Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:7836

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
12-11-2013
Datum publicatie
24-04-2014
Zaaknummer
16-600211-11 vordering tul
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vordering tul, tzt gewijzigd in vordering verlenging proeftijd en wijziging bijz voorw. Verlenging proeftijd toegewezen, wijz bijz vw afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/600211-11

Beslissing van de rechtbank Midden-Nederland, meervoudige kamer voor strafzaken, naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie in dit arrondissement d.d. 21 september 2013, ingekomen ter griffie van deze rechtbank op 23 september 2013, strekkende tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf, die is opgelegd bij het onherroepelijk geworden vonnis van de meervoudige strafkamer in deze rechtbank van 26 mei 2011, in de zaak tegen de veroordeelde:

[veroordeelde],

geboren op [1990] te [geboorteplaats] (Marokko),

verblijvende [woonplaats], [adres],

GBA adres: [woonplaats], [adres].

De rechtbank heeft acht geslagen op de zich in het dossier van de veroordeelde bevindende stukken, waaronder:

- het vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Utrecht d.d. 26 mei 2011;

- de mededeling voorwaardelijke veroordeling d.d. 15 juni 2012;

- de beslissing van de meervoudige kamer van deze rechtbank d.d. 5 februari 2013, inhoudende een wijziging van de opgelegde bijzondere voorwaarden;

- het advies tenuitvoerlegging van het Leger des Heils, afdeling Jeugdzorg & Reclassering d.d. 2 september 2013, opgemaakt door mw. M. Beunders, reclasseringswerker;

- de vordering van de officier van justitie d.d. 21 september 2013;

- de overige stukken;

Het onderzoek heeft plaatsgevonden ter zitting van 29 oktober 2013, waarbij zijn gehoord de officier van justitie, de veroordeelde en diens raadsvrouw, mr. M. Hoekzema, advocaat te Utrecht, alsmede M. Beunders, Leger des Heils.

OVERWEGINGEN

Aan veroordeelde is bij voormeld vonnis een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 90 dagen, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan 74 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met als bijzondere voorwaarden:

* dat veroordeelde het traject bij Exodus zal voortzetten zolang als deze instelling, dan wel de reclassering, dat nodig acht en zich te houden aan het (dag-) programma dat deze voorziening in overleg met de reclassering Leger des Heils opstelt;

* dat veroordeelde zich tijdens de proeftijd moet melden bij de reclassering Leger des Heils zo vaak als de reclassering dat nodig acht en zich moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de reclassering Leger des Heils;

Bij beslissing van de meervoudige kamer van deze rechtbank d.d. 5 februari 2013 zijn voornoemde bijzondere voorwaarden gewijzigd, in die zin dat deze komen te luiden:

- de veroordeelde moet zich tijdens de proeftijd melden bij de reclassering Leger des Heils zo vaak als de reclassering dat nodig acht en hij moet zich gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de reclassering Leger des Heils;

- de veroordeelde moet meewerken aan een persoonlijkheidsonderzoek bij De Waag of een soortgelijke instelling en meewerken aan een behandeling als dat nodig blijkt te zijn.

Mw. Beunders heeft ter zitting het advies van het Leger des Heils toegelicht. Veroordeelde heeft zich ondanks diverse waarschuwingen niet gehouden aan de gemaakte afspraken en de meldplicht. Ook na de wijziging van de bijzondere voorwaarden is hierin geen verbetering opgetreden. Na het mislukken van twee eerdere plaatsingen is veroordeelde vervolgens aangemeld bij De Waag. Nadat gebleken was dat de gesprekken niet goed verliepen is betrokkene recent aangemeld bij het FACT-team van De Waag. De Waag heeft aangegeven dat er gewerkt moet worden aan de financiële positie, woning, werk en opleiding van betrokkene. Tevens wordt gewerkt aan de dagbesteding van veroordeelde, waarbij met zijn depressieve klachten rekening moet worden gehouden. Een psychiatrisch onderzoek zal nog wel plaats moeten vinden. Mogelijk zal daaruit naar voren komen dat een klinische behandeling geïndiceerd is. Het contact tussen het FACT-team en betrokkene verloopt redelijk, maar het opbouwen van een vertrouwensband met veroordeelde kost tijd. Voorts moet men een beter beeld van veroordeelde krijgen en veroordeelde heeft daar zelf ook een rol in. Het contact tussen het FACT-team en veroordeelde is nog dermate kort dat er nog geen advies is uitgebracht.

Veroordeelde heeft nog maar kort contact met het FACT-team en het zal, mede gelet op de persoon van veroordeelde, geruime tijd duren voor dat alles op orde is op voornoemde gebieden. Het resterende deel van de proeftijd is daartoe niet toereikend. Begeleiding en behandeling in een vrijwillig kader is gelet op de persoon van veroordeelde, niet haalbaar. Veroordeelde heeft laten zien dat hij de structuur en begeleiding van de reclassering en De Waag nodig heeft. Het zal veroordeelde niet lukken om uit zichzelf verandering en verbetering in zijn situatie te brengen.

Het recidive risico wordt op dit moment ingeschat als hoog.

Het Leger des Heils adviseert de rechtbank derhalve de proeftijd te verlengen voor de duur van één jaar.

De officier heeft ter zitting zijn vordering gewijzigd en vordert thans de verlenging van de proeftijd. Voorts vordert de officier van justitie de wijziging van de bijzondere voorwaarden in die zin dat veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen van de reclassering/De Waag, ook als dit aanwijzingen betreft aangaande dagbesteding, opname in een kliniek en aanwijzingen omtrent zijn woon-/ of verblijfplaats.

De verdediging heeft primair aangevoerd dat de vordering tenuitvoerlegging afgewezen dient te worden. Veroordeelde heeft zich tot op heden redelijk aan de afspraken gehouden en er is thans nieuw en goed contact met het FACT-team.

Subsidiair is er geen noodzaak tot het wijzigen van de bijzondere voorwaarden, nu een concreet advies en derhalve de noodzaak daartoe ontbreekt. Het kan niet zo zijn dat bijzondere voorwaarden opgelegd worden omdat men verwacht dit in de toekomst wellicht nodig te hebben. Voorwaarden betreffende opname in een kliniek en aanwijzingen betreffende de woon-/verblijfplaats zijn daarvoor te ingrijpend.

Voorts is verlenging van de proeftijd niet aan de orde nu, aldus de verdediging, het nodige binnen de geldende proeftijd bereikt kan worden.

De rechtbank overweegt dat de aandachtsgebieden, waarop veroordeelde begeleiding en behandeling nodig heeft, bekend zijn. Veroordeelde staat aan het begin van het traject bij het FACT-team en er dient, naast een nog uit te voeren persoonlijkheidsonderzoek, op meerdere gebieden, nog veel te gebeuren.

De rechtbank is op basis van het vorenstaande van oordeel dat, mede gelet hetgeen daarover door M. Beunders naar voren is gebracht en de persoon van verdachte, het resterende deel van de proeftijd onvoldoende is om voldoende resultaten te behalen en het recidiverisico tot een aanvaardbaar niveau terug te brengen.

De rechtbank zal derhalve de proeftijd verlengen voor de duur van één jaar.

Voorts ziet de rechtbank geen aanknopingspunten de opgelegde bijzondere voorwaarden te wijzigen. Veroordeelde woont thans bij zijn vriendin en heeft ter zitting aangegeven geen bezwaar tegen huisbezoeken te hebben. Voorts heeft er nog geen persoonlijkheidsonderzoek plaatsgevonden en is nog niet bekend of een klinische opname noodzakelijk en wenselijk is. Naar het oordeel van de rechtbank bieden de thans geldende bijzondere voorwaarden voldoende ruimte om veroordeelde op dit moment te begeleiden en te behandelen.

De rechtbank zal de vordering van de officier van justitie op dit punt afwijzen.

DE BESLISSING

De rechtbank:

  • -

    wijst de vordering tot verlenging van de proeftijd toe en verlengt de proeftijd met één jaar;

  • -

    wijst de vordering tot wijziging van de bijzondere voorwaarden af.

Deze beslissing is gegeven door mr. G.A. Bos, voorzitter, mr. E.A.A. van Kalveen en

mr. P.J.M. Mol, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier G. van Engelenburg en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 12 november 2013.

Mr. G.A. Bos is niet in de gelegenheid deze beslissing mee te ondertekenen.