Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:7665

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
02-12-2013
Datum publicatie
28-01-2014
Zaaknummer
16-202045-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep op art 5b Lpw uitgebreid gemotiveerd verworpen.

Wetsverwijzingen
Leerplichtwet 1969
Leerplichtwet 1969 2
Leerplichtwet 1969 5
Leerplichtwet 1969 8
Leerplichtwet 1969 26
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2014/52

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Sector kanton

Locatie Utrecht

Parketnummer: 16-202045-13

Verkort vonnis van 2 december 2013 van de kantonrechter in bovengenoemde rechtbank op tegenspraak gewezen in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats],

wonende te [adres],[postcode] [woonplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

2 december 2013.

De tenlastelegging

Overeenkomstig de dagvaarding, inhoudende dat:

hij in of omstreeks de periode van 1 maart 2013 tot en met 20 juli 2013 te Lopik, althans in Nederland als degene die het gezag uitoefende over de jongere [minderjarige], geboren op [geboortedatum 2], althans als degene die zich met de feitelijke verzorging van de voornoemde jongere had belast, niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969 te zorgen dat voornoemde jongere als leerling van een school, stond ingeschreven.

De bewezenverklaring

Het verweer

Verdachte beroept zich op de vrijstelling in artikel 5 aanhef en onder b van de Leerplichtwet (hierna: Leerplichtwet).

De beoordeling

De kantonrechter zal beoordelen of verdachte een beroep op de hiervoor reeds genoemde vrijstelling toekomt.

Verdachtes zoon is ingeschreven bij de [school] te [plaats]. Ondanks enige aarzelingen over de aansluiting tussen zijn levensovertuiging en de school, heeft zijn zoon na zijn vierde verjaardag in februari 2012 die school bezocht. Verdachte ervoer een kloof tussen de levensovertuiging in het gezin en de normen en waarden op school. Hij vond dat zijn zoon daar onder leed. Na de zomervakantie is de inschrijving beëindigd. Sindsdien is zijn zoon niet meer naar school gegaan. Op 12 juni 2012 hebben ouders de leerplichtambtenaar van de uitschrijving op de hoogte gebracht. Ouders hebben de gemeente bericht dat zij zich beroepen op richting bezwaar als bedoeld in artikel 5 b van de Leerplichtwet.

Met de leerplichtambtenaar heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld, dat artikel 8, tweede lid van de Leerplichtwet, aan een dergelijke beroep in de weg staat. In artikel 8, tweede lid van de Leerplichtwet is bepaald dat een beroep op vrijstelling niet meer kan worden gedaan indien de jongere in het jaar, voorafgaande aan de dagtekening van de kennisgeving, geplaatst is geweest op een school van de richting waartegen bedenkingen worden geuit

De vraag is of het uitsluiten van de mogelijkheid van beroep op vrijstelling zodra een kind eenmaal als leerling ingeschreven is geweest op een school in strijd komt met artikel 9 van het EVRM dan wel artikel 2 Eerste Protocol. De kantonrechter beantwoordt die vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.

Artikel 2 Eerste Protocol kan worden beschouwd als lex specialis op het gebied van onderwijs ten opzichte van artikel 9 van het EVRM.

Artikel 9 van het EVRM luidt, in de Nederlandse vertaling:

1.

Een ieder heeft recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst; dit recht omvat tevens de vrijheid om van godsdienst of overtuiging te veranderen, alsmede de vrijheid hetzij alleen, hetzij met anderen, zowel in het openbaar als privé zijn godsdienst te belijden of overtuiging tot uitdrukking te brengen in erediensten, in onderricht, in praktische toepassing ervan en in het onderhouden van geboden en voorschriften.

2.

De vrijheid zijn godsdienst te belijden of overtuiging tot uiting te brengen kan aan geen andere beperkingen worden onderworpen dan die die bij de wet zijn voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de openbare veiligheid, voor de bescherming van de openbare orde, gezondheid of goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

Artikel 2 Eerste Protocol luidt, in de Nederlandse vertaling:

Niemand mag het recht op onderwijs worden ontzegd. Bij de uitoefening van alle functies die de Staat in verband met de opvoeding en het onderwijs op zich neemt, eerbiedigt de Staat het recht van ouders om zich van die opvoeding en van dat onderwijs te verzekeren, die overeenstemmen met hun eigen godsdienstige en filosofische overtuigingen.

Artikel 2 Eerste Protocol stelt voorop dat niemand het recht op onderwijs mag worden ontzegd. De tweede zin van artikel 2 Eerste Protocol moet dan ook worden gelezen in samenhang met de eerste zin.

De Nederlandse wetgever heeft er in de Leerplichtwet 1969 voor gekozen om die kinderen, die een jaar voorafgaand aan de kennisgeving ingeschreven hebben gestaan, niet meer voor vrijstelling in aanmerking te laten komen. In het geval ouders toch bedenkingen krijgen tegen de school waarop hun kind staat ingeschreven, kunnen zij hun kind inschrijven bij een andere school die wel in overeenstemming is met hun religieuze overtuiging of levensovertuiging, dan wel kunnen zij kiezen voor openbaar onderwijs.

Artikel 23 van de Grondwet en artikel 46 van de Wet op het primair onderwijs geven een ieder de mogelijkheid te kiezen voor openbaar onderwijs, dat wordt gegeven met eerbiediging van ieders godsdienst of levensovertuiging. Daarenboven geldt dat ouders zelf buiten schooltijd hun kinderen kunnen onderwijzen in overeenstemming met hun levensovertuiging. Tenslotte hebben ouders ook altijd de vrijheid zelf een school op te richten die in overeenstemming met hun levensovertuiging onderwijs verzorgt.

De kantonrechter acht het niet meer in aanmerking komen voor vrijstelling na inschrijving op een school, niet disproportioneel of onredelijk, terwijl het voorts een legitiem doel nastreeft, te weten het verzekeren van het recht op onderwijs. Naar het oordeel van de kantonrechter wordt op deze wijze voldoende recht gedaan aan de vrijheid van onderwijs.

Artikel 8, tweede lid, Leerplichtwet 1969 is dan ook niet in strijd met artikel 9 van het EVRM en/of artikel 2 Eerste Protocol. Daarbij wordt opgemerkt dat de kantonrechter onder meer de uitspraken van het EHRM in de zaken Folgerø van 29 juni 2007 en Konrad van 11 september 2006 in zijn overwegingen heeft betrokken.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 15 februari 2011 (LJN BM6898) overwogen dat artikel 8, tweede lid, Leerplichtwet geen inbreuk maakt op artikel 9 EVRM en artikel 2 P1 EVRM. Het oordeel van de Hoge Raad komt er in de kern op neer dat vrijstelling als bedoeld in artikel 5 onder b. Leerplichtwet verder gaat dan de genoemde verdragsbepalingen vereisen. Het staat de inschrijvingsplichtige als bedoeld in artikel 2, eerste lid, Leerplichtwet immers vrij de jongere, indien binnen redelijke afstand geen school is te vinden waartegen geen richtingbezwaren bestaan, elders in het land voor een school in te schrijven of zelf een dergelijke school op te richten, dan wel om hem na schooltijd en in het weekend onderwijs te laten volgen dat in overeenstemming is met zijn levensbeschouwing. Anders gezegd: vrijstelling als bedoeld in artikel 5 onder b. Leerplichtwet is niet cruciaal voor eerbiediging van artikel 9 EVRM en artikel 2 P1 EVRM. De Hoge Raad verbindt aan dat oordeel de conclusie dat artikel 8, tweede lid, Leerplichtwet evenmin inbreuk maakt op bedoelde verdragsbepalingen.

De kantonrechter is evenwel van oordeel dat de conclusie, die de kantonrechter onderschrijft, dat vrijstelling als bedoeld in artikel 5 onder b. Leerplichtwet niet vereist is om de vrijheid van religie als bedoeld in artikel 9 EVRM en artikel 2 P1 EVRM te garanderen, niet afdoet aan de mogelijk (zelfstandige) strijdigheid met die verdragsbepalingen van artikel 8, tweede lid, Leerplichtwet. In het onderhavige geval levert echter naar het oordeel van de kantonrechter ook de beperking van artikel 8, tweede lid, Leerplichtwet van de vrijstelling als bedoeld in artikel 5 onder b. Leerplichtwet zelf geen inperking van genoemde verdragsrechten op en is van een inbreuk op de vrijheid van religie of levensovertuiging, al dan niet in het kader van scholing zoals bedoeld in artikel 2 P1 EVRM, geen sprake. Het staat eenieder, ook verdachte, vrij om van religie of levensovertuiging te veranderen of scherper in zijn of haar overtuiging te worden. Het gevolg daarvan, althans waar zich die verandering uit in een richtingbezwaar dat eerder kennelijk niet bestond of onvoldoende zwaarwegend was, is enkel dat geen succesvol beroep op vrijstelling als bedoeld in artikel 5 onder b. Leerplichtwet mogelijk is. De onmogelijkheid daartoe staat er echter niet aan in de weg het religierecht of levensovertuiging ten volle uit te oefenen. Nog steeds staat het de inschrijvingsplichtige immers vrij om de jongere zelf aanvullend onderwijs te geven, hem op een andere school (al kan die op grotere afstand zijn gelegen) te plaatsen dan wel zelf een school op te richten. Van enige daadwerkelijke beperking van door artikel 9 EVRM en artikel 2 P1 EVRM beschermde rechten en vrijheden is derhalve geen sprake. Slechts indien al deze alternatieve mogelijkheden op zichzelf en gecombineerd onvoldoende tegemoet komen aan de eigen godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging en in die zin dus bezwaarlijk zijn, zou het niet toestaan van thuisonderwijs een inbreuk op artikel 9 EVRM en artikel 2 P1 EVRM kunnen impliceren. Het is naar het oordeel van de kantonrechter echter aan de verdediging om geadstrueerd en aannemelijk uiteen te zetten dat en waarom de genoemde alternatieve mogelijkheden feitelijk dermate tekortschieten dat niet aan de eisen van de eigen godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging tegemoet wordt gekomen. In het onderhavige geval is dat niet gebeurd, zodat dit onderdeel van het verweer faalt.

De verdediging heeft voorts een beroep gedaan op artikel 14 EVRM. Dat artikel verbiedt het maken van ongerechtvaardigd onderscheid bij de waarborging van de in het EVRM gegarandeerde basisrechten. In de onderhavige strafzaak zou de wetgever met artikel 8, tweede lid, Leerplichtwet ongerechtvaardigd onderscheid hebben gemaakt tussen jongeren, in het bijzonder jongeren uit hetzelfde gezin, van wie de ene wel en de andere niet van de vrijstelling als bedoeld in artikel 5 onder b. Leerplichtwet kan profiteren. Ten aanzien van de zoon, dat reeds eerder ingeschreven is geweest voor een school waartegen bedenkingen bestaan, kan de inschrijvingsplichtige zich niet langer beroepen op vrijstelling, terwijl dat ten aanzien eventuele jongere kinderen uit hetzelfde gezin in voorkomende gevallen wel mogelijk zou kunnen zijn.

Hiervoor zette de kantonrechter reeds zijn oordeel uiteen dat in het onderhavige geval geen sprake is van een beperking van de door artikel 9 EVRM en artikel 2 P1 EVRM gegarandeerde rechten. Op de eerder uiteengezette gronden kan niet worden gezegd dat van enige daadwerkelijke beperking sprake is. Gevolg van artikel 8, tweede lid, Leerplichtwet is ontegenzeggelijk dat in bepaalde gezinnen de ene jongere wel en de andere jongere niet onder vrijstelling valt. Dit onderscheid is evenwel terug te voeren op een objectieve en redelijke rechtvaardiging. Reeds omdat geen sprake is van gelijke gevallen, het ene kind is immers eerder ingeschreven geweest voor een school waartegen bedenkingen bestaan, het andere is dat niet, valt niet in te zien waarom het onderscheid in strijd zou komen met artikel 14 EVRM. Daarbij is opnieuw relevant dat de inschrijvingsplichtige voor de jongere ten aanzien van wie geen beroep kan worden gedaan op artikel 5 onder b. Leerplichtwet, de eerder genoemde alternatieven kan benutten. Van enig ongerechtvaardigd onderscheid is naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake, zodat ook dit onderdeel van het verweer dient te worden verworpen.

De verdediging heeft ten slotte een beroep gedaan op artikel 1 P12 EVRM. Daartoe is, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat met een inhoudelijke beoordeling van de richting onderscheid wordt gemaakt op de enkele grond van de inhoud van de opvattingen van verdachte over schoolonderwijs of andere zaken, zonder dat daar een objectieve rechtvaardiging voor bestaat.

Voor zover de verdediging haar beroep op artikel 1 P12 EVRM baseert op de stelling dat de strafrechter de bedenkingen tegen de richting van een school in die zin inhoudelijk beoordeelt dat ook het gewicht van die bezwaren wordt beoordeeld, mist het verweer feitelijke grondslag. Zoals reeds door de Hoge Raad in zijn arrest van 19 februari 1980, NJ 1980, 190, is duidelijk gemaakt, en is herhaald in zijn arrest van 30 oktober 2001, LJN AB2946, treedt de rechter niet in het gewicht van de tegen een school opgeworpen bezwaren. Wel dient de rechter te onderzoeken of de bezwaren de richting van het onderwijs betreffen. Voor zover het verweer ook het onderzoek van de richting van de bezwaren in strijd acht met artikel 1 P12 EVRM dient het te worden verworpen. Voor zover daarmee al onderscheid als bedoeld in die bepaling wordt gemaakt, is dat onderscheid inherent aan het door de wetgever gekozen systeem van leerplicht met beperkte mogelijkheden van vrijstelling op grond van richtingbezwaren, en daarmee aan te merken als een gerechtvaardigd onderscheid. Indien de opvatting van de verdediging zou worden gevolgd, zou het gevolg zijn dat het beroep op vrijstelling als bedoeld in artikel 5 onder b. Leerplichtwet aan enige rechterlijke controle is onttrokken. Het is evident dat dit niet de bedoeling van de wetgever is geweest. Evenmin dwingt enige internationaalrechtelijke bepaling tot een dergelijk oordeel. Op het voorgaande stuit ook af de stelling van de verdediging dat voor een onderzoek naar de vraag of de bezwaren de richting van de school betreffen geen wettelijke grondslag bestaat. Deze bestaat, gezien het hiervoor overwogene wel degelijk, zij het niet zo expliciet als de verdediging kennelijk, maar ten onrechte, noodzakelijk acht.

Op grond van het bepaalde in artikel 8, tweede lid van de Leerplichtwet 1969 kan verdachte voor zijn zoon dan ook geen beroep op vrijstelling meer doen.

De bewezenverklaring

De kantonrechter acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij in de periode van 1 maart 2013 tot en met 20 juli 2013 te Lopik, als degene die het gezag uitoefende over de jongere [minderjarige], geboren op [geboortedatum 2], niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969 te zorgen dat voornoemde jongere als leerling van een school, stond ingeschreven.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen.

De strafbaarheid van het feit

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

overtreding van de in artikel 2, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969 opgelegde verplichting

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen sanctie

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de kantonrechter rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, heeft de kantonrechter in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Wat betreft de ernst van de feiten weegt mee dat de Leerplichtwet het wettelijke kader biedt om te garanderen dat kinderen het onderwijs genieten waar zij recht op hebben. Als dat recht niet door het kind kan worden uitgeoefend doordat de verantwoordelijke ouder het kind niet inschrijft is strafrechtelijke reactie op zijn plaats.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde feit schuldig wordt verklaard zonder oplegging van straf.

De kantonrechter is van oordeel dat de door verdachte gepleegde overtreding van artikel 2, eerste lid, Lpw niet onbestraft kan blijven. Het is immers niet aan de individuele ouders of verzorgers van kinderen om te bepalen of en op welke wijze hun kinderen worden onderwezen. Dat wordt niet anders indien die ouders/verzorgers daarbij handelen in de overtuiging het belang van hun kinderen te dienen, nu het een maatschappelijk belang is dat de Leerplichtwet wordt gehandhaafd. De kantonrechter zal gelet op alle omstandigheden van het geval volstaan met een geldboete van hierna te melden hoogte.

Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete heeft de kantonrechter rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De kantonrechter zal  geen voorwaardelijke straf opleggen. Oplegging van een voorwaardelijke straf heeft over het algemeen tot doel recidive te voorkomen. In het onderhavige geval is onvoldoende aannemelijk geworden dat verdachte genegen zal zijn gedrag aan te passen onder de dreiging van een voorwaardelijke straf.

De kantonrechter zal daarom een geldboete van € 250,- opleggen. 

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 23, 24 en 24c van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 2 en 26 van de Leerplichtwet 1969.

DE BESLISSING

De kantonrechter beslist als volgt:

Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor vermeld, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 250,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 5 dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.A.A. van Kalveen, bijgestaan door mr. P. Groot-Smits als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van de kantonrechter in deze rechtbank van 16 december 2013.

PROCES-VERBAAL van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de kantonrechter in de rechtbank te Utrecht, van 16 december 2013,

in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats],

wonende te [adres], [postcode] [woonplaats].

Aanwezig:

mr. , kantonrechter

mr. , officier van justitie

en als griffier

De rechter doet de zaak uitroepen.

In de zaal van de terechtzitting zijn verder aanwezig:

0

de verdachte

0

de raadsman/vrouwe van verdachte mr.

0

een tolk in de taal, genaamd
die in handen van de kantonrechter op de bij de wet voorgeschreven wijze de eed/belofte aflegt zijn/haar taak als tolk naar zijn/haar geweten te zullen vervullen. Al hetgeen ter terechtzitting is gesproken of voorgelezen is door voornoemde tolk vertolkt.

0

De kantonrechter spreekt het vonnis uit.

0

De kantonrechter spreekt het vonnis uit en geeft verdachte kennis, dat hij/zij daartegen binnen 14 dagen hoger beroep kan instellen.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal dat door de kantonrechter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.