Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:7878

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
11-06-2013
Datum publicatie
02-07-2014
Zaaknummer
C-16-346092 - HA ZA 13-444
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

regresvordering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2014/354
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/346092 / HA ZA 13-444

Vonnis van 11 juni 2014

in de zaak van

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

zetelende te 's-Gravenhage,

eiseres,

advocaat mr. M. Teekens,

tegen

1 [gedaagde sub 1],

wonende te [woonplaats],

2.[gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats],

gedaagden,

advocaat mr. A. Paats.

Partijen zullen hierna de Staat der Nederlanden en [gedaagden]genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 7 augustus 2013;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 5 november 2013;

  • -

    de conclusie van repliek;

  • -

    de conclusie van dupliek.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De Stichting Borgstellingsfonds voor de Landbouw (hierna: het Borgstellingsfonds) en de naamloze vennootschap ABN-AMRO N.V. (hierna: ABN-AMRO) hebben in 1993 een raamovereenkomst (hierna: de raamovereenkomst) gesloten met betrekking tot alle door het Borgstellingsfonds te stellen borgstellingen voor door ABN-AMRO aan ondernemers te verstrekken geldleningen. In artikel 8 lid 1 van de raamovereenkomst is bepaald dat ABN-AMRO na uitwinning van de goederenrechtelijke zekerheden zo spoedig mogelijk nadat aannemelijk is geworden dat geen opbrengsten meer zijn te verwachten die in mindering komen op de lening of inkomsten waarmee de lening kan worden gedelgd, doch in ieder geval uiterlijk 9 maanden na de datum waartegen de lening is opgezegd een verzoek tot betaling indient bij het Borgstellingsfonds. In artikel 8 lid 3 van de raamovereenkomst is neergelegd dat het Borgstellingsfonds als zij beslist om aan het betalingsverzoek te voldoen, zo spoedig mogelijk na deze beslissing betaalt. Het Borgstellingsfonds is de contractuele rente verschuldigd over de periode vanaf de datum van ontvangst van het verzoek tot betaling tot de betaling.

2.2.

Bij besluit van 21 september 1995 heeft het Borgstellingsfonds aan gedaagde sub 1 een zogenaamde borgstelling toegekend voor een lening tot een bedrag van f. 325.000,- (hierna: de borgstelling). Dit besluit is afgedrukt op briefpapier van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, Dienst uitvoering Regelingen, Regio Noord.

Bij brief van 9 oktober 1995 heeft ABN-AMRO aan gedaagde sub 1 bericht bereid te zijn aan hem, onder hoofdelijke aansprakelijkheid van gedaagde sub 2, naast andere leningen, een 15-jarige lening ad f 325.000,- (hierna: het borgstellingskrediet) onder garantie van het Borgstellingsfonds te verstrekken.

2.3.

Aangezien [gedaagden]niet langer aan hun betalingsverplichtingen jegens ABN-AMRO konden voldoen heeft ABN-AMRO in 2004 alle ten laste van [gedaagden]gevestigde zekerheden uitgewonnen en het Borgstellingsfonds aangesproken uit hoofde van de borgstelling. ABN-AMRO heeft het Borgstellingsfonds daartoe op 9 november 2004 een verzoek gedaan om het resterende deel van de lening waarop de borgstelling zag, door ABN-AMRO in het verzoek becijferd op een bedrag van € 75.195,28. Daarbij is een bedrag betreffende vermogenslening ad € 20.652,90, op het, na aflossingen, resterende borgstellingskrediet van € 95.848,18, in mindering gebracht. Na een eerste beoordeling heeft het Borgstellingsfonds voorgesteld op dit verzoek € 54.606,00 te betalen. Dit bedrag is op 31 maart 2005 aan ABN-AMRO overgemaakt. Naar aanleiding van bezwaar tegen dit voorstel heeft het Borgstellingsfonds haar berekening van hetgeen zij aan ABN-AMRO verschuldigd was gewijzigd en het door haar verschuldigde bedrag met € 12.085,00 bijgesteld. Dit bedrag is aan ABN-AMRO betaald op 17 juni 2005. Bij brief van 22 juni 2005 heeft ABN-AMRO aan het Borgstellingsfonds bericht dat zij ten onrechte het bedrag voornoemd betreffende de vermogenslening op de hoofdsom in mindering had gebracht. het Borgstellingsfonds heeft daarop bericht dat bedrag over te zullen maken. Op 3 augustus 2005 is conform die mededeling een bedrag van € 20.653,00 aan ABN-AMRO betaald.

2.4.

Op 27 oktober 2005 heeft ABN-AMRO aan het Borgstellingsfonds een kwitantie verstrekt aan ABN-AMRO ter bevestiging van de ontvangst van € 87.344,00 uit hoofde van de borgstelling. Bij brief van 1 december 2005, verzonden op 2 december 2005, heeft het Borgstellingsfonds aan [gedaagden]bericht dat zij door betaling van voornoemd bedrag ad

€ 87.344,00 in de rechten van ABN-AMRO is getreden en rechtstreeks een vordering tot dit bedrag (hierna: de vordering) op hen heeft gekregen. In die brief verzoekt het Borgstellingsfonds [gedaagden]om binnen één maand na dagtekening van deze brief mede te delen op welke wijze [gedaagden]denkt de vordering te voldoen. het Borgstellingsfonds heeft een soortgelijk verzoek aan [gedaagden]gedaan bij brieven van 24 juli 2007, 11 april 2008, 16 oktober 2009 en 25 augustus 2010. Op die brieven heeft de toenmalige advocaat gereageerd zonder inhoudelijk op de zaak in te gaan.

2.5.

Bij besluit van 27 januari 2010 heeft het bestuur van het Borgstellingsfonds besloten tot intrekking van het Besluit Borgstellingsfonds bijzondere borgstellingen en het Besluit Borgstellingsfond voor de Landbouw. Diezelfde dag is ook het besluit genomen tot ontbinding van het Borgstellingsfonds onder aanwijzing van ir. C.A.C.J. Oomen tot vereffenaar van het vermogen van het Borgstellingsfonds.

2.6.

Bij brief verzonden 28 september 2010 heeft het Borgstellingsfonds andermaal verzocht om informatie over de wijze waarop [gedaagden]denkt de vordering te voldoen, dit keer met de aanzegging dat als de betreffende informatie niet binnen één maand zou zijn ontvangen de vordering uit handen zou worden gegeven en rechtsmaatregelen zouden worden getroffen. Daarop heeft de huidig advocaat gereageerd met het verzoek om een onderbouwing van de vordering. Daarop is een inhoudelijk schriftelijk debat ontstaan tussen de advocaat van [gedaagden]en de Dienst Regelingen van het Ministerie van LNV, en na fusie tussen het Ministerie van LNV en het Ministerie van Economische zaken tot het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (ELI) met de staatsecretaris ELI. Op 3 januari 2012 is de vordering door het Ministerie van ELI ter incasso uit handen gegeven.

3 Het geschil

3.1.

De Staat der Nederlanden vordert samengevat - veroordeling van [gedaagden]tot betaling van € 119.385,82 (zijnde de vordering, inclusief rente tot de dag der dagvaarding (31 mei 2013) ad 29.541,82 en buitengerechtelijke kosten tot een bedrag van € 2.500,00), vermeerderd met de wettelijke rente over de vordering vanaf 31 mei 2013 en met veroordeling van [gedaagden]in de proceskosten.

3.2.

[gedaagden]voert verweer. Hij stelt dat:

  • -

    nimmer een regresvordering van het Borgstellingsfonds op hem is ontstaan, althans

  • -

    de regresvordering is verjaard, althans

  • -

    De Staat geen rechthebbende op de regresvordering is, althans

  • -

    de omvang van de regresvordering en de gevorderde rente niet kloppen.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Ontstaan regresvordering

4.1.

Bij conclusie van antwoord heeft [gedaagden]het bestaan van een regresvordering bestreden stellende dat De Staat geen betalingsverzoek heeft overgelegd en niet inzichtelijk heeft gemaakt dat het gestelde betalingsverzoek zag op het borgstellingskrediet. Bij conclusie van dupliek handhaaft [gedaagden]dit verweer zonder nadere toelichting of onderbouwing, terwijl De Staat bij conclusie van repliek een kopie van het betalingsverzoek van ABN-AMRO heeft overgelegd en de daarop gebaseerde gemotiveerde beoordeling daarvan. Daaruit volgt genoegzaam dat volgens opgave van ABN-AMRO ten tijde van het betalingsverzoek sprake was van een restant schuld betreffen het borgstellingskrediet. De rechtbank verwerpt derhalve dit verweer als onvoldoende gemotiveerd.

verjaring

4.2.

Partijen zijn het erover eens dat de regresvordering opeisbaar wordt op het moment van betaling door de borg (artikel 3:310 lid 1 jo artikelen 6.10 en 6.11 BW). [gedaagden]stelt dat de vordering is verjaard omdat de onderliggende betalingen door het Borgstellingsfonds aan de ABN-AMRO hebben plaatsgevonden op 31 maart, 17 juni en 3 augustus 2005, terwijl de verjaring niet voor 28 september 2010 is gestuit. De Staat stelt dat de vordering pas opeisbaar is geworden door de kwitantie van 29 november 2005 omdat toen pas vast stond dat het door het Borgstellingsfonds aan ABN-AMRO betaalde bedragen juist waren. De staat stelt voorts dat de brieven die door haar in de loop der jaren zijn gestuurd als stuitingshandelingen in de zin van artikel 3:317 lid 1 BW hebben te gelden.

4.3.

De rechtbank deelt het standpunt van [gedaagden]dat de verjaringstermijn betreffende de vordering is gaan lopen met ingang van het moment waarop de deelbetalingen van de vordering hebben plaatsgevonden. Uit hoofde van artikel 8 van de door het Borgstellingsfonds met ABN-AMRO gesloten raamovereenkomst was immers niet enige kwitantie bepalend voor de betalingsverplichtingen van het Borgstellingsfonds, maar het betalingsverzoek en het daarop gebaseerde besluit van het Borgstellingsfonds om te betalen (zie rechtsoverweging 2.1.). Door conform artikel 8 van de raamovereenkomst uit te betalen is de vordering op [gedaagden]dus opeisbaar geworden.

4.4.

De brief die het Borgstellingsfonds aan [gedaagden]heeft gestuurd op 2 december 2005 beschouwt de rechtbank als een stuitingshandeling. Deze brief vermeldt immers met zoveel woorden dat het Borgstellingsfonds door de betaling van de vordering aan ABN-AMRO in de rechten van ABN-AMRO is getreden en rechtstreeks een vordering op [gedaagden]heeft gekregen. In deze brief verzoekt het Borgstellingsfonds ook binnen één maand na dagtekening van deze brief mee te delen op welke wijze [gedaagden]denkt zijn schuld aan het Borgstellingsfonds te voldoen. Dit is te beschouwen als een voldoende duidelijke waarschuwing aan [gedaagden]dat hij de beschikking diende te houden over gegevens en bewijsmateriaal om zich eventueel tegen de vordering van het Borgstellingsfonds te verweren en een uitnodiging om terzake de betaling van hetgeen [gedaagden]verschuldigd is een regeling te treffen. Die uitnodiging om aan te geven hoe [gedaagden]de vordering wilde voldoen heeft [gedaagden]vervolgens jaarlijks opnieuw gehad tot de sommatie van 28 september 2010. In het midden kan blijven of de tussen de brief van 2 december 2005 en de sommatie van 28 september 2010 verzonden brieven als stuitingshandelingen hebben te gelden, omdat nog geen 5 jaar is verstreken tussen beide brieven. Aangezien ingevolge artikel 3:317 lid 1 BW na iedere stuitingshandeling een nieuwe verjaringstermijn van 5 jaar begint te lopen is de verjaring dus na 2 december 2005 niet voltooid. Het beroep op verjaring wordt dus afgewezen.

De Staat niet gerechtigd tot de vordering

4.5.

De Staat heeft bij repliek de grondslag van haar vordering nader onderbouwd door te stellen dat zij de vordering onder algemene titel heeft verkregen. Zij verwijst in dit verband naar artikel 14 van de statuten van het Borgstellingsfonds (hierna: de statuten) en het bepaalde in artikel 6.3 lid 2 van de Regeling LNV Subsidies (hierna: De Regeling). Artikel 14 van de statuten bepaalt, voor zover relevant:

3. Wanneer de stichting wordt opgeheven, bepaalt de Minister in overeenstemming met de Minister van Financiën de bestemming van het liquidatiesaldo.

4. Na opheffing van de stichting blijven de boeken en bescheiden van de stichting berusten onder de Minister.

In artikel 6.3 lid 2 van De Regeling is het volgende opgenomen:

Bij intrekking van de door het bestuur van de Stichting Borgstellingsfonds voor de Landbouw vastgestelde Besluit Borgstellingsfonds en Besluit BF bijzondere borgstellingen:

  1. Blijft het recht zoals dat gold voorafgaand aan de tijdstippen van intrekking van die besluiten van toepassing: (…) met betrekking tot een subsidie die is verleend op een aanvraag tot subsidieverlening (…) alsmede de uit die subsidieverleningen voortvloeiende rechten, aanspraken en verplichtingen;

  2. Gaan de rechten, aanspraken en verplichtingen van het bestuur van de Stichting Borgstellingsfonds voor de Landbouw die zijn aangegaan op grond of ter uitvoering van die besluiten, over op de Minister.

De regeling is op 26 september 2008 gepubliceerd in de Staatscourant. In de toelichting op voornoemd artikel 6.3 lid 2 staat vermeld:

(…) het is vanzelfsprekend niet de bedoeling dat met de Regeling inbreuk wordt gemaakt op bestaande aanspraken die kredietinstellingen en garantieontvangers hebben met betrekking tot borgstelling die door het bestuur van de Stichting Borgstellingsfonds voor de Landbouw zijn verstrekt. Daarom is voorzien in een overgangsbepaling, die erop neer komt dat bestaande rechten, aanspraken en verplichtingen van dat bestuur overgaan op de Minister van LNV. Het Besluit Borgstellingsfonds en Besluit BF bijzondere borgstellingen blijven van toepassing op de garantiestellingen, verleend op grond van die besluiten.

4.6.

[gedaagden]stelt terecht dat de vordering niet onder algemene titel door De Staat kan zijn verkregen krachtens het bepaalde in artikel 6.3 van De Regeling, omdat dit artikel niet kwalificeert als één van de vijf limitatieve gevallen van verkrijging van goederen onder algemene titel als omschreven in artikel 3:80 lid 2 BW. Van een andere grondslag voor de verkrijging van de vordering door de Staat is evenmin gebleken. De rechtbank stelt daarbij voorop dat een overdracht bij ministeriële regeling niet past in het vermogensrecht en meer in het bijzonder niet kan worden getypeerd als een overgang onder bijzondere titel als bedoeld in artikel 3:80 lid 3 BW. De rechtbank overweegt in dit verband als volgt.

4.7.

Op de ontbinding van de stichting zijn de artikelen 2:19 BW e.v. van toepassing. Die bepalingen houden in dat een stichting kan worden ontbonden door een besluit van het bestuur. Indien de rechtspersoon op dat moment geen baten meer heeft, houdt zij alsdan op te bestaan. Als er wel baten zijn, blijft de rechtspersoon bestaan voor zover dit voor de vereffening van haar vermogen nodig is. De vereffenaar voldoet uit het vermogen vorderingen van schuldeisers. Artikel 2:23b lid 1 BW bepaalt dat hetgeen daarna overblijft, waaronder bijvoorbeeld een vordering als de onderhavige, wordt overgedragen aan hen die krachtens de statuten daartoe zijn gerechtigd. De wet spreekt aldus van overdracht. Dat betekent dat de vordering door de vereffenaar kan worden overgedragen aan een derde. Ingevolge de statuten is het, zo begrijpt de rechtbank, aan de Minister om deze derde aan te wijzen. Indien en voor zover ervan zou moeten worden uitgegaan dat met artikel 6.3 van de Regeling is bedoeld een dergelijke aanwijzing te geven, is voor een overdracht van de vordering aan, destijds, de Minister van LNV een rechtshandeling vereist tussen de vereffenaar en de Minister van LNV. Dat een dergelijke rechtshandeling is verricht is niet gesteld, noch gebleken.

4.8.

Uit het voorgaande volgt dat de Staat onvoldoende heeft onderbouwd dat zij rechthebbende is betreffende de vordering. De Staat zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering.

4.9.

De Staat zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagden]worden begroot op:

- griffierecht 1.474,00

- salaris advocaat 4.263,00 (3,0 punten × tarief € 1.421,00)

Totaal € 5.737,00

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart de staat niet-ontvankelijk in zijn vordering,

5.2.

veroordeelt de Staat der Nederlanden in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagden]tot op heden begroot op € 5.737,00, en, onder de voorwaarde dat zij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door [gedaagden]volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- € 131,00 aan salaris advocaat, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na aanschrijving,

- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van het vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na betekening, dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.C.P.M. Straver en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2014.1

1 type: SD(M coll: