn gezicht af. De slag van deze klap werd eigenlijk gebroken door de portiersstijl. De man heeft ongeveer 5 à 6 keer uitgehaald met de bijl op de auto van aangever.1

[slachtoffer 2] heeft het dit verhaal als getuige bevestigd2 en hij heeft op zijn beurt aangifte gedaan tegen verdachte.3

De verbalisant die ter plaatse is gekomen, sprak met beide aangevers en hoorde [slachtoffer 2] verklaren dat de man met de bijl woonachtig is in de woning onder zijn woning, nummer 35. [slachtoffer 2] heeft verder aan hem verklaard dat het een blanke man betreft met een snor, kalend bovenop zijn hoofd, ongeveer 1.80 m lang en een ietwat gezet postuur. Vervolgens kwam de heer [A] naar de verbalisant toe, die vervolgens aan hem verklaarde dat verdachte boven in de woning was. [A] heeft verder verklaard dat hij de bijl van verdachte heeft afgepakt en in zijn woning heeft gelegd. De bijl is vervolgens door de verbalisant uit deze woning gehaald.4 Verdachte wordt vervolgens aangetroffen in de woning op nummer 37.5

4.3.2

Bewijsoverweging

De rechtbank is van oordeel dat verdachte de onder 1 en 2 primair ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. De rechtbank is verder van oordeel dat dit twee pogingen tot doodslag oplevert. De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich aan de aanmerkelijke kans heeft blootgesteld dat hij de slachtoffers dodelijk zou verwonden door met een bijl in de richting van hun hoofd te hakken. Het is een feit van algemene bekendheid dat het hakken met een bijl in iemands hoofd dodelijke verwondingen van die persoon tot gevolg kan hebben. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman, dat het hier zou gaan om pogingen tot zware mishandelingen gelet op de bescherming die de auto gaf waarin beide slachtoffers zich bevonden, nu de bijl door de ramen van de auto is gekomen en verdachte niet alleen op de metalen delen van de auto heeft ingehakt.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de onder 4. vervatte bewijsmiddelen bewezen dat

1

hij op 9 september 2013 te Zeist ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet meermalen, met een bijl op de voorruit en de ruit aan de bestuurderszijde van een auto (waarin voornoemde [slachtoffer 1] aan bestuurderskant zat) en in de richting van die [slachtoffer 1] heeft geslagen en heeft ingehakt (waarbij voornoemde bijl door de ruit van het bestuurdersportier naar binnen kwam) zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

2.

Primair

hij op 9 september 2013 te Zeist ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet meermalen, met een bijl op de voorruit en de ruit aan de bestuurderszijde van een auto (waarin voornoemde [slachtoffer 2] aan passagierskant zat) heeft geslagen en heeft ingehakt, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezen verklaarde levert de navolgende strafbare feiten op:

feit 1, feit 2 primair:

telkens poging tot doodslag;

7 De strafbaarheid van verdachte

7.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden verklaard.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte als volledig ontoerekeningsvatbaar dient te worden beschouwd.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft kennis genomen van het psychologisch onderzoek pro justitia van drs. M.H. Enklaar d.d. 5 december 2013, psycholoog. In dit rapport wordt onder meer het volgende geconstateerd.

Verdachte is lijdende aan een ziekelijke stoornis van de geestesvermogens in de zin van een psychotische stoornis Niet Anderszins Omschreven. Van de aanwezigheid van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens is niet gebleken. Ook tijdens het ten laste gelegde was verdachte lijdende aan bovengenoemde psychotische stoornis. Verdachte zijn realiteitsbesef was ernstig verstoord vanuit zijn floride psychotische toestand. Zijn buurman is vermoedelijk onderdeel gaan uitmaken van zijn waanovertuiging. Ook verdachte zijn cognitieve functies waren verstoord. Hij was verward en had geen controle meer over zijn denken en handelen. Het denken en handelen werden volledig bepaald door zijn psychotische toestand. Geadviseerd wordt om verdachte om die reden te beschouwen als ontoerekeningsvatbaar.

De rechtbank heeft daarnaast kennis genomen van het psychiatrisch onderzoek pro justitia van drs. P. de Mon d.d. 12 december 2013, psychiater. In dit rapport wordt onder meer het volgende geconstateerd.

Bij verdachte is sprake van een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens in de zin van een psychotische stoornis, waarschijnlijk in het kader van een organisch psychosyndroom dan wel in het kader van laat ontstane schizofrenie van het paranoïde type, een schizo-affectieve stoornis, depressief type, of een depressieve stoornis, recidiverend, met psychotische kenmerken. Mogelijk dat er ook sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogen in de zin van zwakbegaafdheid. De ziekelijke stoornis van de geestvermogens was aanwezig ten tijde van het tenlastegelegde. Verdachte zijn realiteitsbesef was ernstig verstoord vanuit zijn floride psychotische toestand. Hij was verward en had geen controle meer over zijn denken en handelen. Verdachte werd ten tijde van het tenlastegelegde, indien bewezen, volledig in beslag genomen door zijn psychotische belevingen en overtuigingen. Hij was er van overtuigd dat hij achterna gezeten werd door zijn buurman en had last van auditieve hallucinaties. Vanwege het psychotische toestandsbeeld was de frustratietolerantie en de impulscontrole sterk aangetast waardoor verdachte geen grip had op zijn (agressieve) impulsen, en hij niet in staat was de consequenties van zijn handelen en gedrag te overzien. Verdachte zou dan ook met betrekking tot het tenlastegelegde, indien bewezen, als volledig ontoerekeningsvatbaar kunnen worden beschouwd.

De rechtbank neemt de conclusies van de deskundigen, die met elkaar overeenstemmen, over wat betreft de ontoerekeningsvatbaarheid en is van oordeel dat verdachte niet strafbaar is voor datgene wat hem is ten laste gelegd. Verdachte zal dan ook worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

8 De strafoplegging

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft, op grond van voornoemde rapporten van de deskundigen, gevorderd verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging en hem de maatregel van plaatsing in een pschiatrisch ziekenhuis gedurende maximaal één jaar op te leggen.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is het eens met de eis van de officier van justitie.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

De rechtbank stelt vast dat verdachte onder invloed van een psychose met een bijl op een auto, met daarin twee inzittenden, heeft ingehakt. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring blijkt dat dit een enorme impact heeft gehad op het leven van een van de slachtoffers, die daarvan nog steeds hinder ondervindt. Deze op zichzelf strafbare feiten kunnen hem niet worden toegerekend, maar de maatschappij moet natuurlijk wel tegen verdachte worden beschermd.

De rechtbank overweegt dat uit de onder 7.3. genoemde rapportages van de psycholoog en psychiater blijkt dat het, om het risico op toekomstig gevaar voor anderen en voor verdachte zelf te verlagen, noodzakelijk is dat hij behandeld wordt voor zijn psychotische stoornis. Na een (korte) klinische start, wordt het met name van belang geacht dat verdachte goed begeleid wordt in zijn medicatiegebruik en dat er voldoende zicht blijft op zijn inhoudelijk denken en zijn belevingen. Aangezien verdachte het lastig vindt zich open te stellen voor gesprekscontacten, kan ook gedacht worden aan alternatieve therapievormen zoals creatieve therapie of motorische therapie waarin hij zich op een andere manier kan uiten. Geadviseerd wordt om verdachte te plaatsen in een psychiatrisch ziekenhuis voor de maximale duur van een jaar. Na een (korte) klinische start kan verdachte verder ambulant begeleid worden onder de voorwaarden van de kliniek. Verwacht wordt dat deze maatregel voldoende is om een nieuwe psychotische episode van verdachte te voorkomen en daarmee de kans op recidive aanzienlijk te verminderen. Ook blijkt uit het reclasseringsrapport van C.P.M. Cruijen van 12 december 2013 dat de reclassering zich aansluit bij de adviezen van de deskundigen. Ter zitting heeft verdachte eveneens aangegeven het eens te zijn met de voorgestelde maatregel.

Gelet op de ernst van het door verdachte gepleegde feit, rekening houdend met het feit dat hij ontoerekeningsvatbaar moet worden beschouwd en vaststellend dat verdachte gevaarlijk is voor de algemene veiligheid van personen en goederen, is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde en door de deskundigen geadviseerde maatregel noodzakelijk is. De rechtbank zal daarom gelasten dat verdachte wordt geplaatst in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van maximaal één jaar.

9 De benadeelde partijen

Feit 1

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering.

De benadeelde partij vordert in totaal een bedrag van € 17.037,33, bestaande uit € 13.037,33 aan materiële schade en € 4.000,00 euro aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De officier van justitie heeft toewijzing gevorderd van de vordering van de benadeelde partij voor het deel van € 1.815,00 (herstel auto), € 22,50 (kosten in verband met aanvraag bijstand zelfstandige), € 282,08 (eigen risico psycholoog), € 129,00 (eigen bijdrage advocaat) vermeerderd met de wettelijke rente en met daarbij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De officier van justitie heeft verder gevorderd de gevorderde kosten ten aanzien van de reis- en telefoonkosten en het verlies aan verdienvermogen te matigen. De vordering zou volgens de officier van justitie niet-ontvankelijk moeten worden verklaard voor zover deze ziet op de kapotte kleding en de factuur van het administratiekantoor, nu de vordering op deze onderdelen onvoldoende is onderbouwd.

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij moet worden afgewezen gelet op de volledige ontoerekeningsvatbaarheid van verdachte. Subsidiair sluit de raadsman zich aan bij het standpunt van de officier van justitie op dit punt.

De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. De omstandigheid dat verdachte ontoerekeningsvatbaar was, staat op grond van het bepaalde in artikel 6:165 BW aan toerekening niet in de weg. De rechtbank zal de gevorderde schadevergoeding met betrekking tot de kosten van het herstel van de auto, de kosten in verband met aanvraag bijstand zelfstandige, de kosten eigen risico psycholoog en de eigen bijdrage advocaat toewijzen overeenkomstig de vordering, omdat deze voldoende zijn onderbouwd en niet zijn weersproken. De gevorderde schade ten aanzien van de reis- en telefoonkosten en het verlies aan verdienvermogen zal de rechtbank vaststellen op respectievelijk een bedrag van € 25,00 en € 2.799,00. Het bedrag aan smartengeld zal de rechtbank bepalen op een bedrag van

€ 750,00. De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen vanaf 9 september 2013. De rechtbank zal geen schadevergoedingsmaatregel opleggen nu een ontslag van alle rechtsvervolging geen veroordeling is in de zin van artikel 36f Wetboek van Strafrecht.

Het restant van de vordering, waaronder de vordering met betrekking tot de kapotte kleding, en de factuur van administratie, is onvoldoende onderbouwd en levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. Daarom is de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk. De benadeelde partij kan het bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De verdachte zal worden verwezen in de tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten, die worden vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Feit 2

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering.

De benadeelde partij vordert in totaal een bedrag van € 823,00, bestaande uit € 73,00 aan materiële schade en € 750,00 euro aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De officier van justitie heeft integrale toewijzing gevorderd van de vordering van de benadeelde partij, vermeerderd met de wettelijke rente en met daarbij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij moet worden afgewezen gelet op de volledig ontoerekeningsvatbaarheid van verdachte.

De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Ook hier geldt dat de onrechtmatige gedraging aan verdachte kan worden toegerekend op grond van artikel 6:165 BW. De rechtbank zal de gevorderde schade in zijn geheel toewijzen, omdat deze voldoende is onderbouwd en niet is weersproken. De rechtbank zal geen schadevergoedingsmaatregel opleggen nu een ontslag van alle rechtsvervolging geen veroordeling is in de zin van artikel 36f Wetboek van Strafrecht. De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen vanaf 9 september 2013.

De verdachte zal worden verwezen in de tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten, die worden vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 37, 39, 45, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten opleveren:

feit 1, feit 2 primair:

telkens poging tot doodslag;

- verklaart verdachte niet strafbaar voor het bewezen verklaarde en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging;

Maatregel

- gelast dat verdachte voor de termijn van maximaal één jaar in een psychiatrisch ziekenhuis zal worden geplaatst;

Benadeelde partij (ten aanzien van feit 1)

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van een bedrag van € 5.822,58, bestaande uit € 5072,58 aan materiële schade en € 750,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente, te berekenen vanaf 9 september 2013 tot aan de dag der algehele voldoening;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Benadeelde partij (ten aanzien van feit 2)

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van een bedrag van € 823,00, bestaande uit € 83,00 aan materiële schade en € 750,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente, te berekenen vanaf 9 september 2013 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.A. Bos, voorzitter, mrs. E.A. Messer en P.J.M. Mol, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. van der Meulen, griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 31 december 2013.

BIJLAGE : De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

1.

hij

op of omstreeks 09 september 2013 te Zeist, althans in het arrondissement

Midden-Nederland

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, althans zwaar te

mishandelen, met dat opzet meermalen, althans eenmaal, met een bijl op de

voorruit en/of de achterruit en/of de ruit aan de passagierszijde en/of de

ruit aan de bestuurderszijde van een auto (waarin voornoemde [slachtoffer 1] aan

bestuurderskant zat) en/of in de richting van die [slachtoffer 1] heeft geslagen

en/of heeft ingehakt (waarbij voornoemde bijl door de ruit van het

bestuurdersportier naar binnen kwam)

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

artikel 287/302 juncto 45 Wetboek van Strafrecht

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

Primair

hij

op of omstreeks 09 september 2013 te Zeist, althans in het arrondissement

Midden-Nederland

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven te beroven, althans zwaar te

mishandelen, met dat opzet meermalen, althans eenmaal, met een bijl op de

voorruit en/of de achterruit en/of de ruit aan de passagierszijde en/of de

ruit aan de bestuurderszijde van een auto (waarin voornoemde [slachtoffer 2] aan

passagierskant zat) heeft geslagen en/of heeft ingehakt

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

artikel 287/302 juncto 45 Wetboek van Strafrecht

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair

hij op of omstreeks 09 september 2013 te Zeist, althans in het arrondissement

Midden-Nederland, [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven

gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk

dreigend meermalen, althans eenmaal, met een bijl op de voorruit en/of de

achterruit en/of de ruit aande passagierszijde en/of de ruit aan de

bestuurderszijde van een auto (waarin voornoemde [slachtoffer 2] aan passagierskant

zat) geslagen en/of ingehakt;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

1 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1], opgenomen op pagina 16/17 van het proces-verbaal dossiernummer PL0920 2013202891, in de wettelijke vorm opgemaakt en doorgenummerd van 1 tot en met 82.

2 Proces-verbaal van getuige [slachtoffer 2], opgenomen op pagina 21/22 van het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal.

3 Proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffer 2], opgenomen op pagina 39 van het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal.

4 Proces-verbaal van bevindingen, opgenomen op pagina 24/25 van het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal.

5 Proces-verbaal van bevindingen, opgenomen op pagina 28 van het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal.