Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:7763

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
03-12-2013
Datum publicatie
04-03-2014
Zaaknummer
357496 / HA RK13-319
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingszaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN NEDERLAND

Locatie: Utrecht

Rekestnummer: 357496 / HA RK13-319

Zaaknummer: WK2013/040

beslissing van 3 december 2013 van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken,

op het verzoek in de zin van artikel 36 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verder te noemen, verzoeker.

1 De procedure

1.1.

Bij de rechtbank Midden-Nederland, afdeling Civiel recht, locatie Amersfoort, is tussen verzoeker en de Vereniging van Eigenaars Appartementencomplex [appartementencomplex] een procedure aanhangig met zaaknummer 2029290 AE VERZ 13-96. De zaak is in behandeling bij kantonrechter mr. H. Phaff. De mondelinge behandeling van deze zaak heeft plaatsgevonden op 10 oktober 2013.

1.2.

Op 10 oktober 2013 heeft verzoeker mr. Phaff gewraakt. Dat wrakingsverzoek is geregistreerd onder rekestnummer 354572/ HA RK 13-286. Op 20 november 2013 heeft de wrakingskamer het verzoek afgewezen.

1.3.

Op 21 november 2013 heeft verzoeker een tweede verzoek tot wraking van mr. Phaff ingediend.

1.4.

Mr. Phaff heeft niet in de wraking berust. Zij heeft schriftelijk op het wrakingsverzoek gereageerd. Daarbij heeft zij vermeld niet aanwezig te zijn bij een mondelinge behandeling.

1.5.

De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek heeft op 3 december 2013 plaatsgevonden. Ter zitting is verzoeker verschenen, bijgestaan door [A]. Voorts is verschenen [B], voormalig voorzitter van de VVE als belangstellende

1.6.

Ter zitting heeft verzoeker de leden van deze wrakingskamer gewraakt, waarna de voorzitter de behandeling ter zitting voor een korte tijd heeft geschorst om zich te beraden.

1.7.

Na de schorsing heeft de wrakingskamer het verzoek tot wraking van de wrakingskamer buiten behandeling gesteld. De wrakingskamer heeft daarbij gewezen op de beslissing van een eerdere wrakingskamer van 19 november 2013 (356782/ HA RK 13-308) op een eerder verzoek van wraking van de leden van een andere wrakingskamer en waarbij is bepaald dat verdere verzoeken van verzoeker tot wraking van leden van de rechtbank belast met de behandeling van het wrakingsverzoek met rekestnummer 354572/HA RK 13-286 niet in behandeling worden genomen. Nu sprake is van dezelfde procedure, met rekestnummer 354572 / HA RK 13-286, heeft de wrakingskamer onder verwijzing naar de eerdere beslissing het verzoek tot wraking van de wrakingskamer buiten behandeling gesteld.

1.8.

De wrakingskamer heeft vervolgens ter zitting de behandeling van het tweede verzoek tot wraking van mr. Phaff hervat.

1.9.

Na afloop heeft de wrakingskamer mondeling uitspraak gedaan.

2 Het wrakingsverzoek

Verzoeker baseert zich voor zijn verzoek tot wraking van mr. Phaff op de reactie van mr. Phaff op het eerste wrakingsverzoek. Verzoeker betoogt dat de reactie bevestigt dat mr. Phaff partijdig is. Dat is volgens hem een nieuw feit.

3 De beoordeling

3.1.

Artikel 36 Rv bepaalt dat op verzoek van een partij de rechter die een zaak behandelt kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

3.2.

Artikel 37 Rv bepaalt dat het verzoek dient te worden gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden. Alle feiten of omstandigheden moeten tegelijk worden voorgedragen. Ook is in dit artikel bepaald dat een volgend verzoek tot wraking van dezelfde rechter niet in behandeling wordt genomen, tenzij feiten of omstandigheden worden voorgedragen die pas na het eerdere verzoek aan de verzoeker bekend zijn geworden.

3.3.

De wrakingskamer stelt vast dat in het wrakingsverzoek geen sprake is van feiten of omstandigheden die pas na het eerste wrakingsverzoek aan verzoeker bekend zijn geworden. Het door verzoeker aangevoerde ziet op een toelichting van mr. Phaff in de eerdere wrakingsprocedure en betreft geen nieuw feit zoals in de wet is bedoeld. Het verzoek wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard.

3.4.

In de hoofdzaak is het de tweede keer dat verzoeker een niet geslaagd wrakingsverzoek heeft ingediend. De wrakingskamer ziet thans aanleiding toepassing te geven aan artikel 39, vierde lid, Rv. Een volgend wrakingsverzoek van verzoeker, betrekking hebbend op de procedure met zaaknummer 2029290 AE VERZ 13-96, zal niet in behandeling worden genomen. De reden hiervan is dat in het belang van de voortgang van die procedure voorkomen moet worden dat verzoeker door een hernieuwd wrakingsverzoek misbruik maakt van het wrakingsmiddel.

4 De beslissing

De rechtbank:

4.1.

verklaart het verzoek tot wraking van mr. Pfaff niet-ontvankelijk;

4.2.

bepaalt dat een volgend verzoek van verzoeker tot wraking in de procedure 2029290 AE VERZ 13-96 niet in behandeling wordt genomen;

4.3.

draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te zenden aan verzoeker, mr. Phaff, alsmede aan de voorzitter van de afdeling civiel en de president van deze rechtbank;

4.4.

bepaalt dat de hoofdzaak dient te worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.

Deze beslissing is gegeven door mr. J. Sap, voorzitter, mr. A. van Holten en mr. G. Perrick, leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. M.S.D. de Weerd als griffier en in het openbaar uitgesproken op 3 december 2013.

griffier voorzitter