Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:7816

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
13-12-2013
Datum publicatie
16-04-2014
Zaaknummer
16-206258-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

mishandeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/206258-12 (P)

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 13 december 2013

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats](Marokko) op [1983],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 18 september 2013 door de meervoudige kamer voor strafzaken inhoudelijk behandeld. Het onderzoek is heropend bij tussenvonnis van 2 oktober 2013 teneinde getuigen bij de rechter-commissaris te laten horen. De inhoudelijke behandeling van de zaak werd op 29 november 2013 hervat in een deels gewijzigde samenstelling.

Verdachte is niet verschenen ter terechtzitting van 29 november 2013. Als raadsman is ter terechtzitting verschenen mr. E.H. Bokhorst die verklaart uitdrukkelijk te zijn gemachtigd de verdediging te voeren.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat de raadsman naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

- op 4 oktober 2012 [slachtoffer] heeft mishandeld.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft gepleegd. De officier van justitie baseert zich daarbij op de verklaring van verdachte, de verklaring van getuige [getuige]en het letsel, zoals blijkt uit de medische verklaring en de foto’s.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman voert aan dat verdachte erkent aangever te hebben geslagen en geschopt, maar dat verdachte zich slechts heeft verdedigd tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van aangever. De raadsman doet namens verdachte een beroep op noodweer.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1

Aangever [slachtoffer] heeft verklaard dat hij op 4 oktober 2013 aanwezig was in een café aan de Van Galenstraat in Amersfoort. Aangever zag dat verdachte zijn vuisten balden en hem twee of drie klappen gaf. Aangever viel door de klappen en was duizelig en voelde pijn. Aangever voelde dat hij nog meer schoppen en klappen kreeg.2

Verdachte heeft verklaard dat hij aangever [slachtoffer] met zijn rechtervuist heeft geslagen en hem hierbij schampte op zijn gezicht. Verdachte heeft aangever vervolgens met zijn rechtervuist met al zijn kracht op zijn gezicht geslagen. Verdachte heeft aangever een schop gegeven.3

Bij controle in het Meander Medisch Centrum is vastgesteld dat [slachtoffer] een hematoom ter plaatse van het voorhoofd en de linkeroorschelp had.4

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4.3 genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

op 4 oktober 2012 te Amersfoort opzettelijk [slachtoffer] heeft mishandeld, bestaande die mishandeling uit slaan/stompen en schoppen tegen het hoofd en het lichaam van voornoemde [slachtoffer], waardoor voornoemde [slachtoffer] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

6.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie voert aan dat verdachte een geslaagd beroep kan doen op noodweer en vordert dat verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft namens verdachte een beroep gedaan op noodweer. De raadsman heeft hierbij aangevoerd dat aangever verdachte heeft beledigd waarop verdachte hem een duw heeft gegeven tegen het voorhoofd. Aangever heeft verdachte vervolgens vastgepakt en bedreigd met de dood. Aangever bleef hierbij rommelen in zijn broekzak. Verdachte voelde zich hierdoor bedreigd, waarop hij aangever sloeg. Het gedrag en de uitlatingen van aangever rechtvaardigen het door verdachte gebruikte geweld. De verdediging is daarom van mening dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

De raadsman heeft namens verdachte een beroep gedaan op noodweer. Daarmee ligt de vraag ter beoordeling of de voorwaarden voor de aanvaarding van het beroep op noodweer zijn vervuld. Daartoe is vereist dat een feit wordt begaan, geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding.

Voor de vraag of er sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, acht de rechtbank het volgende van belang.

De rechtbank volgt bij de vaststelling van de feiten de verklaring van verdachte, nu deze verklaring voor wat betreft de gang van zaken voordat het incident plaatsvond en het verloop van de vechtpartij grotendeels steun vindt in de verklaring van getuige [getuige]. De rechtbank acht deze verklaringen betrouwbaar en geloofwaardig.

Op grond van de verklaring van verdachte en de getuige[getuige]stelt de rechtbank het volgende vast. Op 4 oktober 2012 waren aangever [slachtoffer] en verdachte in het café. Verdachte raakte met aangever in gesprek. Aangever deed een uitspraak die door verdachte als beledigend en vernederend werd ervaren. Verdachte gaf aangever een duw tegen het voorhoofd met zijn vlakke hand. Verdachte zag dat aangever met zijn rechterhand in zijn rechterbroekzak zat alsof hij iets hieruit wilde pakken. Verdachte werd bang. Hij vertrouwde het niet. Verdachte liep naar achteren, maar aangever bleef aan verdachte plakken en achter hem aanlopen. Verdachte hoorde dat aangever meermalen zei: “Als je dat de volgende keer doet, dan maak ik je dood”. Verdachte zag dat aangever nog steeds met zijn hand in zijn rechterbroekzak zat. Verdachte dacht dat aangever iets in zijn rechterzak had, waarmee hij hem iets aan wilde doen. Verdachte zag dat aangever zijn hand zodanig uit zijn zak haalde dat zijn hand dicht was. Verdachte was bang. Hij aarzelde niet en sloeg aangever met zijn rechtervuist. Hierbij schampte hij aangever op zijn gezicht. Er ontstond een worsteling tussen verdachte en aangever. Verdachte voelde tijdens de worsteling dat aangever hem overal probeerde te steken en te snijden. Verdachte voelde dat aangever hem aan de linkerzijde van zijn gezicht had gesneden, waarop verdachte aangever met kracht een vuistslag in het gezicht gaf. Aangever kwam hierdoor ten val. Verdachte probeerde weg te rennen, maar aangever klemde zijn armen om de linkerbeen van verdachte. Verdachte voelde dat er meermalen iets in zijn been/kuit gestoken werd en voelde vervolgens snijbewegingen. Verdachte gaf aangever hierop een schop.

Op grond van het vorenstaande is naar het oordeel van de rechtbank sprake geweest van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding door aangever [slachtoffer]. Onder het begrip aanranding als bedoeld in artikel 41 Wetboek van Strafrecht moeten immers niet alleen gedragingen worden begrepen die als een daadwerkelijke aantasting van lijf, eerbaarheid of goed kunnen worden beschouwd, maar ook gedragingen die een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor opleveren. De bedreiging met de dood en daarbij met de hand in de broekzak voelen, een gesloten hand uit de broekzak halen en dicht achter verdachte aanlopen waren gedragingen die een dergelijk gevaar voor het lichaam van verdachte betekende. Tegen dit onmiddellijk dreigend gevaar heeft verdachte zich in redelijkheid moeten en mogen verdedigen. Met de slagbeweging met de vuist ter afwering van dit gevaar heeft verdachte, naar het oordeel van de rechtbank, jegens aangever geen disproportioneel geweld gebruikt.

De rechtbank is van oordeel dat de situatie van de noodzakelijke verdediging niet voorbij was nadat verdachte de eerste slagbeweging die het gezicht van aangever schampte, had gemaakt. Verdachte is na dat moment immers door aangever met een scherp voorwerp in zijn gezicht gesneden en in zijn linkerbeen gestoken en gesneden. Voor verdachte was dit een situatie waarin het noodzakelijk was zichzelf te verdedigen tegen aangever.

De rechtbank concludeert dat het feit niet strafbaar is, omdat is gebleken van een omstandigheid die de strafbaarheid van het feit uitsluit. Het beroep op noodweer slaagt, zodat verdachte zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

7 Ten aanzien van de benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 250,00.

Verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging voor het feit waaruit schade zou zijn ontstaan. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering.

8 Beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Strafbaarheid

Verklaart verdachte voor het bewezene niet strafbaar en ontslaat hem van alle rechtsvervolging ter zake daarvan.

Benadeelde partij

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat deze vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Veroordeeld de benadeelde partij [slachtoffer] in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.P.C.M. Waarts, voorzitter, mrs. P.K. van Riemsdijk en G.D. Kleijne, rechters, in tegenwoordigheid van drs. E.M.S. Arduin, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 13 december 2013.

Mr. G.D. Kleijne is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE: De tenlastelegging

hij op of omstreeks 4 oktober 2012 te Amersfoort, in elk geval in Nederland,

opzettelijk [slachtoffer] heeft mishandeld, bestaande die mishandeling uit het

éénmaal of meermalen slaan/stompen en/of schoppen/trappen tegen het hoofd

en/of het lichaam van voornoemde [slachtoffer], waardoor voornoemde [slachtoffer] letsel heeft

bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] nr. PL0940 2012222290-1, blz. 51 van het proces-verbaal nr. nr. PL0940/2012221301.

3 Proces-verbaal van aangifte van [verdachte]nr. PL0940 2012221649-1, blz. 56 van het proces-verbaal nr. PL0940/2012221301.

4 Verklaring van dr. E.C.J. Consten, chirurg bij het Meander Medisch Centrum, opgemaakt en ondertekend op 15 oktober 2012, blz. 167 van het proces-verbaal nr. PL0940/2012221301B.