Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:7871

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
12-12-2013
Datum publicatie
17-06-2014
Zaaknummer
16657343-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het niet juist afstellen van de spiegels en niet voorrang verlenen door touringcarchauffeur levert aanzienlijke onvoorzichtigheid en onoplettendheid op zoals bedoeld in art 6 WVW. Volgt veroordeling tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 weken (proeftijd van 2 jaar), een geldboete van €1200,00 en ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht
Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/657343-12 (P)

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 12 december 2013

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1976] te [geboorteplaats] (Frankrijk)

wonende te[adres] [woonplaats] Frankrijk.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is bij verstek gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 28 november 2013.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

als bestuurder van een touringcar zich zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gedragen, zodat door zijn schuld een verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een fietsster zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, althans dat hij als bestuurder van een touringcar gevaar op de weg heeft veroorzaakt.

3 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat verdachte zich aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gedragen. De officier van justitie baseert zich daarbij op de inhoud van de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen. Het primair ten laste gelegde levert overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 op.

4.2

Het standpunt van verdachte

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij rechtsaf wilde slaan en in de rechterspiegel keek, omdat zich aan de rechterkant van de weg een fietspad bevond dat hij moest kruisen. Verdachte heeft -toen hij in zijn spiegel keek- niemand op het fietspad gezien. Vervolgens is hij met een snelheid van 5 a 10 km/uur rechtsaf geslagen en vond de aanrijding plaats.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Bewijs.1

Op 12 april 2012, omstreeks 11.30 uur fietste [slachtoffer] over de rechts van de rijbaan gelegen fietspad op de Amsterdamsestraatweg te Utrecht. Op de Amsterdamsestraatweg ter hoogte van de kruising met de Martin Ovenweg zag zij een touringcar staan. Zij wilde de touringcar voorbijgaan. Tijdens het voorbijgaan trok de touringcar op en reed de straat in die zij net overstak. Hierdoor kwam zij in botsing met de touringcar en kwam daaronder te liggen.2 [slachtoffer] heeft als gevolg van het ongeval een bekkenbreuk, heupontwrichting, breuk van de heupgewrichtskom en een buikwand bloeduitstorting heeft opgelopen.3

Verdachte, beroepschauffeur, bestuurde op 12 april 2012 een touringcar. Hij reed in een voor hem onbekende straat en wilde rechtsaf slaan. Hij keek in de rechterspiegel van zijn touringcar omdat er zich aan de rechterkant van de weg een fietspad bevond, dat door een berm van de weg werd gescheiden. Toen verdachte in zijn spiegel keek, zag hij niemand op het fietspad. Op het moment dat verdachte het fietspad kruiste, hoorde hij een knal tegen de zijkant van zijn touringcar en hoorde hij een vrouw gillen. Verdachte zag een vrouw naast de bus liggen. Hij zag dat haar fiets onder de bus lag.4

Uit de verkeersongevallenanalyse blijkt dat bij het passeren van het fietspad middels haaientanden werd aangeduid dat verkeer op het fietspad voorrang had.5

Blijkens het proces-verbaal van de ongevallenanalyse blijkt dat de touringcar aan de rechterzijde was uitgerust met een buitenspiegel en een breedte/dodehoekspiegel.6 Uit de analyse blijkt dat in de spiegelvelden, die in de spiegels van de bus zichtbaar waren, delen van het rechts gelegen fietspad niet zichtbaar waren. De bestuurder van de bus had zijn spiegels verkeerd afgesteld staan waardoor hij de fietsster niet kon zien7

Bij een spiegelafstelling volgens de wettelijke vereisten waren het fietspad en het over het fietspad naderende verkeer wel goed zichtbaar geweest voor de chauffeur.8

Bewijsoverweging

Schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994?

In het algemeen geldt dat voor een bewezenverklaring van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 dient te worden vastgesteld dat verdachte zich zodanig heeft gedragen dat het aan zijn schuld is te wijten dat een verkeersongeval heeft plaatsgevonden met als gevolg dat iemand is overleden, dan wel zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Het juridische begrip ‘schuld’ in het kader van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 houdt in, dat voor strafbaarheid tenminste sprake moet zijn van een aanmerkelijke onvoorzichtigheid of onoplettendheid.



Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 komt het aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Dat brengt mee dat niet in zijn algemeenheid gesteld kan worden dat één verkeersovertreding voldoende is voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van bedoelde bepaling. Daarvoor zijn immers verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Voor ‘schuld’ is dus meer nodig dan het veronachtzamen van de voorzichtigheid en onoplettendheid die van een normaal oplettende bestuurder mag worden verwacht. Verder kan niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.9

Met inachtneming van het hiervoor omschreven juridisch kader, overweegt de rechtbank ten aanzien van de schuld van verdachte als volgt.

Vaststaat dat verdachte aan fietsster [slachtoffer], die rechtdoor reed waar verdachte rechtsaf wilde slaan -de voorrangssituatie was ook nog aangegeven op het wegdek door middel van haaientanden-, voorrang had moeten verlenen. Verdachte heeft derhalve een voorrangsfout begaan ten gevolge waarvan de aanrijding is veroorzaakt, waardoor [slachtoffer] tegen de door verdachte bestuurde touringcar is aangebotst en vervolgens daaronder is terecht gekomen.

Verdachte heeft daartegen aangevoerd dat hij in zijn spiegel heeft gekeken, zeer langzaam is opgetrokken en rechtsaf is geslagen en dat hij daarbij [slachtoffer] niet heeft gezien.

De rechtbank heeft geen aanleiding om dit punt in twijfel te trekken.

Echter, door de politie is vastgesteld dat de rechterbuitenspiegel en de breedte/ dodehoek-spiegel niet voldeden aan de in de Regeling Permanente eisen gestelde eisen. Door het onjuist afgesteld hebben van de spiegels was het zicht op het naast gelegen fietspad vanuit de positie van de bestuurder nihil. Hierdoor kon verdachte vlak voor en tijdens het rechtsaf slaan, het fietspad niet overzien over een geruime lengte, in welke ruimte een fietser geheel kon opgaan.10

Van een beroepschauffeur als verdachte mag verwacht worden, zeker als hij binnen de bebouwde kom rijdt in een grote touringcar, dat hij er zorg voor draagt dat de spiegels op de juiste wijze zijn afgesteld. Nu gebleken is dat hij geen voorrang heeft verleend aan de fietsster terwijl hij nalatig is geweest in het op juiste wijze afstellen van de spiegels, is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich in het verkeer zodanig heeft gedragen dat hij aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden en zich daarmee schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

(primair)

op 12 april 2012 te Utrecht, als bestuurder van een motorrijtuig (touringcar), daarmede rijdende over de weg, de Amsterdamsestraatweg zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend, rechtsaf te slaan, ten einde de Martin Ovenweg in te rijden en daarbij geen voorrang te verlenen en vervolgens in aanrijding te komen met een in dezelfde richting rijdende fietsster die gebruik maakte van het vrijliggende fietspad en terwijl dat fietspad vanuit zijn, verdachte's, rijrichting komend werd gemarkeerd door haaientanden en terwijl de spiegels (de buitenspiegel en de breedtespiegel en/of de dodehoekspiegel) aan de rechterzijde van die touringcar zodanig waren afgesteld dat het zichtveld van die spiegels niet voldeed aan de wettelijke eisen (waardoor het zicht van verdachte beperkt was) waardoor die fietsster, genaamd [slachtoffer], zwaar lichamelijk letsel, te weten een bekkenbreuk en een breuk van de heupgewrichtskom, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door de officier van justitie bewezen geachte zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 weken met een proeftijd van 2 jaren, een geldboete van € 1200,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 22 dagen en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden.


8.2 Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.

Wat betreft de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft op 12 april 2012 op de Amsterdamsestraatweg te Utrecht een ernstig verkeersongeval veroorzaakt door op een aanmerkelijk onoplettende wijze zijn touringcar te besturen waardoor hij een aanrijding heeft veroorzaakt met een fietsster. Als gevolg van de aanrijding heeft het slachtoffer fors letsel opgelopen. [slachtoffer] heeft meerdere operaties moeten ondergaan. Uit de verklaring van de dochter van [slachtoffer] is gebleken is dat [slachtoffer] -bijna een jaar na het ongeval- nog dagelijks last heeft van de lichamelijke gevolgen die dit ongeval voor haar heeft gehad.

Door met zijn touringcar rechtsaf te slaan terwijl hij de spiegels niet goed had afgesteld, heeft verdachte een fietsster, per definitie een kwetsbare verkeersdeelnemer aangereden.. De rechtbank rekent deze wijze van handelen in het verkeer verdachte als beroepschauffeur zwaar aan.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de strafoplegging acht geslagen op de zogenaamde LOVS-richtlijnen. In deze richtlijnen is voor diverse delicten een oriëntatiepunt voor de op te leggen straf geformuleerd. Voor overtreding van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994, waarbij sprake is van een aanmerkelijke verkeersfout en zwaar lichamelijk letsel, wordt in de oriëntatiepunten als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 3 weken en een ontzegging van de rijbevoegdheid van 6 maanden gehanteerd.

Ten voordele van verdachte houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte blijkens het de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 16 oktober 2013 niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld en dat verdachte als beroepschauffeur niet eerder bij een ongeval betrokken is geweest. Ook houdt de rechtbank er rekening mee dat het om een relatief oude zaak gaat.

Alles afwegend acht de rechtbank de eis van de officier van justitie passend en geboden.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c van het Wetboek van Strafrecht en op artikel 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 weken.

Beveelt dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Veroordeelt verdachte voorts tot een geldboete van € 1200,00 (twaalfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 22 dagen.

Ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Oostendorp, voorzitter, mrs. E.M. de Stigter en W. van Gelein Vitringa, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.M. Westerhout, griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 december 2013.

Mr. W. van Gelein Vitringa is buiten staat mede te ondertekenen.

BIJLAGE : De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

Primair

hij op of omstreeks 12 april 2012 te Utrecht, althans in het arrondissement Utrecht, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (touringcar), daarmede rijdende over de weg, de Amsterdamsestraatweg zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, rechtsaf te slaan, ten einde de Martin Ovenweg in te rijden en/of (daarbij) geen voorrang te verlenen en/of (vervolgens) in aanrijding/botsing te komen met een (in dezelfde richting rijdende) fietsster die gebruik maakte van het (vrijliggende) fietspad en/of terwijl dat fietspad vanuit zijn, verdachte's, rijrichting komend werd gemarkeerd door haaientanden en/of terwijl de spiegels (de buitenspiegel en/of de breedtespiegel en/of de dodehoekspiegel/gezichtsverbeterende voorziening) aan de rechterzijde van die touringcar zodanig waren afgesteld dat het zichtveld van die spiegels niet voldeed aan de wettelijke eisen (waardoor het zicht van verdachte beperkt was) waardoor die fietsster, genaamd [slachtoffer], zwaar lichamelijk letsel, te weten (onder andere) een bekkenbreuk en/of een breuk van de heupgewrichtskom, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

art 6 Wegenverkeerswet 1994

Subsidiair

hij, op of omstreeks 12 april 2012, te Utrecht, althans in het arrondissement Utrecht, als bestuurder van een motorrijtuig (touringcar), rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, Amsterdamsestraatweg, rechtsaf is geslagen, ten einde de Martin Ovenweg in te rijden en/of (daarbij) geen voorrang heeft verleend en/of (vervolgens) in aanrijding/botsing is gekomen met een (in dezelfde richting rijdende) fietsster die gebruik maakte van het (vrijliggende) fietspad en/of terwijl dat fietspad vanuit zijn, verdachte's, rijrichting komend, werd gemarkeerd door haaientanden en/of terwijl de spiegels (de buitenspiegel en/of de breedtespiegel en/of de dodehoekspiegel/gezichtsverbeterende voorziening) aan de rechterzijde van die touringcar zodanig waren afgesteld dat het zichtveld van die spiegels niet voldeed aan de wettelijke eisen (waardoor het zicht van verdachte beperkt was) door welke gedraging(en) gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon

worden gehinderd;

art 5 Wegenverkeerswet 1994

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier van de politie regio Utrecht bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Proces-verbaal van verhoor van betrokkene [slachtoffer], dossiernummer PL0910 2012082510, pagina 7.

3 Geneeskundige verklaring, PL0910 2012082510, dossiernummer PL0910 2012082510, pagina 11.

4 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, dossiernummer PL0910 2012082510, pagina 25.

5 Proces-verbaal Verkeersongevalanalyse, dossiernummer 2012 082455-5, pagina 9.

6 Proces-verbaal Verkeersongevalanalyse, dossiernummer 2012 082455-5, pagina 17 en bijlage (vensters 1-3).

7 Proces-verbaal Verkeersongevalanalyse, dossiernummer 2012 082455-5, pagina 34.

8 Proces-verbaal Verkeersongevalanalyse, dossiernummer 2012 082455-5, pagina 17 en bijlage (venster 4).

9 Hoge Raad 1 juni 2004, LJN AO5822, NJ 2005, 252.

10 Proces-verbaal Verkeersongevalanalyse, dossiernummer 2012 082455-5, bijlage (venster 4).