Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:7569

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
31-12-2013
Datum publicatie
09-01-2014
Zaaknummer
UTR 13/5981 en UTR 13/5983
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Beroep niet tijdig en verzoek om voorlopige voorziening. Verlenging met 40 weken van de termijn om te beslissen op verzoek om handhaving van het bestemmingsplan is niet redelijk. Het tegen deze verlenging gemaakte bezwaar is aan te merken als een ingebrekestelling. Beroep gegrond, verzoek afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: UTR 13/5981 en UTR 13/5983

uitspraak van de voorzieningenrechter van 31 december 2013 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[eiser], te[woonplaats], eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Soest, verweerder

(gemachtigde: mr. K.G.M. van Aken).

Procesverloop


Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn verzoek van 24 april 2013 om ter plaatse van het perceel [perceel 1] te Soest handhavend op te treden wegens overtreding van bepalingen uit het bestemmingsplan ‘Landelijk gebied 1994’. Dit beroep wordt behandeld onder zaaknummer UTR 13/5983.


Eiser heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek wordt behandeld onder zaaknummer UTR 13/5981.


Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Beide partijen hebben nog een aanvullende reactie ingediend en daarbij stukken overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 december 2013. Eiser is in persoon verschenen, vergezeld door zijn echtgenote,[A]. Verweerder zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen

een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.

In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is voorts bepaald dat, indien het verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, deze onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak. Deze situatie doet zich hier voor.



Over het beroep (UTR 13/5983)

3.

Eiser is eigenaar van en woonachtig op het perceel[perceel 2] te Soest. Bij brief van 24 april 2013 heeft hij verweerder verzocht om op grond van het geldende bestemmingsplan handhavend op te treden tegen activiteiten op het buurperceel [perceel 1]. Volgens eiser heeft de eigenaar van het perceel [perceel 1] illegale bouwwerken op de grens met zijn perceel opgericht en op die grens ook mest en afval gestort. Eiser heeft verweerder verzocht om de groenstrook tussen de percelen [nummer 1] en [nummer 2] te herstellen.

4.

Bij brief van 14 juni 2013 heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat hij de beslissing op het door eiser gedane verzoek met veertig weken verdaagt.

5.

Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit staat op grond van artikel 8:1 in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb beroep open bij de bestuursrechter.

Op grond van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, voor zover hier relevant, kan het beroepschrift worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, en twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk in gebreke heeft gesteld.

6.

Eiser stelt dat hij bij brief van 24 juni 2013 bezwaar heeft gemaakt tegen de brief van verweerder van 14 juni 2013 en de weigering om op korte termijn handhavend op te treden. De verlenging van de beslistermijn met veertig weken is volgens eiser onredelijk lang en niet gemotiveerd. Eiser stelt dat hij verweerder bij brief van 2 december 2013 nogmaals in gebreke heeft gesteld.

7.

Verweerder stelt dat eiser niet-ontvankelijk is in zijn beroep omdat verweerder niet in gebreke is om tijdig te beslissen. De beslistermijn is door middel van de brief van 14 juni 2013 met 40 weken verlengd en die termijn verstrijkt pas op 25 maart 2014. Aan deze verlenging lag ten grondslag dat er een nieuw bestemmingsplan wordt voorbereid, hetgeen consequenties kan hebben voor het al dan niet handhavend optreden. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat het de bedoeling is dat het nieuwe bestemmingsplan op 19 december 2013 door de gemeenteraad wordt vastgesteld. Verweerder stelt verder dat het beroep ook niet-ontvankelijk is omdat eiser hem niet in gebreke heeft gesteld. Het bezwaarschrift van eiser van 24 juni 2013 heeft verweerder, naar hij stelt, niet ontvangen.

8.

De voorzieningenrechter ziet zich in de eerste plaats gesteld voor de vraag of verweerder in gebreke is. Daartoe dient de vraag te worden beantwoord of verweerder de beslistermijn met veertig weken heeft kunnen verlengen.

9.

Op grond van artikel 4:13, eerste lid, van de Awb dient een beschikking te worden gegeven binnen een bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn, of, bij het ontbreken van zulk een termijn binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag.

Op grond van het tweede lid van dit artikel is de in het eerste lid bedoelde termijn in ieder geval verstreken wanneer het bestuursorgaan binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag geen beschikking heeft gegeven, noch een mededeling als bedoeld in artikel 4:14, derde lid, heeft gedaan.

Op grond van artikel 4:14, derde lid, van de Awb deelt het bestuursorgaan indien, bij het ontbreken van een bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn, een beschikking niet binnen acht weken kan worden gegeven dit binnen deze termijn aan de aanvrager mede en noemt het daarbij een redelijke termijn binnen welke de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.

10.

De termijn van veertig weken waarmee verweerder de beslistermijn heeft verlengd, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet aan te merken als een redelijke termijn als bedoeld in artikel 4:14, derde lid, van de Awb. Hij overweegt daartoe dat uit artikel 4:13 van de Awb volgt dat, indien een bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn ontbreekt, een redelijke termijn om op een aanvraag te beslissen na acht weken in ieder geval is verstreken. Hieruit kan worden afgeleid dat een verlenging van de maximale beslistermijn met acht weken in beginsel redelijk is. Een verlenging van de beslistermijn met meer dan acht weken zal door verweerder moeten worden gemotiveerd. In de brief van 14 juni 2013 is de verlenging van de beslistermijn niet gemotiveerd. Er is enkel gesteld dat het helaas niet mogelijk is gebleken om binnen de beslistermijn van acht weken een besluit te nemen. Eerst in het verweerschrift van 21 november 2013 heeft verweerder toegelicht dat hij met zijn reactie op het handhavingsverzoek heeft willen wachten tot er duidelijkheid bestond over het nieuwe bestemmingsplan. Dit is echter niet aan te merken als een bijzondere omstandigheid op grond waarvan verweerder de beslistermijn met veertig weken heeft kunnen verlengen. Verweerder kon immers op het verzoek van eiser beslissen binnen een redelijke termijn en bij die besluitvorming had verweerder de vraag moeten beantwoorden of er, afhankelijk van de stand van de procedure van het nieuwe bestemmingsplan ten tijde van de besluitvorming, concreet zicht op legalisatie van een eventuele overtreding was.

11.

Ter zitting heeft gemachtigde van verweerder toegelicht dat er geen andere reden bestond voor verweerder om de beslistermijn te verlengen. Verweerder heeft de beslistermijn, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, dan ook ten onrechte met veertig weken verlengd. Dit betekent dat hij uiterlijk binnen acht weken na de ontvangst van het verzoek van eiser, dus uiterlijk op 19 juni 2013, had moeten beslissen. Vanaf 19 juni 2013 is verweerder dus in gebreke om tijdig een besluit te nemen, zoals bedoeld in artikel 6:12, tweede lid, aanhef en onder a, van de Awb.

12.

De volgende vraag is of eiser verweerder schriftelijk heeft medegedeeld dat hij in gebreke is, zoals bedoeld in artikel 6:12, tweede lid, aanhef en onder b, van de Awb.

13.

Tegen de brief van 14 juni 2013, waarin verweerder de beslistermijn met veertig weken heeft verdaagd, is geen bezwaar mogelijk. De voorzieningenrechter merkt het bezwaarschrift van eiser van 24 juni 2013 tegen deze verlenging van de beslistermijn aan als een schriftelijke mededeling aan het college dat het in gebreke is. Hij overweegt daartoe dat eiser in de brief van 24 juni 2013 uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven dat de verlenging van de beslistermijn met veertig weken voor hem onaanvaardbaar is en dat hij niet akkoord gaat met de weigering van verweerder om op korte termijn handhavend op te treden. De voorzieningenrechter verwijst in dit verband naar de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS), zoals onder meer verwoord in de uitspraak van de Voorzitter van de ABRvS van 3 december 2009 (ECLI:NL:ABRVS:2009:BK8223).

14.

De voorzieningenrechter ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of het voldoende aannemelijk is dat verweerder de ingebrekestelling van 24 juni 2013 heeft ontvangen.

15.

Eiser heeft een schriftelijk stuk overgelegd van verweerder van 24 juni 2013, waarin de ontvangst van een brief op die datum wordt bevestigd. Hij heeft ter zitting toegelicht dat hij op 24 juni 2013 een tweetal brieven op het gemeentehuis heeft afgegeven en dat hem daarop één ontvangstbevestiging is overhandigd. Eiser heeft ook een brief overgelegd van de secretaris van de Raad van State (RvS) van 26 juni 2013. In deze brief staat dat eiser op 24 juni 2013 bezwaar heeft gemaakt tegen een schriftelijke mededeling van verweerder met betrekking tot het verdagen van een beslissing op een verzoek om een handhavend op te treden. Het verzoek van eiser om zijn bezwaar gevoegd met een andere, nog lopende procedure bij de ABRvS te behandelen, heeft de secretaris van de RvS in de brief van 26 juni 2013 afgewezen.

16.

Verweerder stelt dat hij op 24 juni 2013 slechts een brief van eiser, gedateerd 24 juni 2013, heeft ontvangen met een ander verzoek om handhaving, en niet de ingebrekestelling. Ter zitting heeft verweerder een uitdraai overgelegd van zijn postregistratiesysteem. Uit deze uitdraai blijkt dat op 25 juni 2013 is geregistreerd dat van eiser een verzoek om handhaving is ontvangen. De ontvangst van de ingebrekestelling is niet in het systeem geregistreerd. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat zijn werkwijze is dat bij de afgifte van een brief aan een medewerker op het gemeentehuis eerst een algemene ontvangstbevestiging wordt meegegeven en dat vervolgens een ontvangstbevestiging wordt verstuurd door de afdeling die de brief inhoudelijk gaat behandelen. De ontvangst van het verzoek om handhaving heeft verweerder bij brief van 15 juli 2013 (nogmaals) bevestigd. Volgens verweerder moet aan het feit dat eiser voor de ingebrekestelling geen (tweede) ontvangstbevestiging van de afdeling die de brief inhoudelijk gaat behandelen heeft ontvangen en het feit dat de ontvangst van de ingebrekestelling niet blijkt uit het postregistratiesysteem de conclusie worden verbonden dat hij de ingebrekestelling niet heeft ontvangen.

17.

De voorzieningenrechter acht het, gelet op eisers ter zitting gegeven toelichting en gelet op de inhoud van de brief van de secretaris van de RvS van 26 juni 2013, voldoende aannemelijk dat eiser de ingebrekestelling op 24 juni 2013 bij het gemeentehuis heeft afgegeven en dat verweerder de ingebrekestelling dus op deze datum heeft ontvangen. De voorzieningenrechter stelt overigens vast dat verweerder niet heeft betwist dat eiser hem bij brief van 2 december 2013 (nogmaals) in gebreke heeft gesteld.

18.

De voorzieningenrechter is, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, van oordeel dat eiser verweerder bij brieven van 24 juni 2013 en 2 december 2013 heeft medegedeeld dat hij in gebreke is en dat sindsdien twee weken zijn verstreken.

19.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep gegrond is.

20.

Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb bepaalt de bestuursrechter, indien het beroep gegrond is en nog geen besluit is bekendgemaakt, dat het bestuursorgaan binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekendmaakt. Op grond van het derde lid van dit artikel kan de bestuursrechter in bijzondere gevallen of indien de naleving van andere wettelijke voorschriften daartoe noopt, een andere termijn bepalen of een andere voorziening treffen.

21.

Verweerder heeft ter zitting gesteld dat hij een langere termijn nodig heeft omdat, mede gelet op hetgeen eiser heeft gesteld, eerst de feitelijke situatie opnieuw moet worden opgenomen en dat vervolgens, aan de hand van deze gegevens, een inhoudelijke toetsing moet plaatsvinden. Vervolgens moet volgens verweerder zo nodig ook om zienswijzen worden gevraagd alvorens de eigenaar van het perceel met nummer [nummer 2] kan worden aangeschreven. De voorzieningenrechter ziet hierin aanleiding te bepalen dat niet binnen twee, maar binnen acht weken na de verzending van deze uitspraak een besluit moet worden bekendgemaakt.

22.

De voorzieningenrechter bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb en in overeenstemming met het landelijke beleid (zie www.rechtspraak.nl) dat verweerder een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-.

23.

Aangezien het beroep gegrond is, dient verweerder op grond van artikel 8:74, tweede lid, van de Awb het voor het indienen van het beroep door eiser betaalde griffierecht te vergoeden. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is de voorzieningenrechter niet gebleken.

Over het verzoek om een voorlopige voorziening (UTR 13/5981)

24.

Gegeven de beslissing op het beroep is er geen aanleiding meer voor het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening, zodat het verzoek wordt afgewezen.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

Ten aanzien van het beroep (UTR 13/5983):

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit op het verzoek van eiser van 24 april 2013;

  • -

    draagt verweerder op alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;

  • -

    bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 160,- aan hem vergoedt.

Ten aanzien van het verzoek (UTR 13/5981):

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S. Lanshage, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E. Said, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 december 2013.

griffier voorzieningenrechter

(is verhinderd mede te ondertekenen)

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.