Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:7837

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
12-11-2013
Datum publicatie
24-04-2014
Zaaknummer
16-661596-13
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2014:3165, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordleing diefstal met geweld. Verweren vwb betrouwbaarheid aangifte en getuigenverklaring en medeplegen zijn verworpen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

parketnummer: 16/661596-13 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 12 november 2013

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1977] te [geboorteplaats] (Turkije)

thans verblijvende te [woonplaats], [adres]

(Forensische Kliniek Weerlanden)

raadsvrouw mr. E.D. van Elst, advocaat te Veenendaal

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 29 oktober 2013, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Op 12 juni 2013 samen met een ander met geweld en door bedreiging met geweld een laptop heeft gestolen van [aangever].

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft gepleegd en baseert zich daarbij op de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is primair van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en verdachte dient derhalve vrij gesproken te worden. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat de aangever [aangever] ten tijde van zijn verklaringen bij de politie en de rechter-commissaris onder invloed was en/of warrig overkwam, dat hij wisselend en tegenstrijdig heeft verklaard en dat zijn verklaringen derhalve niet bruikbaar zijn voor het bewijs.

[medeverdachte], medeverdachte, heeft een eigen belang om een voor verdachte belastende verklaring af te leggen. Zijn verklaring dat verdachte de laptop in zijn broeksband stopte wordt niet bevestigd door de aangever. Voorts heeft [medeverdachte] bij de rechter-commissaris een beroep gedaan op zijn verschoningsrecht. De verdediging is van mening dat hiertoe geen reden bestond, tenzij [medeverdachte] iets te verbergen heeft. Hierdoor heeft de verdediging geen mogelijkheid gehad de door [medeverdachte] afgelegde verklaring te toetsen. De verdediging is derhalve van mening dat de verklaring van [medeverdachte], afgelegd bij de politie, onbetrouwbaar is en daarom niet als bewijsmiddel kan dienen.

Subsidiair stelt de verdediging dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de gekwalificeerde diefstal, nu alle geweldshandelingen en bedreigingen toegeschreven kunnen worden aan [medeverdachte].

Daarnaast is er geen sprake van een nauwe en bewuste samenwerking nu de opzet van verdachte niet gericht was op de door [medeverdachte] verrichte handelingen en hij zich daar ook niet mee heeft bemoeid.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

Verklaringen [aangever] en [medeverdachte]

Verklaring [aangever].

De rechtbank is, anders dan de verdediging, van oordeel dat [aangever] bij de politie en de rechter-commissaris consistent en gedetailleerd heeft verklaard. Voorts vinden de verklaringen van [aangever] steun in de - hierna te noemen – bewijsmiddelen, met name de verklaring van [medeverdachte], en deels in de verklaring van verdachte zelf.

De rechtbank acht de door [aangever] afgelegde verklaringen derhalve geloofwaardig en betrouwbaar. Dat deze verklaringen op enkele onderdelen niet overeenkomen met elkaar doet daar niet aan af.

Verklaring [medeverdachte]

De rechtbank overweegt dat de door [medeverdachte] afgelegde verklaring steun vindt in de door [aangever] afgelegde verklaringen, zowel wat betreft de gebeurtenissen in de woning, het aantal mensen daar en de omstandigheden waaronder zij daar zijn gekomen, en deels in de door verdachte afgelegde verklaringen. Niet gebleken is dat [medeverdachte] enig belang heeft gehad bij het afleggen van zijn verklaring, nu deze verklaring ook belastend is voor hem zelf.

De rechtbank acht de door [medeverdachte] afgelegde verklaring derhalve, anders dan de verdediging, geloofwaardig en betrouwbaar.

De rechtbank zal voornoemde verweren dan ook verwerpen.

4.3.2

Feiten en omstandigheden

De vindplaats vermeldingen verwijzen naar de doorlopende paginanummers van het proces-verbaal nummer PL091A 2013129694. De door de rechtbank in de voetnoten aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij de wet gestelde eisen.

[aangever] heeft verklaard dat hij op 12 juni 2013 met twee jongens in zijn woning aan de [adres] te [woonplaats] was. Een van de jongens droeg een korte zwarte leren jas, de andere jongen droeg een blauwe jas. De jongen in de blauwe jas trok de stekkers uit zijn laptop. Hij liep naar de jongen om hem tegen te houden en zag dat de andere jongen op hem af liep. Deze jongen gaf hem een duw. Hij liep naar de keuken om de politie te bellen en beide jongens zeiden tegen hem: “Je gaat niet de politie bellen of we steken je neer.” De jongen in de zwarte jas begon hem te duwen en de jongen in de blauwe jas had de laptop in zijn hand.1 De donkere jongen (de rechtbank begrijpt: de jongen in de zwarte jas) sloeg zijn telefoon uit zijn hand.2 Hij, [aangever], was vervolgens naar buiten gerend en zag dat beide jongens zijn woning verlieten. Terwijl hij achter de jongen met de zwarte jas aan liep kwam de politie. Even later zag hij in zijn woning dat zijn laptop (merk Asus type K55a, registratienummer [nummer]) weg was.3

[aangever] heeft verder verklaard dat toen de ene jongen de laptop begon los te koppelen en hij opstond om hem tegen te houden, de andere (donkere) jongen naar hem toe kwam om hem de keuken in te duwen. Dit gebeurde toen hij zei dat de jongen moest ophouden met de computer losmaken. Deze jongen ging ondertussen verder met stekkers losmaken. Toen haalde hij zijn telefoon uit zijn zak en de donkere jongen zei, als je de politie belt, steek ik je neer en hij sloeg de telefoon uit zijn handen.4

Kort na de melding van de diefstal van een laptop wordt verdachte [verdachte] op de [adres] aangehouden. [verdachte] draagt een blauwe jas.5

Verbalisant [verbalisant] liep over de [adres] in de richting waarin de man met de blauwe jas volgens [aangever] was gelopen. Ter hoogte van huisnummer [nummer] vond hij in een plantenbak een laptop. [aangever] herkende deze als zijnde zijn eigendom.6

[medeverdachte] heeft verklaard dat hij op 12 juni 2013 samen met [verdachte] (de rechtbank begrijpt: medeverdachte [verdachte]) in de woning van [aangever] was (de rechtbank begrijpt: de woning van [aangever]) Hij zag dat [verdachte] de laptop pakte en in zijn broeksband stopte. [aangever] wilde de politie bellen en pakte zijn telefoon. [medeverdachte] wilde dat niet, werd (net als [verdachte]) boos op [aangever] en wilde de telefoon uit de handen van [aangever] slaan.7

Verdachte heeft verklaard dat hij op 12 juni 2013 samen met zijn medeverdachte (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte]) in de woning van de aangever (de rechtbank begrijpt: [aangever]) was. Op een gegeven moment had hij de woning verlaten en werd even later door de politie schuin tegenover de woning van [aangever] aangehouden.8

Bewijsoverwegingen

Medeplegen

Op het moment dat verdachte de laptop pakte, heeft medeverdachte [medeverdachte] niet alleen aangever [aangever] weggeduwd, maar heeft vervolgens ook getracht te verhinderen dat deze de politie belde door de telefoon van die [aangever] uit diens hand te slaan. Ook is [aangever] door zijn medeverdachte bedreigd. Verdachte heeft van de reeks handelingen, bestaande uit duwen, slaan en dreigen, van zijn medeverdachte gebruikgemaakt om zich de laptop toe te eigenen. Verdachte en zijn medeverdachte hebben vervolgens de woning verlaten. De rechtbank is van oordeel dat er gezien de uiterlijke verschijningsvorm sprake is van een – al dan niet stilzwijgende - nauwe en bewuste samenwerking en dat de opzet van verdachte mede gericht is op de gepleegde geweldhandelingen en de bedreiging.

De rechtbank acht op basis van voornoemde feiten en omstandigheden wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met zijn medeverdachte met geweld en onder bedreiging met geweld de laptop van [aangever] heeft weggenomen.

De verklaring van verdachte dat zich, behalve aangever, de medeverdachte en hijzelf, nog meerdere personen in de woning van aangever bevonden en/of dat een ander mogelijk de laptop heeft weggenomen, vindt geen enkele steun in het dossier.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 12 juni 2013 te Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen uit een woning gelegen aan [adres]) een laptop (merk Asus, type K55A, registratienummer [nummer]), toebehorende aan [aangever], welke diefstal werd vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [aangever], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en aan een andere deelnemer van voormeld misdrijf de vlucht mogelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij verdachte en/of zijn mededader

- die [aangever] heeft geduwd tegen het lichaam en

- tegen die [aangever] heeft/hebben gezegd: "Je gaat niet de politie bellen of we steken je neer" en

- de telefoon van die [aangever] uit zijn hand heeft geslagen;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid

5.1

De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Diefstal, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

5.2

De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen:

- een gevangenisstraf van 180 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 117 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met als bijzondere voorwaarden dat verdachte zich houdt aan de meldplicht, en zal meewerken aan een klinische opname voor de duur van maximaal twaalf maanden en in het kader van het nazorg traject zal meewerken aan het begeleid wonen traject.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de verdediging bepleit verdachte een gevangenisstraf op te leggen welke gelijk is aan het voorarrest en indien de rechtbank verplicht reclasseringscontact noodzakelijk acht om, gelet op het standpunt van verdachte ter zitting dat hij hieraan niet mee wil werken, geen klinische opname als bijzondere voorwaarde op te leggen.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte zich heeft samen met zijn medeverdachte schuldig gemaakt aan een brutale diefstal van de laptop van [aangever], vanuit de woning van laatstgenoemde, waarbij geweld is gebruikt en is gedreigd met geweld. Dergelijke feiten zorgen, naast schade, overlast en angst bij de slachtoffers, in het algemeen voor onrust en gevoelens van onveiligheid in de maatschappij. Dat deze diefstal een grote impact heeft gehad op het slachtoffer blijkt ook de door hem opgestelde slachtofferverklaring, waarin hij aangeeft dat hij bang is dat de verdachte en zijn medeverdachte wraak zullen nemen. Ook voelde hij zich onveilig in zijn woning. Hij voelt zich weer veilig in zijn woning nu hij een andere woning toegewezen heeft gekregen van de woningbouwvereniging. De rechtbank rekent dit verdachte aan.

Uit het strafblad van verdachte volgt dat hij ter zake soortgelijke feiten, althans vermogensdelicten, reeds vele malen is veroordeeld tot onvoorwaardelijke gevangenis- en/of werkstraffen, hetgeen verdachte er niet van weerhouden heeft zich opnieuw aan het strafbaar feit schuldig te maken.

M. van Elst, reclasseringswerker, heeft ter zitting het op 14 augustus 2013 door Victas uitgebrachte rapport en advies toegelicht. Ten gevolge van een drugsverslaving, gebrekkige normen en waarden, beïnvloedbaarheid en negatieve sociale contacten komt verdachte tot zijn delictgedrag. Daarnaast is er sprake van een verstandelijke beperking bij verdachte wat maakt dat de kans op recidive verder wordt vergroot doordat verdachte onvoldoende de gevolgen van zijn gedrag kan overzien, emotioneel belast wordt, minder draagkrachtig is en onvoldoende denkt voordat hij doet. Een gediagnosticeerde persoonlijkheidsstoornis beïnvloedt het geheel verder in negatieve zin. Verdachte is sedert 16 augustus 2013 opgenomen in de Forensische Kliniek Weerlanden. Er bestaat een goede samenwerking tussen de kliniek en verdachte. Verdachte verblijft in verband met werk en verlof ook buiten de kliniek. Recent cannabisgebruik is een teken dat verdachte nog niet uitbehandeld is. Ter voorkoming van recidive is, mede gelet op de verstandelijke beperking en persoonlijkheidsstoornis van verdachte en zijn forse verslavingsproblematiek, behandeling in een kliniek noodzakelijk en wenselijk, aansluitend gevolgd door een plaatsing binnen een RIBW.

De reclassering adviseert om verdachte als bijzondere voorwaarden op te leggen een klinische opname voor de duur van maximaal twaalf maanden, een behandelverplichting, deelname aan een RIBW traject en een meldplicht.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op het strafblad en de persoon van verdachte een forse gevangenisstraf passend en geboden is. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie. Voorts acht de rechtbank in belang van de maatschappij begeleiding en behandeling van verdachte, zoals door de reclassering is geadviseerd, noodzakelijk. De rechtbank zal derhalve een deel van deze straf voorwaardelijk opleggen.

Omdat verdachte gedurende de schorsing een goede behandelrelatie heeft opgebouwd neemt de rechtbank aan dat verdachte (hoewel hij het liefst weer geheel vrij is) zich zal inzetten voor de behandeling.

Het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf maakt begeleiding en behandeling van verdachte mogelijk en heeft voorts tot doel te voorkomen dat verdachte zich in de toekomst wederom aan strafbare feiten schuldig zal maken.

Verdachte heeft ter zitting opgemerkt dat hij, indien hem een straf gelijk aan de eis van de officier van justitie zal worden opgelegd, slechts 117 dagen dient uit te zitten indien hij zich ontrekt aan zijn behandeling en begeleiding.

De rechtbank leidt hieruit af dat een voorwaardelijke straf van 117 dagen voor verdachte kennelijk niet voldoende is om zich te houden aan de hem op te leggen (bijzondere) voorwaarden. Bij de lengte van het voorwaardelijk deel neemt de rechtbank ook in ogenschouw dat de invulling van de voorwaarden intensief zal zijn.

Alles afwegende is de rechtbank oordeel dat, mede gelet op het voorkomen van recidive en de noodzakelijk behandeling en opname van verdachte, niet kan worden volstaan met een straf zoals door de officier van justitie is geëist. De rechtbank zal derhalve aan verdachte een hogere voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen dan door de officier van justitie geëist omdat zij van oordeel is dat de stok achter de deur steviger moet zijn nu opname en behandeling van verdachte de enige manier is om recidive te voorkomen.

De rechtbank acht een gevangenisstraf van 243 dagen, met aftrek, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar passend en geboden. Daarnaast zal de rechtbank de bijzondere voorwaarden op leggen zoals deze door de reclassering zijn geformuleerd.

De rechtbank beveelt, omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, gelet op artikel 38v, vierde lid Wetboek van Strafrecht, dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [aangever] vordert een immateriële schadevergoeding van

€ 750,00.

7.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering toe te wijzen voor een bedrag van

€ 250,00 en de vordering voor het overige niet ontvankelijk te verklaren.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair de niet ontvankelijkheid van de vordering van de benadeelde bepleit. Subsidiair heeft de verdediging zich gerefereerd aan het standpunt van de officier van justitie.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij [aangever] rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het bewezen verklaarde feit. De rechtbank waardeert de immateriële schade op € 250,00. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen. De rechtbank zal de vordering daarom ter hoogte van het bedrag van € 250,00 toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 juni 2013 tot de dag der algehele voldoening.

Voor het overige acht de rechtbank het gevorderde bedrag tot op heden onvoldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de benadeelde partij daarom voor dat deel niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 14e, 24c, 36f, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Diefstal, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 243 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 jaren de navolgende (bijzondere) voorwaarde(n) niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarden dat veroordeelde:

* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

- stelt als bijzondere voorwaarden dat veroordeelde:

* zich zal blijven melden bij de reclassering GGZ Palier, gevestigd J. Westerdijkplein 40, 25221 EN ’s-Gravenhage, telefoonnummer 088-3579900. Veroordeelde moet zich blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit gedurende de proeftijd noodzakelijk acht;

* zich zal laten opnemen en zal laten behandelen in de Forensische Kliniek Weerlanden, of een soortgelijke intramurale instelling, voor de duur van maximaal 12 maanden of zoveel korter als volgens de kliniek/GGZ Palier nodig is. Veroordeelde zal zich daarbij houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de (geneesheer) directeur dan die instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

* aansluitend aan zijn opname bij de Forensische Kliniek Weerlanden, of een soortgelijke intramurale instelling, verplicht is mee te werken en deel te nemen aan een traject in het RIBW, of een soortgelijke instelling, zulks ter beoordeling van de reclassering en verplicht is daar te verblijven en zich te houden aan het (dag)programma dat deze voorziening in overleg met de reclassering heeft opgesteld, zolang de reclassering dit nodig acht;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Dadelijke uitvoerbaarheid

- beveelt dat de gestelde bijzondere voorwaarden en het toezicht op de naleving daarvan, dadelijk uitvoerbaar zijn;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever] van € 250,00 ter zake van materiële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 12 juni 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever], € 250,00 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, gerekend vanaf 12 juni 2013 tot aan de dag der algehele voldoening, bij niet betaling te vervangen door 5 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Voorlopige hechtenis

Heft het - reeds geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte op met ingang van het tijdstip waarop dit vonnis onherroepelijk wordt.

Dit vonnis is gewezen door P.J.M. Mol, voorzitter, mr. E.A.A. van Kalveen en

mr. G.A. Bos, rechters, in tegenwoordigheid van G. van Engelenburg, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 12 november 2013.

Mr. G.A. Bos is niet in de gelegenheid dit vonnis mee te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

hij op of omstreeks 12 juni 2013 te Utrecht, althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen in/uit een woning (gelegen aan [adres]) een laptop (merk Asus, type K55A, registratienummer [nummer]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [aangever], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij verdachte en/of zijn mededader(s)

- die [aangever] één of meerdere malen heeft/hebben geduwd op/tegen het lichaam en/of

- tegen die [aangever] heeft/hebben gezegd: "Je gaat niet de politie bellen of we steken je neer" en/of

- de telefoon van die [aangever] uit zijn hand(en) heeft/hebben geslagen;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

1 Proces-verbaal van aangifte [aangever], met bijlagen, pagina 4 t/m 7.

2 Proces-verbaal van verhoor van getuige [aangever], opgemaakt door de rechter-commissaris d.d. 29 augustus 2013, pagina 2.

3 Proces-verbaal van aangifte [aangever], met bijlagen, pagina 7 en pagina 9.

4 Proces-verbaal van verhoor van getuige [aangever] door de rechter-commissaris op 29 augustus 2013.

5 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 12 en 13.

6 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 11.

7 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte], pagina 27.

8 Verklaring verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 29 oktober 2013.