Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:8001

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
03-12-2013
Datum publicatie
28-01-2015
Zaaknummer
16-659767-13
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht
Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/659767-13

Vonnis van de meervoudige kamer van 3 december 2013

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1995] te [geboorteplaats]

wonende te ([plaats], [adres]

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 19 november 2013. Verdachte is verschenen met zijn raadsman mr. J.J.J.L. Maalsté, advocaat te Utrecht.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat de verdachte en zijn raadsman naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

in de periode van 1 januari 2013 tot en met 28 augustus 2013in cocaïne heeft gehandeld.

3 Voorvragen

3.1

De bevoegdheid van de rechtbank

Ten aanzien van het ten laste gelegde feit heeft de verdediging ter terechtzitting betoogd dat de rechtbank niet bevoegd is ten aanzien van de periode gelegen voor de achttiende verjaardag van verdachte, omdat hij op dat moment nog minderjarig was en derhalve voor de kinderrechter had moeten worden opgeroepen.

De rechtbank overweegt dat op zitting is gebleken dat de tenlastegelegde periode van 1 januari 2013 tot en met 27 februari 2013 betrekking heeft op de periode dat verdachte

nog minderjarig was. De officier van justitie heeft op zitting aangegeven niet te beogen om verdachte ten aanzien van die periode te vervolgen, gelet op de gevorderde vrijspraak (onder

andere) ten aanzien van dat gedeelte van de tenlastelegging. De rechtbank zal zich om die reden onbevoegd verklaren ten aanzien van dat deel van de tenlastelegging. Voor de overige periode acht de rechtbank zich bevoegd om over de zaak te oordelen.

3.1

De overige voorvragen

De rechtbank stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat de officier van justitie ontvankelijk is en dat er verder geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode van 5 augustus 2013 tot en met 28 augustus 2013 zowel cocaïne aanwezig heeft gehad als ook hierin heeft gehandeld en zij baseert zich daarbij op zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen. Voor de overige ten laste gelegde periode heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de volgende verweren gevoerd:

  • -

    zijn cliënt is onrechtmatig staande gehouden op het moment dat zijn cliënt het terrein van het tankstation op reed. Er was geen sprake van een redelijk vermoeden van schuld. Er waren slechts twee, niet geverifieerde, M-meldingen en zijn cliënt heeft geen antecedenten ten aanzien van de Opiumwet;

  • -

    de cautie is niet gegeven, hetgeen een onherstelbaar vormverzuim betreft;

  • -

    zijn cliënt is onrechtmatig aangehouden. Er was geen sprake van een redelijk vermoeden van schuld in de zin van artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht (Sr);

  • -

    het onderzoek aan de kleding is onrechtmatig aangezien er geen ernstige bezwaren waren. Zijn cliënt werd desondanks, na toestemming van de hulpofficier van justitie, onderworpen aan een lichamelijk onderzoek. De raadsman heeft van deze toestemming echter geen schriftelijk document teruggevonden in het dossier;

Gelet op de bovenstaande vormverzuimen heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de daaruit voortvloeiende bewijsmiddelen uitgesloten dienen te worden van het bewijs op grond van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering en ook gelet op de uitspraak van de Hoge Raad van 19 februari 2013, LJN BY5321. Dit geldt allereerst voor de aangetroffen cocaïne. Maar dit geldt eveneens voor het aangetroffen identiteitsbewijs van [getuige 1], de daaruit vloeiende verklaring van deze getuige en de twee aangetroffen Nokia telefoons en de verklaring van getuige [getuige 2] die daaruit voort is gekomen.

De raadsman heeft zich, gelet op het bovenstaande, primair op het standpunt gesteld dat er vervolgens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs over blijft en dat om die reden zijn cliënt dient te worden vrijgesproken. Subsidiair is de verdediging van mening dat enkel de periode tussen 24 augustus 2013 en 28 augustus 2013 bewezen kan worden.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

Bewijsmiddelen

Op 28 augustus 2013 werd verdachte in Nieuwegein aangehouden. Bij een fouillering aan zijn lichaam werden in zijn onderbroek 3 zakjes aangetroffen, met als inhoud 21 ponypacks.1

De 21 aangetroffen ponypacks bleken in totaal 7,92 gram crèmekleurig poeder te bevatten en hebben het SIN-nummer AAGI2279NL gekregen..2 Uit onderzoek blijkt dat het aangetroffen monster met SIN-nummer AAGI2279NL cocaïne bevat.3

Verbalisant [verbalisant] heeft op 28 augustus 2013 telefonisch contact gehad met getuige [getuige 1]. Deze getuige heeft verklaard dat hij wel eens cocaïne gebruikt en dat hij bij een persoon, die hij kent als ‘[bijnaam]’ cocaïne heeft gekocht. Hij had op dat moment geen geld en toen heeft deze getuige zijn identiteitsbewijs als ‘borg’ gegeven.4

Getuige [getuige 2] heeft op 7 oktober 2013 bij de politie verklaard dat hij ongeveer één keer per 2 à 3 weken drugs heeft gebruikt. Hij heeft ook verklaard dat hij zeker twintig keer cocaïne heeft gekocht van een Marokkaanse jongen, genaamd ‘[bijnaam]’.5 Tijdens een Fotobewijsconfrontatie (Foslo) heeft de getuige nummer 6 aangewezen als de door hem bedoelde persoon.6 De foto van verdachte stond op nummer 6.7

4.3.2

Bewijsoverweging

De rechtbank overweegt ten aanzien van de door de verdediging opgeworpen verweren, als volgt.

Staandehouding

De rechtbank overweegt dat er inderdaad kan worden gesproken van een staandehouding conform artikel 52 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) op het moment dat de verbalisanten verdachte aanspreken op het terrein van het tankstation. De rechtbank stelt vast dat er twee concrete en met name zeer specifieke M-meldingen waren. Zoals door de Hoge Raad meermalen is geoordeeld, kan de verdenking van overtreding van de Opiumwet kan worden aangenomen op basis van anoniem aan de politie verstrekte informatie. Gelet op de specifieke inhoud van deze M-meldingen was er, anders dan de verdediging voorstaat, op het moment van staandehouding sprake van een redelijk vermoeden van schuld in de zin van artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, zodat de staandehouding rechtmatig was.

Cautie

Vervolgens is aan verdachte geen cautie gegeven, zoals de raadsman heeft betoogd. Dit verweer behoeft geen verdere beoordeling, nu de rechtbank de verklaring van verdachte die daarop volgt niet voor het bewijs zal gebruiken.

Aanhouding

Zoals hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat er een redelijk vermoeden bestond van schuld. Verdachte is dan ook rechtmatig aangehouden. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van de raadsman.

Onderzoek aan het lichaam

Daarna is verdachte conform artikel 56 Sr aan zijn lichaam onderzocht. Verdachte gedroeg zich opvallend, hij was zenuwachtig en daarbij had hij een bobbel in zijn broek, die pastte bij de informatie uit de eerste M-melding, waarin staat dat verdachte de drugs in zijn ondergoed verbergt. Vervolgens werd een ID-kaart van een ander dan verdachte, aangetroffen in de tas van verdachte. Onder deze omstandigheden bestonden er naar het oordeel van de rechtbank ernstige bezwaren. De raadsman heeft aangevoerd dat hij van de toestemming van de (hulp)officier van justitie geen schriftelijk stuk heeft teruggevonden in het dossier. De rechtbank is echter van oordeel dat uit het proces-verbaal volgt dat de hulpofficier van justitie toestemming heeft gegeven. Uit artikel 56 Sr blijkt niet dat deze toestemming een op schrift gestelde machtiging dient te zijn.

Derhalve is het onderzoek aan het lichaam van verdachte rechtmatig gebeurd.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode van 28 februari 2013 tot en met 27 augustus 2013 cocaïne aanwezig heeft gehad en ook heeft verhandeld. De rechtbank baseert dat oordeel op het volgende, in onderling verband en samenhang bezien; het aantreffen van de cocaïne bij verdachte, het feit dat verdachte bij zijn aanhouding een ID-kaart van een afnemer bij zich draagt, die vervolgens bij de politie heeft verklaard dat hij cocaïne heeft afgenomen bij verdachte en als borg zijn ID-kaart aan hem heeft afgegeven. Daarbij betrekt de rechtbank ook de door afnemer [getuige 2] afgelegde verklaring over de frequentie van afnemen (een keer per 2 à 3 weken en in totaal ongeveer 20 keer) en acht om die reden de gehele periode, vanaf de 18e verjaardag tot aan de dag van aanhouding, bewezen.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de onder 4. vervatte bewijsmiddelen bewezen dat

hij op meerdere tijdstippen in de periode van 28 februari 2013 tot en met 28 augustus 2013 te Nieuwegein telkens opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd, en opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 7,92 gram, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezen verklaarde levert het navolgende strafbare feit op:

Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

7 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, waarvan 60 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met de bijzondere voorwaarden conform het advies van de reclassering in het rapport van 7 november 2013. Daarnaast heeft de officier van justitie een werkstraf gevorderd voor de duur van 40 uur, te vervangen door 20 dagen vervangende hechtenis.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van de strafmaat op het standpunt gesteld dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf dient te worden opgelegd gelijk aan het voorarrest. Daarnaast kan er naar de mening van de raadsman een gedeeltelijk voorwaardelijke werkstraf worden opgelegd, zodat in dat kader bijzondere voorwaarden kunnen worden opgelegd.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich gedurende een periode schuldig gemaakt aan het dealen van cocaïne en voorts heeft hij een hoeveelheid cocaïne in zijn bezit gehad. Verdachte is daarmee medeverantwoordelijk voor de nadelige effecten die het gebruik van verdovende middelen veroorzaakt. Daarbij is van belang dat cocaïne een stof is die sterk verslavend werkt en schadelijk is voor de gezondheid. Voorts is het een feit van algemene bekendheid dat verslaafden vaak vermogensdelicten plegen om in hun gebruik te kunnen voorzien. Verdachte heeft zich om al deze gevolgen niet bekommerd en slechts gehandeld uit winstbejag.

Wat de persoon van de verdachte betreft, heeft de rechtbank rekening gehouden met een hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 11 november 2013, waaruit volgt dat verdachte niet eerder is veroordeeld. Daarnaast heeft de rechtbank kennis genomen van het rapport van Reclassering Nederland van 7 november 2013, waarin wordt geadviseerd om als bijzondere voorwaarden op te leggen: een meldplicht en daarbij een intake gesprek en indien geïndiceerd onderzoek en behandeling bij De Waag of een soortgelijke ambulante forensische zorg. Verder adviseert Reclassering Nederland aan verdachte op te leggen andere voorwaarden het gedrag betreffende,- zoals voorwaarden die toeleiden naar het beschikken over een dagbesteding en een controleerbaar inkomen -, het verlenen van toestemming tot het raadplegen van referenten als De Waag, ouders, school en het UWV en het volgen van de CoVa-training indien de reclassering dat nodig acht. De rechtbank zal bovenstaande bij haar oordeel betrekken.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de eis van de officier van justitie passend en geboden is. De rechtbank acht weliswaar een langere periode bewezen dan de officier van justitie, echter slechts isgebleken van twee afnemers en verdachte heeft geen documentatie. De rechtbank zal aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen van 30 dagen met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. De rechtbank acht het een zeer zorgelijke situatie dat iemand die nog zo jong is en geen documentatie heeft, een dergelijk feit pleegt.Daarbij komt dat aannemelijk is worden dat verdachte hier ook nadat hij geschorst is uit de voorlopige hechtenis mee is verder gegaan. Alles overziende zal de rechtbank, naast bovengenoemde onvoorwaardelijke gevangenisstraf, 60 dagen voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen met een proeftijd van twee jaren en daaraan bijzondere voorwaarden verbinden overeenkomstig het bovengenoemde advies van Reclassering Nederland. Met de op te leggen voorwaardelijke straf wordt mede beoogd verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Tevens maakt dit de begeleiding door Reclassering Nederland mogelijk en daarnaast ambulante behandeling, waarvan verdachte ook ter zitting heeft toegelicht dat hij hieraan zal meewerken.

9 Beslag

9.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de in beslag genomen personenauto en het geldbedrag van € 122,00 verbeurd te verklaren. Het navigatiesysteem en de drie telefoons dienen naar de mening van de officier van justitie terug gegeven te worden aan de rechthebbende.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de auto (overigens met de kleding die zich daarin bevindt) moet worden geretourneerd aan verdachte omdat deze zijn eigendom betreft en ook gelet op de verhouding tussen het ten laste gelegde feit en de waarde van de auto. Ditzelfde standpunt heeft de raadsman ingenomen ten aanzien van het inbeslaggenomen geldbedrag. Het is onvoldoende duidelijk geworden dat dit handelsgeld betreft. De raadsman is verder van mening dat ook de mobiele telefoon van het merk Blackberry terug dient te worden gegeven aan de rechthebbende, gelet op het feit dat deze telefoon geen aangetoonde relatie heeft tot de verdenking. De twee telefoons van Nokia kunnen wel verbeurd verklaard worden.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de twee Nokia telefoons verbeurd verklaren. De rechtbank overweegt daartoe dat dit twee telefoons betreffen van het merk Nokia, waarvan bekend is dat deze vaak gebruikt worden bij het plegen van dit soort delicten en ook in onderhavig dossier blijkt dat verdachte zijn afnemer(s) daarmee heeft bereikt. De rechtbank overweegt dat zij de onder verdachte inbeslaggenomen auto niet verbeurd zal verklaren. Zij houdt er daarbij rekening mee dat verdachte door het verbeurdverklaren van de auto zwaar getroffen zou worden in zijn vermogen. Om die reden, en omdat het de eerste keer is dat wordt vastgesteld dat verdachte zich aan het dealen van drugs schuldig heeft gemaakt, zal de rechtbank de teruggave gelasten van de in beslag genomen auto. Verder is de rechtbank van oordeel dat ook het geldbedrag, het navigatiesysteem en de Blackberry bold terug kunnen naar verdachte.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 33, 33a en 57 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 10 van de Opiumwet.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing

Onbevoegdverklaring

- verklaart zich onbevoegd ten aanzien van de tenlastegelegde periode van 1 januari 2013 tot en met 27 februari 2013;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 90 dagen.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 60 dagen, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende voorwaarden houdt.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde

1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

en

3. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich binnen een werkdag volgend op de dag waarop het vonnis onherroepelijk is geworden voor 17.00 uur melden bij Reclassering Nederland, op het adres Vivaldiplantsoen 200 te (3533 JE) Utrecht. Hierna moet de veroordeelde zich gedurende door Reclassering Nederland bepaalde perioden blijven melden zo frequent als Reclassering Nederland gedurende deze perioden nodig acht;

- mee moet werken aan een intakegesprek en indien geïndiceerd, onderzoek en behandeling bij forensisch psychiatrische polikliniek De Waag of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van Reclassering Nederland, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

- mee moet werken aan de CoVa-training indien Reclassering Nederland dit nodig acht;

- mee moet werken aan toeleiding naar het beschikken over een dagbesteding en een controleerbaar inkomen;

- toestemming moet verlenen tot het raadplegen van referenten als De Waag, ouders, school en het UWV.

Geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Veroordeelt verdachte tot een werkstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, van 40 uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 20 dagen.

Beslag

- verklaart verbeurd de inbeslaggenomen Nokia telefoons;

- gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen personenauto, de Blackberry bold, het geldbedrag van € 120,00 en het navigatiesysteem (Tomtom);

Voorlopige hechtenis

Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.F. Haeck, voorzitter, mrs. R.P. den Otter en W. van Gelein Vitringa, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. van der Meulen, griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 december 2013.

Mr. W. van Gelein Vitringa is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE: De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari

2013 tot en met 28 augustus 2013 te Nieuwegein, althans in Nederland,

(telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of

vervoerd, en/of (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 7,92 gram

en/of een of meerdere gebruikershoeveelheden, in elk geval een hoeveelheid van

een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij

de Opiumwet behorende lijst I;

art 2 ahf/ond B Opiumwet

art 10 lid 4 Opiumwet

1 Proces-verbaal van bevindingen, opgenomen op pagina 26/27 van het proces-verbaal dossiernummer PL0960 2013193187, in de wettelijke vorm opgemaakt en doorgenummerd van 1 tot en met 130.

2 Rapport Opiumwet, opgenomen op pagina 44 van het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal.

3 Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, opgenomen op pagina 77 van het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal.

4 Proces-verbaal van bevindingen, opgenomen op pagina 20 van het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal.

5 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2], opgenomen op pagina 83/84 van het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal.

6 Proces-verbaal van tonen selectie bij sequentiële fotobewijsconfrontatie, opgenomen op pagina 86 van het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal.

7 Proces-verbaal van simultane fotobewijsconfrontatie (Foslo) met meerdere getuigen, opgenomen op pagina 88 van het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal.