Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:7931

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
10-09-2013
Datum publicatie
05-08-2014
Zaaknummer
UTR 12/4785
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2014/2115 met annotatie van Mr. L.E.C. Neve
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 12/4785

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 september 2013 in de zaak tussen

mr. [eiser], te [woonplaats], eiser

en

de Belastingdienst/Toeslagen, verweerder

(gemachtigde: E.N.M. Olijrhook).

Procesverloop

Bij besluit van 1 juni 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder de zorgtoeslag voor het berekeningsjaar 2008 herzien, vastgesteld op nihil en € 553,- aan uitgekeerde voorschotten teruggevorderd.

Bij besluit van 13 november 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 mei 2013. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

Op deze zaak is gelet op het overgangsrecht van deel C, artikel 1, van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht nog het recht van toepassing zoals dat gold tot en met 31 december 2012. Het in beroep bestreden besluit is namelijk bekendgemaakt vóór 1 januari 2013.

2.

De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. Eiser ontvangt sinds 2006 zorgtoeslag. Bij besluit van 11 december 2009 heeft verweerder het recht op zorgtoeslag voor het berekeningsjaar 2009 definitief vastgesteld op € 553,- bij een toetsingsinkomen van € 7.226,- negatief. Bij het primaire besluit heeft verweerder het besluit van 11 december 2009 herzien en eisers recht op zorgtoeslag voor 2009 op nihil gesteld en € 553,- teruggevorderd. Aanleiding voor deze herziening was dat de inspecteur inkomsten-belasting van de Belastingdienst (inspecteur) na het besluit van 11 december 2009 in de definitieve aanslag inkomstenbelasting 2008 het verzamelinkomen van eiser heeft vastgesteld op € 77.158,-

3.

Eiser betoogt dat in het bestreden besluit ten onrechte voorbij wordt gegaan aan de formele rechtskracht van het besluit van 11 december 2009, waarbij het recht op zorgtoeslag voor 2008 definitief is berekend. Hiertoe voert eiser aan dat hij in mei 2012 bezwaar heeft gemaakt tegen de door de inspecteur vastgestelde aanslag inkomstenbelasting voor 2008. Volgens eiser is er daardoor nog geen definitief verzamelinkomen vastgesteld en moet het in het besluit van 11 december 2009 vermelde toetsingsinkomen dan ook als uitgangspunt worden genomen. Eiser concludeert dat het bestreden besluit prematuur is genomen en daarnaast in strijd is met de beginselen van behoorlijk bestuur.

4.

Ingevolge artikel 20, tweede lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) herziet verweerder, indien na de toekenning van de tegemoetkoming blijkt dat over het berekeningsjaar een aanslag of een navorderingsaanslag inkomstenbelasting is of wordt vastgesteld en de tegemoetkoming tot een te hoog of te laag bedrag is toegekend, de tegemoetkoming met inachtneming van die vaststelling.

Ingevolge artikel 20, vierde lid, kan een herziening op grond van dit artikel tot een uit te betalen bedrag doch ook tot een terug te vorderen bedrag leiden.

5.

Tussen partijen is niet in geschil dat de inspecteur na het besluit van 11 december 2009 een definitieve aanslag inkomstenbelasting en daarmee eisers verzamelinkomen heeft vastgesteld. Gelet op vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS, zie onder meer de uitspraak van 7 juli 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN0491 en de uitspraak van 8 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX3915) dient ter bepaling van de draagkracht, waarvan het recht op en de hoogte van de zorgtoeslag afhankelijk is, ingevolge artikel 7, eerste lid, gelezen in verbinding met artikel 8, eerste lid, van de Awir, het verzamelinkomen, zoals in de aanslag inkomstenbelasting is opgenomen, in aanmerking te worden genomen. Vaststaat dat bij besluit van 11 december 2009 de tegemoetkoming tot een te hoog bedrag is toegekend. Uit het voorgaande volgt dat verweerder op grond van artikel 20, tweede lid, van de Awir gehouden was om naar aanleiding van het door de inspecteur vastgestelde verzamelinkomen het recht op zorgtoeslag voor 2008 te herzien. In wat eiser in dit kader over de formele rechtskracht van het besluit van 11 december 2009 heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. Wat betreft eisers betoog dat verweerder had moeten wachten met het nemen van het primaire besluit totdat er op zijn bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting is beslist, kan hij hierin niet worden gevolgd. Immers, artikel 20 van de Awir verplicht verweerder om onder de voormelde omstandigheden een tegemoetkoming te herzien. Anders dan eiser meent, geldt daarbij niet de voorwaarde dat pas kan worden herzien als er geen procedure meer loopt tegen de definitieve aanslag inkomstenbelasting. Verder wijst de rechtbank erop dat verweerder, zoals ook door hem in het verweerschrift en ter zitting naar voren is gebracht, de tegemoetkoming ambtshalve in voor eiser positieve zin herziet wanneer eisers bezwaar tegen de definitieve aanslag inkomsten-belasting 2008 gegrond wordt verklaard en een wijziging van het verzamelinkomen leidt tot een hogere tegemoetkoming. Voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd is met een beginsel van behoorlijk bestuur, bestaat geen grond. De beroepsgrond faalt.

6.

Eiser betoogt verder dat verweerder zijn hoorplicht heeft geschonden, nu hij ten onrechte in bezwaar niet is gehoord.

7.

De rechtbank overweegt dat artikel 7:2, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voorschrijft dat een bestuursorgaan, voordat het op het bezwaar beslist, de belanghebbende in de gelegenheid moet stellen te worden gehoord. In artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb is bepaald dat daarvan kan worden afgezien als het bezwaar kennelijk ongegrond is. De rechtbank is van oordeel dat wat eiser in bezwaar heeft aangevoerd niet kan leiden tot een ander oordeel dan reeds in het primaire besluit was verwoord. Verweerder heeft daarom van horen in bezwaar mogen afzien. De beroepsgrond slaagt niet.

8.

Verder betoogt eiser dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte niet is ingegaan op de door hem verzochte vergoeding van de in de bezwaarfase gemaakte kosten.

9.

Ter zitting is door de rechtbank vastgesteld dat uit de stukken niet kan worden afgeleid dat eiser op enig moment vóór het nemen van het bestreden besluit heeft verzocht om vergoeding van proceskosten. Op grond van artikel 7:15, derde lid, van de Awb is het niet mogelijk pas in de beroepsfase te verzoeken om vergoeding van proceskosten die in de bezwaarfase zijn gemaakt. Gelet op het voorgaande, was verweerder dan ook niet gehouden in het bestreden besluit te motiveren waarom eiser niet voor een dergelijke vergoeding in aanmerking kwam. De beroepsgrond slaagt niet.

10.

Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

11.

Eiser heeft verzocht om schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van de Awb en heeft daartoe ter zitting een begroting overgelegd.

12.

Op 1 juli 2013 is de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten (hierna: Wns), voor zover betrekking hebbend op schadevergoeding, in werking getreden. Uit het in artikel IV, eerste lid, van de Wns neergelegde overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór inwerkingtreding van deze wet op dit geding van toepassing blijft.

13.

Ingevolge artikel 8:73 van de Awb, zoals dat luidde ten tijde van belang, kan slechts tot toewijzing van een verzoek om schadevergoeding worden overgegaan bij gegrondverklaring van het beroep. Nu het beroep ongegrond is, dient het verzoek om schadevergoeding te worden afgewezen.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Glerum, rechter, in aanwezigheid van mr. A.A.W.M. Hakvoort, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 september 2013.

De griffier is verhinderd deze

uitspraak te ondertekenen.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.