Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:7561

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
18-12-2013
Datum publicatie
08-01-2014
Zaaknummer
C-16-359047 - KG ZA 13-976
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Uitwerking verkort kg-vonnis. Kerkelijk recht. Eiser ontvankelijk, vordering afgewezen: geen plaats voor aanvullende rechtsbescherming, kerkelijke rechtsgang met voldoende waarborgen omkleed.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/359047 / KG ZA 13-976

Vonnis in kort geding van 18 december 2013

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. dr. J.J.H. Post te Barneveld,

tegen

kerkgenootschap

PROTESTANTSE KERK IN NEDERLAND,

gevestigd te Utrecht,

gedaagde,

advocaat mr. M.J.W. Timmer te Den Haag.

Partijen zullen hierna [eiser] en PKN genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 16 december 2013,

  • -

    de mondelinge behandeling op 17 december 2013,

  • -

    de pleitnota van [eiser],

  • -

    de pleitnota van PKN.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

1.3.

In verband met de spoedeisendheid van de zaak is op 18 december 2013 vonnis uitgesproken. Het onderstaande vormt hiervan de schriftelijke uitwerking en is op 2 januari 2014 vastgesteld.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is lid en voormalig diaken van de Protestantse Gemeente in Blaricum (hierna: gemeente), die deel uitmaakt van PKN.

2.2.

Sinds 2005 is dominee[A] als predikant aan de gemeente verbonden.

2.3.

In 2012 is verdeeldheid ontstaan in de kerkenraad van de gemeente.

2.4.

Vanaf augustus 2012 heeft het regionale college voor de visitatie in de regio Noord-Holland geadviseerd over een mogelijke oplossing.

2.5.

Op 7 juni 2013 heeft het Breed Moderamen van de classicale vergadering van Hilversum (hierna: BM) besloten om op grond van ordinantie 3-20 van de Protestantse Kerkorde (hierna: PKO) aan het generaal college voor de ambtsontheffing (hierna: GCA) om losmaking van de predikant te verzoeken. Lid 1 van ordinantie 3-20 PKO luidt als volgt:

Indien door oorzaken gelegen bij de gemeente of door oorzaken gelegen in de persoon van de betrokken predikant of door andere oorzaken – in een gemeente zulke spanningen rijzen, dat de vraag rijst of de predikant deze gemeente nog langer met stichting kan dienen, kan het breed moderamen van de classicale vergadering op verzoek van de predikant, op verzoek van de kerkenraad of uit eigen beweging, gehoord het regionale college voor de visitatie, aan het generale college voor de ambtsontheffing vragen een oordeel uit te spreken.

Het college spreekt zijn oordeel uit, gehoord de predikant, de kerkenraad en – voor zover nodig – het regionale college voor de visitatie. (…)

Tegen het oordeel van het generale college kan men in beroep gaan bij het generale college voor de behandeling van bezwaren en geschillen.

2.6.

[eiser] heeft op 10 juli 2013 bezwaar gemaakt tegen het besluit van het BM van 7 juni 2013 over de losmaking.

2.7.

Ingevolge artikel 8 lid 5 van de generale regeling kerkelijke rechtspraak (hierna: GRKR) geldt ten aanzien van bezwaren tegen een losmakingsmakingsbesluit het volgende:

Bezwaren (…) kunnen uitsluitend worden behandeld in het kader van de behandeling van de aan het generale college voor de ambtsontheffing voorgelegde zaak.

2.8.

Het GCA heeft [eiser] op 4 september 2013 niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar. [eiser] heeft vervolgens aan de voorzitter van het generale college voor de behandeling van bezwaren en geschillen (hierna: GCBBG) verzocht om een spoedvoorziening. De voorzitter van het GCBBG heeft bij besluit van 17 september 2013 het volgende overwogen en beslist:

3.4. (…). Het GCA is (…) het kerkelijk lichaam dat is aangewezen als ter zake van dit bezwaar tot oordelen bevoegd kerkelijk lichaam. Aangezien het GCA een kerkelijk college met rechtsprekende taak is als bedoeld in (…) de generale regeling kerkelijke rechtspraak, dient het oordeel over het bezwaar van verzoeker neergelegd te worden in een uitspraak. Gelet op artikel 8 lid 5 van de regeling dient het oordeel te worden gegeven in het kader van de behandeling van de losmakingsprocedure, derhalve voorafgaand aan of gelijktijdig met de uitspraak over die procedure.

3.5.

Het voorgaande betekent niet dat het GCA zonder meer gehouden is een inhoudelijk oordeel over het bezwaar van verzoeker te geven. Als rechtsprekend college is het GCA bevoegd om ook de vraag te beoordelen of voor een gemeentelid en oud-ambtsdrager als verzoeker, gelet op het bepaalde in ordinantie 3-20 en de artikelen 8 t/m 10 van de generale regeling kerkelijke rechtspraak, al dan niet de mogelijkheid van bezwaar openstaat tegen een verzoek van het BM als hier aan de orde. De tekst van artikel 8 lid 5 is op dit punt niet ondubbelzinnig. Het is in eerste instantie aan het GCA om over vorenbedoelde vraag – die blijkens de e-mailberichten van 4 september 2013 nog niet eerder door het GCA is beantwoord – uitspraak te doen, zo mogelijk mede in het licht van de totstandkomingsgeschiedenis van die bepaling. De bevoegdheid van het generale college voor de behandeling van bezwaren en geschillen op grond van ordinantie 12-6-2 strekt immers niet verder dan tot het beslissen welk lichaam bevoegd is tot oordelen en niet tot het bepalen hoe dat oordeel zou moeten luiden. Evenmin is het generale college voor de behandeling van bezwaren en geschillen en/of diens voorzitter bevoegd om aan het GCA als in eerste aanleg bevoegd rechtsprekend college aanwijzingen of opdrachten te geven over de inrichting van diens procedure.

3.6.

Op grond van al het voorgaande ziet de voorzitter aanleiding om de hierna onder 4 weergegeven voorziening te treffen. Daarmee wordt niet vooruitgelopen op enige uitspraak van het generale college voor de behandeling van bezwaren en geschillen in een hoofdzaak over de behandeling van het bezwaar van verzoeker.

4. Beslissing

De voorzitter van het generale college voor de behandeling van bezwaren en geschillen

- bepaalt dat het GCA het bezwaar van verzoeker van 10 juli 2013 in behandeling neemt en daarover uitspraak doet in het kader van de bij het GCA aanhangige procedure tot losmaking van de predikant van de Protestantse gemeente te Blaricum;

- wijst af het meer of anders verzochte.

2.9.

Het GCA heeft het bezwaar van [eiser] tegen het besluit van het BM van 7 juni 2013, waarbij om losmaking van de predikant wordt verzocht, alsnog in behandeling genomen. Bij beslissing van 28 november 2013 heeft het GCA [eiser] niet-ontvankelijk verklaard. Het GCA overwoog daartoe het volgende:

4.5. (…). Vorenvermelde bepalingen houden (…) in dat geen bezwaar kan worden ingediend tegen een besluit waarbij men in het geheel niet zelf is betrokken. Ook kan geen bezwaar worden ingediend tegen een besluit van een BM het GCA te verzoeken een oordeel uit te spreken of de betrokken predikant de betrokken gemeente nog langer met stichting kan dienen, indien men een andere mening is toegedaan. Dit is slechts dan anders als de bezwaarde als wettelijk vertegenwoordiger van de predikant optreedt.

4.6.

Bij het bestreden besluit van 7 juni 2013 van het BM is [eiser] niet zelf rechtstreeks betrokken en derhalve niet direct in zijn werkelijk belang getroffen. Ook is [eiser] niet door [A] gemachtigd om namens hem tegen dit besluit bezwaar te maken.

4.7.

Het voorgaande leidt ertoe dat [eiser] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn bezwaar.

2.10.

[eiser] heeft op 4 december 2013 hoger beroep ingesteld tegen dit besluit. Daarbij heeft hij ook verzocht om een spoedvoorziening, inhoudende de schorsing van de behandeling van het besluit van het BM van 7 juni 2013 over de losmaking van de predikant. Die behandeling is gepland op 19 december 2013.

2.11.

Op 12 december 2013 is het verzoek om de spoedvoorziening afgewezen. De voorzitter van het GCBBG heeft daartoe het volgende overwogen:

2.3. De voorzitter beoordeelt thans of gelet op de betrokken belangen aanleiding bestaat voor het treffen van een spoedvoorziening als verzocht. Verzoeker betoogt dat een onomkeerbare situatie zal ontstaan wanneer de inhoudelijke behandeling van de procedure betreffende losmaking van de predikant bij het GCA zonder hem wordt voortgezet voordat het generale college voor de behandeling van bezwaren en geschillen heeft beslist omtrent het recht van verzoeker op een inhoudelijke beoordeling van zijn bezwaren tegen een losmaking. Het BM wijst in zijn reactie daarentegen op het belang van spoedige voortzetting van de losmakingsprocedure bij het GCA teneinde zonder verdere vertraging een inhoudelijk oordeel te verkrijgen van het GCA omtrent de toepassing van ordinantie 3-20.

2.4.

Anders dan verzoeker betoogt, is geen sprake van een onomkeerbare situatie wanneer de behandeling van de bij het GCA aanhangige procedure wordt voortgezet voordat het generale college voor de behandeling van bezwaren en geschillen over het beroep van verzoeker uitspraak heeft gedaan. Immers, indien het GCA zou beslissen dat de predikant dient te worden losgemaakt en deze tegen die beslissing beroep zou instellen, kan het generale college voor de behandeling van bezwaren en geschillen hangende de behandeling van die beroepsprocedure ook op het beroep van verzoeker beslissen en, voor zover nodig, – indien het generale college voor de behandeling van bezwaren en geschillen het oordeel van het GCA over de ontvankelijkheid van verzoeker niet zou volgen – tevens een inhoudelijk oordeel geven over de door verzoeker tegen de losmakingsprocedure gemaakte bezwaren. Hetzelfde geldt indien het GCA zou beslissen dat geen grond bestaat voor losmaking en de kerkenraad van de gemeente daartegen in beroep zou komen. Gelet op een en ander bestaat met het oog op deze situaties geen aanleiding voor het treffen van een spoedvoorziening tot schorsing van de procedure bij het GCA. (…).

2.5.

Tenslotte bestaat voor het treffen van een spoedvoorziening evenmin aanleiding indien het GCA zou oordelen dat grond voor losmaking van de predikant bestaat en tegen zodanige uitspraak geen beroep zou worden ingesteld. In dat geval, wanneer de predikant derhalve in de losmaking berust, zou verzoeker immers met zijn beroep niet meer het door hem beoogde doel – het tegenhouding van de losmaking van de predikant – kunnen bereiken en zou het procesbelang aan dat beroep komen te ontvallen, zodat daarover reeds daarom geen inhoudelijk oordeel meer zou kunnen worden gegeven.

2.6.

Op grond van het voorgaande luidt de conclusie dat het verzoek om spoedvoorziening dient te worden afgewezen. Daarmee wordt niet vooruitgelopen op de uitspraak in de hoofdzaak.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

  • -

    PKN zal bevelen de effectuering van de behandeling van de zaak binnen haar kerkgenootschap bij het GCA met nummer 13/05 ter zake de behandeling van het verzoek tot ontheffing van de werkzaamheden tegen predikant [A] op te schorten totdat door het GCBBG bij einduitspraak is beslist op het door [eiser] op 4 december 2013 bij het GCBBG ingediende beroep tegen de uitspraak van 28 november 2013 van het GCA met zaaknummer 13/05B;

  • -

    zal bepalen dat PKN een dwangsom verbeurt van € 10.000,00 per kalenderdag dat PKN in gebreke blijft hieraan te voldoen;

  • -

    PKN zal veroordelen in de proceskosten, waaronder de nakosten.

3.2.

PKN voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het spoedeisend belang volgt uit de aard der vordering. De behandeling van de procedure waarin de losmaking van de predikant aan de orde is, waarvan [eiser] thans de schorsing vordert, wordt immers op donderdag 19 december voortgezet.

4.2.

Hoewel die procedure, en de daaraan gerelateerde procedure inzake het door [eiser] tegen de losmaking ingediende bezwaar, wordt behandeld in de kerkelijke rechtsgang, acht de voorzieningenrechter zich ingevolge artikel 112 lid 1 Grondwet bevoegd kennis te nemen van het aan hem voorgelegde geschil, nu [eiser] aan zijn vordering in de onderhavige procedure ten grondslag heeft gelegd dat PKN, althans de voorzitter van het GCBBG, onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld bij de behandeling van de door [eiser] verzochte spoedvoorziening. Nu [eiser] de kerkelijke rechtsgang voor wat betreft de verzochte voorziening tot het einde heeft gevolgd (in de kerkelijke rechtsgang ontbreekt de mogelijkheid van hoger beroep tegen de beslissing van de voorzitter van het GCBBG van 12 december 2013) is [eiser], anders dan PKN in haar verweer heeft betoogt, ook ontvankelijk in zijn vordering.

4.3.

Voor aanvullende rechtsbescherming door de burgerlijke rechter is echter alleen dan aanleiding indien er voor wat betreft de kerkelijke rechtsgang elementaire rechtsbeginselen zijn geschonden. Volgens [eiser] is de kerkelijke rechtsgang, wat de spoedvoorziening betreft, niet met voldoende waarborgen omkleed. Daartoe heeft hij gesteld dat het verweerschrift van het BM aan [eiser] is onthouden. Nu de voorzitter van het GCBBG niet de mogelijkheid heeft om partijen mondeling te horen, heeft [eiser] derhalve geen reactie op dit verweerschrift kunnen geven, waardoor onvoldoende hoor en wederhoor is toegepast. Tegen de beslissing van de voorzitter van het GCBBG staat geen hoger beroep open. Bovendien is die beslissing volgens [eiser] onvoldoende gemotiveerd. Hij acht het onbegrijpelijk dat de losmakingsprocedure kan worden voortgezet, terwijl nog niet tot in hoogste instantie is beslist op zijn bezwaar. [eiser] heeft daardoor het gevoel dat toe wordt geredeneerd naar de vooraf bedachte uitkomst, namelijk de losmaking van de predikant. PKN heeft dit gemotiveerd betwist.

4.4.

Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter is, mede vanwege de gemotiveerde betwisting door PKN, onvoldoende gebleken dat de kerkelijke rechtsgang niet met voldoende waarborgen is omkleed. Het ontbreken van een tweede (schriftelijke of mondelinge) ronde in de procedure tot verkrijging van een spoedvoorziening is, mede vanwege de daarmee gemoeide spoed, onvoldoende om het gestelde gebrek aan hoor en wederhoor aan te kunnen nemen, nu uit de stellingen van [eiser] volgt dat zowel hij als het BM zijn standpunten naar voren heeft kunnen brengen. Datzelfde geldt met betrekking tot het ontbreken van de mogelijkheid tot appel.

4.5.

Dat de kerkelijke rechtsgang met onvoldoende waarborgen omkleed is, blijkt ook niet zonder meer uit de omstandigheid dat de voorzitter een voor [eiser] onbegrijpelijke, afwijzende, beslissing heeft genomen. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter is de beslissing van de voorzitter van het GCBBG, inhoudend dat de losmakingsprocedure niet behoeft te worden geschorst totdat in hoogste instantie op het bezwaar van [eiser] is beslist, voldoende gemotiveerd. Dat geldt temeer daar PKN de door [eiser] gestelde noodzaak van behandeling in twee fasen gemotiveerd heeft betwist en een degelijke noodzaak ook niet volgt uit (de hiervoor in 2.8. geciteerde passage uit) de beslissing van de voorzitter van het GCBBG van 17 september 2013, met betrekking tot de uitleg van artikel 8 lid 5 GRKR.

4.6.

De voorzieningenrechter volgt [eiser] ook niet in de door hem gestelde vrees voor vooringenomenheid. Die vooringenomenheid volgt immers niet zonder meer uit de genomen afwijzende beslissingen, ook niet uit de (hiervoor onder 2.12. geciteerde passage uit de) beslissing van de voorzitter van het GCBBG van 12 december 2013. Bovendien heeft PKN gemotiveerd aangevoerd dat tijdens de behandeling van de procedure waarin de losmaking van de predikant aan de orde is, ook Van Doorns bezwaren tegen diens losmaking aan de orde kunnen komen, eventueel geuit door de predikant zelf.

4.7.

Al met al is voor de voorzieningenrechter onvoldoende komen vast te staan dat [eiser] aanvullende rechtsbescherming door de voorzieningenrechter toekomt. Zijn vordering dient daarom te worden afgewezen.

4.8.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van PKN worden begroot op:

- griffierecht €  589,00

- salaris advocaat € 816,00

Totaal €  1.405,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van PKN tot op heden begroot op € 1.405,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.W.J. van Veen en in het openbaar uitgesproken op 18 december 2013.1

1 type: CD/4485coll: RvV