Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:7752

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
04-12-2013
Datum publicatie
15-04-2016
Zaaknummer
C-16-350112 - HA ZA 13-583
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Tussenbeschikking
Inhoudsindicatie

Bevoegdheidsincident. Arbitragebeding niet van toepassing op lidmaatschapsverhouding met coöperatie, wel op uitkoopregeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/1142

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/350112 / HA ZA 13-583

Vonnis in incident van 4 december 2013

in de zaak van

[eiser in hoofdzaak/verweerder in het incident] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser in de hoofdzaak,

verweerder in het incident,

advocaat mr. J. Verhoeven,

tegen

naamloze vennootschap

KONINKLIJKE FRIESLANDCAMPINA N.V.,

gevestigd te Amersfoort,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat mr. J.P.M. Borsboom.

Partijen zullen hierna [eiser in hoofdzaak/verweerder in het incident] en FrieslandCampina genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties,

  • -

    de incidentele conclusie tot onbevoegdverklaring,

  • -

    de incidentele conclusie van antwoord.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 Feiten

2.1.

[eiser in hoofdzaak/verweerder in het incident] exploiteert een melkveehouderij. [eiser in hoofdzaak/verweerder in het incident] was lid van de (rechtsvoorganger van) de zuivelcoöperatie FrieslandCampina.

2.2.

Zuivelcoöperatie FrieslandCampina U.A. (de Coöperatie) is de rechtsopvolger van Zuivelcoöperatie Friesland Foods U.A. en Zuivelcoöperatie Campina U.A.

Koninklijke FrieslandCampina N.V. (de Holding) is de rechtsopvolger van Campina B.V. en Koninklijke Friesland Foods. In verband met een door de Europese Commissie gestelde voorwaarde voor goedkeuring van de fusie tussen de bedrijven van Campina en Friesland Foods is voor de leden van de Coöperatie voorzien in een vertrekregeling. De uitvoering van de vertrekregeling is opgedragen aan de Stichting Dutch Milk Foundation (DMF). Volgens de Statuten heeft DMF ten doel op te treden als onafhankelijke organisatie in verband met de in het kader van de fusie aan de coöperatie en de Holding opgelegde verplichtingen. In artikel 3 van de Statuten is onder het kopje “Doel” de volgende taakstelling van DMF vermeld:

a. op te treden als betaalagent voor de Coöperatie en in die hoedanigheid aan leden van de Coöperatie een financiële vergoeding (de Vertrekpremie) te betalen bij beëindiging van het lidmaatschap van de Coöperatie (…)

(…)

c.
(ii) terugbetalingen te ontvangen van voormalig leden van de Coöperatie die als lid van de Coöperatie terugkeren of die hun productie van boerderijmelk binnen een bepaalde periode staken (…)

In artikel 4 onder het kopje “Geldmiddelen” is vermeld:

Het tot verwezenlijking van het doel van de stichting bestemde vermogen wordt ondermeer gevormd door vergoedingen die de stichting ontvangt van de Coöperatie en de Holding teneinde de stichting in staat te stellen haar taken als vermeld in artikel 3 uit te kunnen voeren

2.3.

[eiser in hoofdzaak/verweerder in het incident] heeft door ondertekening van een “Aanvraagformulier Vertrekregeling Zuivelcoöperatie FrieslandCampina U.A.” (hierna: het aanvraagformulier) verzocht om uitbetaling van de premie in het kader van de vertrekregeling. In het aanvraagformulier is het volgende opgenomen:

“ Ondergetekende(n)

1. (…)

2 verklaart/verklaren

. (…)

. De ontvangen premie naar evenredigheid te zullen terugbetalen:

- Indien aanvrager of zijn rechtsopvolger(s) (…)

het bedrijf beëindigt dan wel de productie met meer dan 30% vermindert ten opzichte van de hoeveelheid melk waarover vertrekpremie werd betaald;


. (…)

. Er mee in te stemmen dat (i) alle geschillen die mochten ontstaan naar aanleiding van de onderhavige aanvraag dan wel van andere aanvragen, die daarvan het gevolg mochten zijn, zullen worden beslecht door middel van een arbitrage overeenkomstig het Arbitrage Reglement van het Nederlands Arbitrage Instituut (ii) het scheidsgerecht uit drie arbiters zal bestaan, tenzij alle betrokken partijen er mee instemmen dat het geschil door slechts één arbiter wordt behandeld (iii) de plaats van arbitrage zal zijn gelegen in Amsterdam (iv) de procedure zal worden gevoerd in de Nederlandse taal en (v) het scheidgerecht zal beslissen naar de regelen des rechts.

De toelichting aanvraagformulier en voorwaarden vertrekregeling vermeldt:

“(…)

Bij eventuele geschillen zijn de door FrieslandCampina met de Europese Commissie in het kader van de fusie gemaakte afspraken (Raw Milk Remedies) leidraad. De geschillen die samenhangen met een aanvraag onder de vertrekregeling zijn onderworpen aan arbitrage.”

2.4.

Bij brief van 10 februari 2012 heeft DMF aan [eiser in hoofdzaak/verweerder in het incident] meegedeeld dat uit controle is gebleken dat zijn bedrijf ten tijde van de aanvraag van de vertrekpremie al was beëindigd en dus niet voldeed aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor deze premie. In deze brief vermeldt DMF voorts:

“Conform de voorwaarden heeft u zich verbonden tot terugbetaling van de uitgekeerde premie indien niet aan de voorwaarden wordt voldaan.

Voor de goede orde wijzen wij u erop dat geschillen die samenhangen met een aanvraag onder de vertrekregeling Zuivelcoöperatie FrieslandCampina U.A. zijn onderworpen aan arbitrage.

Invordering ten behoeve van FrieslandCampina:

DMF verzoekt u binnen 2 weken na dagtekening van deze brief € 31.239,90 over te maken (…)”

2.5.

Bij brief van 18 juni 2012 heeft FrieslandCampina aan [eiser in hoofdzaak/verweerder in het incident] meegedeeld:

“(…)

Inmiddels is de gestelde termijn tot betaling verstreken.

DMF die namens FrieslandCampina belast is met de uitvoering van de vertrekregeling, legt op basis van artikel 6.6 Reglement Vertrekregeling de verdere invordering terug bij FrieslandCampina.

FrieslandCampina verzoekt u binnen twee weken na dagtekening van deze brief € 31.239,90 over te maken (…)”

2.6.

Op 29 juni 2012 heeft [eiser in hoofdzaak/verweerder in het incident] , in verband met de beëindiging van zijn lidmaatschap, 986 obligaties (uitgegeven op naam door Zuivelcoöperatie Campina U.A, hierna: de obligaties) ter waarde van in totaal € 51.880,11 verkocht aan FrieslandCampina. FrieslandCampina heeft in verband met deze verkoop een bedrag van € 20.640,21 aan [eiser in hoofdzaak/verweerder in het incident] betaald en het restant bedrag (€ 31.239,90) verrekend met de vertrekpremie.

2.7.

Bij brief van 16 oktober 2012 heeft FrieslandCampina aan [eiser in hoofdzaak/verweerder in het incident] meegedeeld:

“Gelet op de formulering van uw bezwaar tegen de verrekening door FrieslandCampina van vorderingen over en weer is de grondslag van uw bezwaar kennelijk gelegen in het feit dat uw cliënt het niet eens is met de beslissing van DMF, vermeld in haar brief van 10 februari 2012 (…)

Met betrekking tot de vraag of FrieslandCampina mag verrekenen, delen wij u mede dat Zuivelcoöperatie FrieslandCampina U.A. op grond van de statuten (artikel 11, lid 2) en de leveringsovereenkomst (artikel 3. lid 3) bevoegd is te verrekenen met al hetgeen zij uit welke hoofde ook van een lid te vorderen heeft of zal krijgen (…)”

2.8.

Bij brief van 8 april 2013 aan DMF heeft [eiser in hoofdzaak/verweerder in het incident] het hiervoor in 2.3 vermelde arbitragebeding buitengerechtelijk vernietigd.

3 De vordering in de hoofdzaak

3.1.

In de hoofdzaak vordert [eiser in hoofdzaak/verweerder in het incident] - kort samengevat - dat FrieslandCampina wordt veroordeeld tot betaling aan hem van een bedrag van € 31.239,90. [eiser in hoofdzaak/verweerder in het incident] legt aan deze vordering ten grondslag dat FrieslandCampina niet gerechtigd was tot verrekening van het bedrag van de vertrekpremie (€ 31.239,90) met de aan hem uit te betalen koopsom voor de obligaties. In de dagvaarding betoogt [eiser in hoofdzaak/verweerder in het incident] dat hij niet is gebonden aan het arbitragebeding, aangezien hij dit buitengerechtelijke heeft vernietigd vanwege het onredelijk bezwarend zijn van dit beding.

4 De beoordeling in het incident

4.1.

FrieslandCampina vordert dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart. FrieslandCampina legt aan haar vordering ten grondslag dat betreffende de materie die aan de vordering van [eiser in hoofdzaak/verweerder in het incident] ten grondslag ligt een rechtsgeldig arbitragebeding is overeengekomen.

4.2.

[eiser in hoofdzaak/verweerder in het incident] betwist primair dat er tussen hem en FrieslandCampina een arbitragebeding is overeengekomen. Hij betoogt daartoe dat in de hoofdprocedure geen uitbetaling van de verschuldigde vertrekpremie wordt gevorderd, maar betaling van hetgeen FrieslandCampina aan hem verschuldigd is uit hoofde van de verkoop van de 986 obligaties. In deze rechtsbetrekking in het kader van de verkoop en afrekening van de obligaties is volgens [eiser in hoofdzaak/verweerder in het incident] geen arbitragebeding overeengekomen. Subsidiair stelt [eiser in hoofdzaak/verweerder in het incident] dat het arbitragebeding niet geldt, aangezien hij dit in zijn brief van 8 april 2013 heeft vernietigd vanwege het onredelijk bezwarend karakter daarvan.

4.3.

De rechtbank zal uit oogpunt van overzichtelijkheid hierna eerst het subsidiaire verweer van [eiser in hoofdzaak/verweerder in het incident] behandelen dat is gebaseerd op zijn stelling dat het arbitragebeding onredelijk bezwarend is. Vervolgens zal de rechtbank het primaire verweer beoordelen dat het arbitrale beding geen gelding heeft in de rechtsverhouding waarop [eiser in hoofdzaak/verweerder in het incident] zijn vordering in de hoofdzaak heeft gebaseerd. Ten slotte zal de rechtbank samenvatten welke consequenties een en ander heeft voor de beoordeling van het geschil tussen partijen de hoofdzaak.

Het arbitragebeding

4.4.

De rechtbank overweegt dat het betoog van [eiser in hoofdzaak/verweerder in het incident] dat het arbitragebeding slechts gelding zou hebben in zijn rechtsverhouding met DMF, niet opgaat. DMF is weliswaar een onafhankelijk stichting, maar dit laat onverlet dat DMF haar werkzaamheden namens FrieslandCampina en voor rekening en risico van FrieslandCampina uitvoert. Zo blijkt uit de taakstelling in artikel 3 van de Statuten van DMF (zie hiervoor in 2.2) dat zij controlerende en toezichthoudende taken heeft over de vraag of een coöperatielid al of niet voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking komt voor een vertrekpremie en dat zij fungeert als “betaalagent” van de Coöperatie voor het uitbetalen van de vertrekpremie en het terugontvangen van de uitbetaalde premie indien niet langer aan de voorwaarden wordt voldaan. Verder blijkt uit artikel 4 van de Statuten van DMF dat de geldmiddelen voor de vertrekregeling afkomstig zijn van FrieslandCampina (de Holding en de Coöperatie). Het aanvraagformulier voor de vertrekregeling heeft als titel “Aanvraagformulier voor een “vertrekregeling Zuivelcoöperatie FrieslandCampina U.A.” Door ondertekening is [eiser in hoofdzaak/verweerder in het incident] dan ook jegens FrieslandCampina gebonden aan het arbitragebeding zoals op het formulier is vermeld. [eiser in hoofdzaak/verweerder in het incident] kan FrieslandCampina daarom niet tegenwerpen dat zij zich aangaande een geschil over de vertrekpremie beroept op het arbitragebeding.

4.5.

Het arbitragebeding in het kader van de vertrekregeling bepaalt dat de geschillen naar aanleiding van de aanvraag dienen te worden beslecht door middel van het Reglement van het Nederlands Arbitrage Instituut, waarbij het scheidsgerecht in beginsel uit drie arbiters zal bestaan. Een arbitragebeding komt niet voor op de zwarte lijst van artikel 6:236 BW. [eiser in hoofdzaak/verweerder in het incident] stelt dat het wel een beding is in de zin van onderdeel q van de bijlage bij Richtlijn 93/13/EEG van 5 april 1993 (hierna: de Richtlijn) namelijk een beding dat tot doel of gevolg heeft “het indienen van beroep of het instellen van een rechtsvordering door de consument te beletten of te belemmeren, met name door de consument te verplichten zich uitsluitend tot een niet onder een wettelijke regeling ressorterend scheidsgerecht te wenden”. Een dergelijk beding kan uit hoofde van artikel 3 lid 3 van de richtlijn als oneerlijk worden beschouwd als het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen ten nadele van de consument ernstig verstoort. De nationale rechter dient te bepalen of een beding als oneerlijk dient te worden beschouwd.

4.6.

[eiser in hoofdzaak/verweerder in het incident] heeft de aanvraag voor de vertrekregeling ondertekend in het kader van de uitoefening van zijn melkveehouderij en niet als consument. De Richtlijn is op hem dus niet rechtstreeks van toepassing. [eiser in hoofdzaak/verweerder in het incident] heeft geen bijzondere omstandigheden gesteld op grond waarvan hij voor toepassing van de Richtlijn gelijk gesteld kan worden met een consument. De omstandigheid dat het gaat om een relatief klein melkveebedrijf waarvan de jaaromzet in vergelijking met die van FrieslandCampina in het niet valt, zoals [eiser in hoofdzaak/verweerder in het incident] stelt, is daarvoor onvoldoende reden.

4.7.

Getoetst aan de open norm van artikel 6:233 aanhef en onder a, Burgerlijk Wetboek (BW) is de rechtbank van oordeel dat hetgeen [eiser in hoofdzaak/verweerder in het incident] heeft aangevoerd onvoldoende is voor het oordeel dat het arbitragebeding voor hem, als relatief kleine wederpartij, onredelijk bezwarend is. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat [eiser in hoofdzaak/verweerder in het incident] in het kader van zijn melkveehouderij geacht moet worden enige ervaring te hebben met het aangaan van contracten. Het gaat hier om een zeer overzichtelijk contract waarin het arbitragebeding duidelijk is geformuleerd en is geplaatst op een in het oog springende plaats. De stelling van [eiser in hoofdzaak/verweerder in het incident] dat hij zich de consequenties van de ondertekening van het aanvraagformulier met de daarin opgenomen arbitragebeding niet heeft gerealiseerd is dan ook niet geloofwaardig. De omstandigheid dat [eiser in hoofdzaak/verweerder in het incident] geen andere keus had dan ondertekening van het formulier, als gevolg waarvan hij zich aan het arbitragebeding heeft gebonden, is op zichzelf geen reden om te oordelen dat het beding onredelijk bezwarend is vanwege de totstandkoming. Het is immers inherent aan een als algemene voorwaarde aan te merken arbitragebeding dat daarover niet afzonderlijk kan worden onderhandeld. Voorts is van belang dat de arbitrageprocedure een door de wetgever aanvaarde wijze van geschilbeslechting is en het Nederlands Arbitrage Instituut algemeen erkend is. Het lag dan ook op de weg van [eiser in hoofdzaak/verweerder in het incident] concreet te onderbouwen om welke reden het overeengekomen arbitragebeding in de gegeven omstandigheden voor zijn bedrijf onredelijk bezwarend is. [eiser in hoofdzaak/verweerder in het incident] heeft echter slechts in algemene zin bezwaren geuit tegen geschilbeslechting door middel van arbitrage. Het feit dat arbitrage in de regel kostbaar is, is onvoldoende om aan te nemen dat het beding in dit geval onredelijk bezwarend is. Gesteld noch gebleken is dat de kosten dermate hoog zijn dat als gevolg daarvan het voeren van de arbitrageprocedure geheel onmogelijk wordt gemaakt. Voorts is het ontbreken van hoger beroep voor de wetgever kennelijk geen reden geweest om het arbitragebeding als onredelijk bezwarend aan te merken en op de zwarte lijst te plaatsen, zodat het door [eiser in hoofdzaak/verweerder in het incident] op dit punt geuite bezwaar evenmin doel treft.

4.8.

Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat in het kader van de vertrekregeling rechtsgeldig tussen partijen een arbitragebeding geldt en dat [eiser in hoofdzaak/verweerder in het incident] aan dit beding is gebonden.

De bevoegdheidsvraag betreffende de vordering in de hoofdzaak

4.9.

Het voorgaande leidt er gelet op het primaire verweer echter niet toe dat de rechtbank zich onbevoegd dient te verklaren in het door [eiser in hoofdzaak/verweerder in het incident] in de hoofdzaak aanhangig gemaakte geschil. De grondslag van de vordering van [eiser in hoofdzaak/verweerder in het incident] is de volgens hem onterechte verrekening door FrieslandCampina van de vertrekpremie met de koopsom van de obligaties. Deze rechtsverhouding wordt beheerst door de regels van koop en verkoop en/of de regels betreffende het lidmaatschap van de Coöperatie. De omstandigheid dat de verkoop van de obligaties in dit geval verband houdt met de, door de vertrekregeling ingegeven, beëindiging van het lidmaatschap van de Coöperatie maakt dit niet anders. Gesteld noch gebleken is dat het overeengekomen arbitragebeding zich ook kan uitstrekken tot andere met het lidmaatschap van de Coöperatie samenhangende rechtsbetrekkingen dan geschillen die zijn ontstaan naar aanleiding van de aanvraag voor een vertrekpremie.

slotsom

4.10.

Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat aangaande de vraag of het geschil tussen partijen is onderworpen aan arbitrage het volgende onderscheid moet worden gemaakt:

1. Het geschil over de vraag of [eiser in hoofdzaak/verweerder in het incident] al of niet voldoet aan de voorwaarden voor de vertrekregeling en om die reden de vertrekpremie aan FrieslandCampina moet terugbetalen. De rechtsverhouding tussen [eiser in hoofdzaak/verweerder in het incident] en FrieslandCampina wordt op dit punt beheerst door de vertrekregeling in welk kader een arbitragebeding is overeengekomen en

2. Het geschil betreffende de vraag of FrieslandCampina bevoegd was tot verrekening van de koopsom voor de obligaties. De rechtsverhouding tussen [eiser in hoofdzaak/verweerder in het incident] en FrieslandCampina in dit geschil wordt beheerst door de lidmaatschapsverhouding, waarvan niet is komen vast te staan dat deze is onderworpen aan arbitrage.

4.11.

Op grond van het voorgaande dient de incidentele vordering tot onbevoegdverklaring afgewezen te worden.

4.12.

Nu [eiser in hoofdzaak/verweerder in het incident] zich in de dagvaarding uitdrukkelijk heeft beroepen op de buitengerechtelijke vernietiging van het arbitragebeding en daarmee FrieslandCampina op het verkeerde been heeft gezet , ziet de rechtbank aanleiding de kosten van het incident te compenseren in die zin dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

4.13.

Het voorgaande leidt tot de volgende situatie. In de hoofdzaak dient de rechtbank te beoordelen of was voldaan aan de vereisten voor verrekening van de vordering van € 51.880,11 (de koopprijs van de obligaties) van [eiser in hoofdzaak/verweerder in het incident] op FrieslandCampina met de vermeende vordering van FrieslandCampina op [eiser in hoofdzaak/verweerder in het incident] vanwege de vertrekpremie. Indien FrieslandCampina daartoe niet bevoegd was, dient de vordering van [eiser in hoofdzaak/verweerder in het incident] in de hoofdzaak te worden toegewezen, nu de hoogte van de koopsom geen punt van geschil is. Indien komt vast te staan dat FrieslandCampina in beginsel tot verrekening bevoegd was dient beoordeeld te worden of de grondslag van haar verrekening (de verplichting van [eiser in hoofdzaak/verweerder in het incident] tot terugbetaling van de vertrekpremie) stand kan houden. Die inhoudelijke vraag is echter ter beoordeling van de arbiters.

5 De beslissing

De rechtbank

in het incident

5.1.

wijst het gevorderde af,

5.2.

compenseert de kosten van het incident tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

in de hoofdzaak

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 18 december 2013 voor conclusie van antwoord.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.S. Penders en in het openbaar uitgesproken op 4 december 2013.1

1 type: SM 4183 coll: