Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:7562

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
12-12-2013
Datum publicatie
28-01-2014
Zaaknummer
16-010831-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep op artikelen 5 onder c en 9 Lpw verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling kanton

Locatie Utrecht

Parketnummer: 16-010831-13

Verkort vonnis van 12 december 2013 van de kantonrechter in bovengenoemde rechtbank op tegenspraak gewezen in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1971] te [geboorteplaats],

wonende te [adres], [woonplaats],

gemachtigde drs. P.J. van Zuidam, gevestigd te Lelystad.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

28 november 2013.

De tenlastelegging

Overeenkomstig de dagvaarding, inhoudende dat:

hij in of omstreeks de periode van 20 augustus 2012 tot en met 20 september 2012 te Woerden, meermalen, althans eenmaal, terwijl hij (telkens) als degene die het gezag uitoefende over de jongere [minderjarige 1], geboren op [2004] en/of de jongere [minderjarige 2], geboren op [2006], althans terwijl hij zich (telkens) met de feitelijke verzorging van die jongere(n) had belast, (telkens) niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969 te zorgen dat voornoemde jongere(n), die als leerling van een school, te weten de[school 1], was /waren ingeschreven, die school na inschrijving geregeld bezocht(en);

De bewezenverklaring

Het verweer

Namens verdachte wordt een beroep gedaan op de vrijstelling in artikel 5 aanhef en onder c van de Leerplichtwet (hierna: Lpw), te weten een vrijstelling op grond van inschrijving buiten Nederland. De gemachtigde heeft ter terechtzitting daar aan toegevoegd dat hij namens zijn cliënt primair een verweer doet op een onherstelbare vormfout nu de leerplichtambtenaar het schoolhoofd ten onrechte heeft geadviseerd de kinderen [minderjarige 1] en[minderjarige 2] niet uit te schrijven. Subsidiair verzoekt de gemachtigde om vrijspraak nu er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte zich niet aan de norm van inschrijving en geregeld bezoek zoals gesteld in artikelen 5 onder c en 9 Lpw heeft gehouden.

De gemachtigde heeft zich op deze vrijstellingsbepaling beroepen op grond van de inschrijving van de kinderen van verdachte als leerling bij de [school 2]. Deze school is gevestigd te [vestigingsplaats] in Engeland. De [school 2] biedt onder meer onderwijs op afstand aan. Volgens gemachtigde gaan de kinderen een paar keer per jaar naar school in Engeland en volgen zij verder thuisonderwijs, waarbij zij taken krijgen vanuit school en zij via Skype op gezette tijden contact hebben met docenten in Engeland. Door de gemachtigde is aangevoerd dat met de inschrijving en het gevolgde onderwijs is voldaan aan de vereisten die aan de vrijstelling worden gesteld. Door de school is immers gesteld dat [minderjarige 1] en[minderjarige 2] aan de eisen die de school stelt aan aanwezigheid hebben voldaan, zodat aan artikel 9 Lpw is voldaan. Volgens gemachtigde is de vrijstelling derhalve van rechtswege ontstaan. Bijgevolg kan niet worden bewezen verklaard dat niet aan de voorwaarden van bedoelde vrijstelling is voldaan en zou verdachte dienen te worden vrijgesproken, aldus gemachtigde.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de [school 2] geen school of inrichting van onderwijs is als bedoeld in artikel 5 onder c en artikel 9 Lpw en dat internetonderwijs geen onderwijs is als bedoeld in die artikelen. De vraag of verdachte zich kan beroepen op vrijstelling als bedoeld in artikel 5 onder c Lpw door inschrijving van zijn kinderen bij een dergelijke school dient ontkennend te worden beantwoord.

De beoordeling

De kantonrechter ziet zich eerst voor de vraag gesteld of de [school 2] als inrichting van onderwijs als bedoeld in artikel 5 onder c en 9 Lpw kan worden beschouwd. De wet definieert niet wat onder een ‘inrichting van onderwijs’ dient te worden verstaan. De kantonrechter is van oordeel dat hetgeen hem bekend is over de [school 2] geen aanleiding vormt te oordelen dat dit geen inrichting van onderwijs is en zal derhalve de officier van justitie op dit punt niet volgen.

Gemachtigde heeft zich op het standpunt gesteld dat de vrijstelling van rechtswege is ontstaan nu aan de voorwaarden voor de vrijstelling is voldaan. De kantonrechter overweegt dat naast de voorwaarden van artikel 6 Lpw, de vrijstelling pas rechtsgeldig is indien is voldaan aan artikel 9 Lpw, luidende: “Een beroep op vrijstelling op grond van artikel 5 onder c kan slechts worden gedaan, indien bij de kennisgeving een verklaring is overgelegd van het hoofd van de inrichting van het onderwijs waaruit blijkt, dat de jongere als leerling van deze inrichting staat ingeschreven en haar geregeld bezoekt.”

In de procedure heeft verdachte op een drietal momenten een brief (in het Engels opgemaakt en door de Kantonrechter naar vermogen vertaald) overgelegd van het hoofd van de [school 2]. Uit de brief van 27 juni 2012 van het hoofd van [school 2] , verzonden aan de Leerplichtambtenaar op 3 juli 2012, blijkt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij deze school staan geregistreerd. Voorts wordt gemeld dat het verschijnen verplicht is zoals door de school gespecificeerd (attendance is required as specified by the School). In de brief van 14 september 2012 staat dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van maandag 10 tot en met vrijdag 14 september 2012 aanwezig zijn geweest op de [school 2]. In de brief van 25 november 2013, overgelegd ter terechtzitting, staat dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geregistreerd staan op de school en dat ze voldaan hebben aan de door de school geformuleerde voorwaarden voor het aldaar verschijnen.

De kantonrechter stelt vast dat door de leerplichtambtenaar geen vrijstelling is verleend. Dit is aan verdachte medegedeeld per brief van 11 juli 2012. De kantonrechter komt niet toe aan de vraag of de leerplichtambtenaar het schoolhoofd ten onrechte heeft geadviseerd de kinderen [minderjarige 1] en[minderjarige 2] niet uit te schrijven. Dit gezien het navolgende.

De kantonrechter dient te beoordelen of de vrijstelling verleend had moeten worden dan wel van rechtswege was ontstaan. De kantonrechter oordeelt dat de vrijstelling tot inschrijving ex artikel 5, aanhef en sub c Lpw van rechtswege tot stand komt zodra aan de vereisten is voldaan. Er is daarbij geen sprake van een beschikking in de zin van de Algemene wet bestuursrecht, in welk geval er een bezwaar- en beroepsmogelijkheid zou zijn, en uitsluitend de rechter mag oordelen of aan die vereisten – uitgewerkt in artikelen 6 en 9 Lpw – is voldaan (zie NJFS 2010, 145).

De kantonrechter stelt vast dat voldaan is aan de voorwaarde dat bij de kennisgeving een verklaring is overgelegd van het hoofd van de inrichting van het onderwijs waaruit blijkt, dat de jongere als leerling van deze inrichting staat ingeschreven. Voor een beroep op vrijstelling als bedoeld in artikel 5 onder c Lpw is echter naast de voorwaarde van inschrijving het geregeld bezoeken van de inrichting van onderwijs buiten Nederland een voorwaarde voor vrijstelling. Dat wil zeggen dat indien of zodra de jongere de school in het buitenland niet (langer) geregeld bezoekt, geen beroep kan worden gedaan op vrijstelling. Dientengevolge geldt dan onverkort de inschrijvingsplicht en bezoekplicht (van een school in Nederland) van artikel 2, eerste lid, Lpw. Het niet geregeld bezoeken van de school buiten Nederland kan derhalve niet als zelfstandig strafbaar feit worden vervolgd, maar maakt (als voorwaarde voor vrijstelling) onderdeel uit van de beoordeling van het niet inschrijven of bezoeken van een school in Nederland.

De kantonrechter dient de vraag te beantwoorden of er ruimte is voor toetsing van de voorwaarde van geregeld bezoek als bedoeld in artikel 5 onder c Lpw indien door de school in het buitenland een verklaring als bedoeld in artikel 9 Lpw is afgegeven. Naar het oordeel van de kantonrechter dient die vraag bevestigend te worden beantwoord. De eis van artikel 9 Lpw geldt weliswaar als voorwaarde voor een beroep op de hier relevante vrijstelling, maar sluit niet uit dat de rechter toetst of daadwerkelijk aan de voorwaarden is voldaan. Het kan naar het oordeel van de kantonrechter immers niet de bedoeling van de wetgever zijn dat deze toetsing aan de rechter wordt onthouden en volledig in handen wordt gelegd van de school in het buitenland. De kantonrechter acht zich derhalve, ondanks de verklaring van de school in het buitenland, bevoegd en gehouden te toetsen of de jongere de school in het buitenland geregeld heeft bezocht.

De vraag die vervolgens voorligt betreft de interpretatie van dit geregeld bezoek. Vastgesteld kan worden dat in casu sprake is van enig bezoek van de school in fysieke zin. Het bezoek waarvan volgens de verdediging sprake is, kan worden aangemerkt als “af en toe” feitelijk de school bezoeken en voor het overige virtueel bezoek (per Skype) en thuisonderwijs. De kantonrechter stelt vast dat af en toe gedurende een week de school bezoeken, niet gelijk staat aan het volgen van geregeld onderwijs in fysieke zin. Dan luidt de vraag voorts of met het (aanvullende) virtueel bezoek ook kan worden voldaan aan de wettelijke eis van geregeld bezoek. De tekst van de wet verzet zich wellicht niet tegen een dergelijke interpretatie. Naar het oordeel van de kantonrechter dienen de achtergrond van de in artikel 5 onder c geregelde vrijstelling en de bedoeling van de wetgever bij de interpretatie van de wet dan een rol te spelen. De kantonrechter neemt in deze het oordeel van het Hof Den Bosch d.d. 26 april 2012 met publicatienummer NJFS 2012, 168 over. Het hof Den Bosch oordeelde onder meer:

Dat de achtergrond van deze wet de situatie van kinderen woonachtig in de grensstreek betreft. De wetgever wilde het mogelijk maken dat die kinderen ingeschreven zouden worden voor een school in het buitenland. Het gaat dan om regulier schoolbezoek, in fysieke zin, van een inrichting van onderwijs in het buitenland. Uit niets blijkt dat de wetgever, ten tijde van de totstandkoming van bedoelde bepaling of nadien, met het geregeld bezoek van een inrichting van onderwijs in het buitenland het oog heeft gehad op virtueel bezoek. Het is bovendien onaannemelijk dat de wetgever het oog heeft gehad op virtueel onderwijs gelet op het feit dat eind jaren zestig nog geen sprake was van dergelijk onderwijs. Voorts is van belang dat de wetgever thuisonderwijs in beginsel niet mogelijk heeft willen maken. In de door de verdediging gehuldigde opvatting, wordt deze keuze doorkruist. Een inrichting van onderwijs in het buitenland kan met gesteld virtueel onderwijs immers een situatie bewerkstelligen die feitelijk gelijk is aan thuisonderwijs. Tot een dergelijke lezing dwingt de tekst van de artikelen 5 onder c en 9 Lpw echter in het geheel niet. Indien de wetgever een constructie als de onderhavige mogelijk zou willen maken, ligt het op zijn weg om zulks door wetswijziging te bewerkstelligen. Het gaat de rechtsvormende taak van de rechter te buiten om deze keuze voor de wetgever te maken. De maatschappelijke discussie op het vlak van scholing en de leerplicht waar zowel de verdediging als de advocaat-generaal op heeft gewezen, geven de rechter naar het oordeel van het hof des te meer aanleiding om die taak terughoudend uit te oefenen. Het hof legt de in artikel 5 onder c opgenomen eis van geregeld bezoek derhalve uit als bezoek in fysieke zin.

Alhoewel er in bovenstaande casus in het geheel geen sprake was van schoolbezoek in fysieke zin, en daarmee op dat punt afwijkt van onderhavige zaak, neemt de kantonrechter bovenstaand oordeel van het hof over en maakt deze tot de zijne. Ook af en toe een week de school bezoeken voldoet immers niet aan de voorwaarde van geregeld bezoek.

Het beroep op vrijstelling als bedoeld in artikel 5 onder c Lpw dient derhalve te worden verworpen.

Nu verdachte geen beroep op vrijstelling van de inschrijvingsverplichting als bedoeld in artikel 2, eerste lid, Lpw toekomt, en is gebleken dat zij niet aan die verplichting heeft voldaan, zal het ten laste gelegde bewezen worden verklaard.

De bewezenverklaring

De kantonrechter acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij in de periode van 20 augustus 2012 tot en met 20 september 2012 te Woerden, meermalen, terwijl hij telkens als degene die het gezag uitoefende over de jongere [minderjarige 1], geboren op [2004] en de jongere [minderjarige 2], geboren op [2006], telkens niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969 te zorgen dat voornoemde jongeren, die als leerling van een school, te weten de[school 1], waren ingeschreven, die school na inschrijving geregeld bezochten;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen, tenzij het verlofstelsel van toepassing is.

De strafbaarheid van het feit

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Als persoon bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969, de in artikel 2, eerste lid van die wet opgelegde verplichting telkens niet nakomen, meermalen gepleegd

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van de op te leggen sanctie

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de kantonrechter rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, heeft de kantonrechter in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Wat betreft de ernst van de feiten weegt mee dat de Leerplichtwet het wettelijke kader biedt om te garanderen dat kinderen het onderwijs genieten waar zij recht op hebben. Als dat recht niet door het kind kan worden uitgeoefend doordat de verantwoordelijke ouder het kind niet inschrijft is strafrechtelijke reactie op zijn plaats.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde feit wordt veroordeeld tot een geldboete van € 140,-.

In leerplichtovertredingen is de voor de hand liggende straf een geldboete. De kantonrechter ziet in het onderhavige geval geen aanleiding om van de strafeis van de officier van justitie af te wijken.

De kantonrechter acht de door de officier van justitie gevorderde eis passend en geboden. Aangezien het twee overtredingen betreft en dus twee straffen opgelegd worden, zal de kantonrechter verdachte twee maal veroordelen tot een geldboete van € 70,- euro op bij niet betalen te vervangen door telkens 1 dag hechtenis.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 23, 24, 24c, 57 van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 2, 26 van de Leerplichtwet 1969.

DE BESLISSING

De kantonrechter beslist als volgt:

Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit zoals hiervoor vermeld, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot twee maal een geldboete groot € 70,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door telkens hechtenis voor de duur van 1 dag.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.P.C.M. Waarts, bijgestaan door mr. S. Prinsen als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van de kantonrechter in deze rechtbank van

12 december 2013.

PROCES-VERBAAL van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de kantonrechter in de rechtbank te Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 12 december 2013,

in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [1971] te [geboorteplaats],

wonende te [adres], [woonplaats]

Aanwezig:

mr. , kantonrechter

mr. , officier van justitie

en als griffier

De rechter doet de zaak uitroepen.

In de zaal van de terechtzitting zijn verder aanwezig:

0

de verdachte

0

de raadsman/vrouwe van verdachte mr.

0

een tolk in de taal, genaamd
die in handen van de kantonrechter op de bij de wet voorgeschreven wijze de eed/belofte aflegt zijn/haar taak als tolk naar zijn/haar geweten te zullen vervullen. Al hetgeen ter terechtzitting is gesproken of voorgelezen is door voornoemde tolk vertolkt.

0

De kantonrechter spreekt het vonnis uit.

0

De kantonrechter spreekt het vonnis uit en geeft verdachte kennis, dat hij/zij daartegen binnen 14 dagen hoger beroep kan instellen.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal dat door de kantonrechter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.