Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:7550

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
24-12-2013
Datum publicatie
07-01-2014
Zaaknummer
16-659843-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank spreekt verdachte vrij van de poging doodslag en zware mishandeling. De rechtbank veroordeelt verdachte wegens poging toebrengen zwaar lichamelijk letsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 16/659843-13 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 24 december 2013

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Frankrijk),

gedetineerd te PI Achterhoek, Huis van Bewaring De Kruisberg.

HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het onderzoek heeft plaatsgevonden op 13 december 2013 te Lelystad, waarbij de verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. L.E.G. van der Hut, advocaat te ’s-Gravenhage.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,

mr. C.J. Booij, en van hetgeen door de raadsvrouwe van verdachte en verdachte naar voren is gebracht.

2 DE TENLASTELEGGING

De verdachte is - na wijziging - ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 22 september 2013 te Bussum, althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet meermalen, althans éénmaal, (met kracht)

- tegen het (achter)hoofd van die [slachtoffer] heeft gestompt/geslagen (ten gevolge waarvan die [slachtoffer] op de grond is gevallen) en/of

- (terwijl die [slachtoffer] op de grond lag) hem aan zijn voet(en)/arm(en) over de grond heeft gesleurd/getrokken en/of

- (terwijl die [slachtoffer] telkens het bewustzijn verloor) die [slachtoffer] tegen het hoofd en/of elders tegen het (boven)lichaam heeft gestompt/geslagen en/of (met geschoeide voet) geschopt/getrapt, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 22 september 2013 te Bussum tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten psychisch trauma, letsel aan het (linker)oor en (forse) (schaaf)wonden), heeft toegebracht, door deze opzettelijk meermalen, althans éénmaal (met kracht),

- tegen het (achter) hoofd te stompen/slaan (ten gevolge waarvan die [slachtoffer] op de grond is gevallen) en/of

- (terwijl die [slachtoffer] op de grond lag) hem aan zijn voet(en)/arm(en) over de grond te sleuren/trekken en/of

- (terwijl die [slachtoffer] telkens het bewustzijn verloor) die [slachtoffer] tegen het hoofd en/of elders tegen het (boven)lichaam te stompen/slaan en/of (met geschoeide voet) te schoppen/trappen;

althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 22 september 2013 te Bussum, althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen, althans éénmaal, (met kracht)

- tegen het (achter)hoofd van die [slachtoffer] heeft gestompt/geslagen (ten gevolge waarvan die [slachtoffer] op de grond is gevallen) en/of

- (terwijl die [slachtoffer] op de grond lag) hem aan zijn voet(en)/arm(en) over de grond heeft gesleurd/getrokken en/of

- (terwijl die [slachtoffer] telkens het bewustzijn verloor) die [slachtoffer] tegen het hoofd en/of elders tegen het (boven)lichaam heeft gestompt/geslagen en/of (met geschoeide voet) geschopt/getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2.

hij op of omstreeks 22 september 2013 te Bussum, althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen diverse kledingstukken zoals een jas en/of een overhemd en/of sokken en/of een spijkerbroek en/of een t-shirt en/of een riem en/of een portemonnee (onder andere inhoudende een geldbedrag van ongeveer 5 Euro en/of een rijbewijs ten name van [slachtoffer] en/of bankpassen ten name van [slachtoffer] en/of creditcards ten name van [slachtoffer]) en/of een sleutelbos, in elk geval enig

goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn medeverdachte(n) meermalen, althans éénmaal, (met kracht)

- tegen het (achter)hoofd van die [slachtoffer] heeft/hebben gestompt/geslagen (ten gevolge waarvan die [slachtoffer] op de grond is gevallen) en/of

- (terwijl die [slachtoffer] op de grond lag) hem aan zijn voet(en)/arm(en) over de grond heeft/hebben gesleurd/getrokken en/of

- (terwijl die [slachtoffer] telkens het bewustzijn verloor) die [slachtoffer] tegen het hoofd en/of elders tegen het (boven)lichaam heeft/hebben gestompt/geslagen en/of (met geschoeide voet) geschopt/getrapt en/of

- alle kleding van die [slachtoffer] heeft/hebben uitgetrokken.

3 DE VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouwe heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 primair ten laste gelegde, de poging tot doodslag. Daartoe heeft zij aangevoerd dat er geen wettig en overtuigend bewijs voorhanden is dat verdachte het slachtoffer heeft gestompt en heeft geschopt/getrapt tegen het hoofd. Daarnaast levert het slaan tegen het hoofd en schoppen tegen het lichaam niet zonder meer de aanmerkelijk kans op overlijden op. Bovendien was verdachte zich niet bewust van de aanmerkelijke kans van overlijden en heeft hij deze kans ook niet aanvaard en op de koop toegenomen, zodat er geen sprake is van voorwaardelijk opzet op de dood.

Voorts heeft de raadsvrouwe vrijspraak bepleit van het subsidiair ten laste gelegde, de zware mishandeling, nu er geen sprake is van zwaar lichamelijk letsel.

De raadsvrouwe heeft ten slotte vrijspraak bepleit van de onder 2 ten laste gelegde geweldscomponent nu het geweld niet is gepleegd met het doel de diefstal mogelijk of succesvol te maken.

Ten aanzien van het onder 1 meer subsidiair en de onder 2 impliciet ten laste gelegde eenvoudige diefstal heeft de raadsvrouwe zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Voorts heeft de raadsvrouwe verzocht om het minderjarigenstrafrecht toe te passen, tenzij dit zou leiden tot aanhouding van de zaak in verband met het opvragen van nieuwe rapportages.

Het oordeel van de rechtbank1

De rechtbank heeft kennisgenomen van de inhoud van de stukken van het onderliggende strafdossier en van hetgeen bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gebracht.

In het dossier bevindt zich een aangifte van 22 september 2013 van [slachtoffer].

Hij verklaarde bij de politie dat hij op zondagnacht 22 september 2013 vlakbij café [cafenaam] was en dat hij daar ineens een harde klap op zijn achterhoofd voelde. Gelijk zag hij dat het verdachte was samen met een andere jongen. Vervolgens kreeg hij nog meer klappen op zijn hoofd van deze jongens. Hij kwam op de grond terecht, voelde dat hij geschopt en getrapt werd en dat hij over de straat werd gesleurd. Hierna deden verdachte en de andere jongen zijn kleding uit en hoorde hij dat één van de jongens zei: ‘Die broek neem ik mee’. Op een bepaald moment kon hij wegkomen en verstopte hij zich in een tuin. Hij zag dat de jongens zijn kleding meenamen. Ook zijn portemonnee en sleutels waren weg.2

[slachtoffer] is op 23 september 2013 aanvullend verhoord bij de politie. Toen verklaarde hij dat hij in de Nieuwe Spiegelstraat een klap op zijn achterhoofd had gekregen en dat hij daarna zijn bewustzijn had verloren. Op het moment dat hij weer bijkwam zag hij dat hij door verdachte en [medeverdachte] aan zijn voeten werd weggesleept. Beide personen begonnen op hem in te trappen en hij raakte weer buiten bewustzijn. Op een gegeven moment voelde hij dat zijn portemonnee uit zijn zak werd gehaald waarbij verdachte zei: ‘Laat hem maar hier’.

Daarna werd hij geschopt en raakte hij nogmaals buiten bewustzijn. Later wilde hij opstaan maar voelde hij dat hij geen jas meer aan had. Hij werd weer geschopt en zij trokken zijn kleding uit. Verdachte zei: ‘Ik wil zijn broek hebben.’3

Op 11 december 2013 heeft [slachtoffer] nogmaals een verklaring afgelegd bij de politie.

Hij verklaarde dat hij van achteren was geraakt waardoor hij op de grond viel. Of hij getrapt of geduwd werd wist hij niet meer. Hij raakte buiten bewustzijn. Later voelde hij dat hij door verdachte en[medeverdachte] aan zijn voeten over de straat werd gesleept en dat hij door beide jongens hard werd gestompt over zijn hele lijf, ook tegen de zijkant en de achterkant van zijn hoofd. Tevens werd hij in zijn buikstreek geschopt. Hij was machteloos en hield zijn ogen bewust dicht. Pijn voelde hij overal en hij hoorde de jongens discussiëren of zij zijn portemonnee zouden meenemen. Kort daarna kwam hij weer even bij en zag hij dat verdachte cirkelende bewegingen met zijn been maakte en hem een keiharde trap gaf met zijn geschoeide rechter voet. Vervolgens verloor zijn bewustzijn. Toen hij later bij kwam hoorde hij verdachte zeggen: ‘Ik wil zijn broek hebben.’ en werd hij helemaal uitgekleed. Overal voelde hij veel pijn. De jongens waren erg lacherig tijdens het gebeuren.4

Uit de letstelverklaring van 23 september 2013 volgt dat het linker oor uitwendig was beschadigd, dat er een schaafwond zichtbaar was van 5x4 cm rechts op het voorhoofd en er op de linker elleboog een aantal schaafwonden te zien waren. Voorts was er op het rechter oor een bloeduitstorting, aan de linker onderarm een streepvormige verwonding, op de linker schouder een schaafwond van 6x6 cm en op de rechter schouder een kleine schaafwond.

Op links en rechts in de flanken van het slachtoffer waren uitgebreide schaafwonden zichtbaar ter grootte van 20x18 cm, als gevolg van de versleping, welke zich voortzetten op het bovenbeen aan de buitenzijde. Ten slotte was op de rechter knie een schaafwond van 5x3 cm en aan de rechter voet aan de binnenzijde ter hoogte van de grote teen een drietal schaafwonden zichtbaar.

Ten aanzien van het herstel merkte de arts op dat de schaafwonden binnen 3 weken hersteld zouden moeten zijn. Het oor kon eventueel nog complicaties geven en het psychisch trauma zou nog lange tijd kunnen opspelen.5

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij op 22 september 2013 ’s nachts samen met [medeverdachte] naar huis wilde lopen en dat zij ter hoogte van de Nieuwe Spiegellaan in Bussum een jongen, [slachtoffer], in de bosjes zagen liggen die buiten bewustzijn was.[medeverdachte] wilde zijn geld rippen. Precies weet hij het niet omdat hij behoorlijk wat alcohol had gedronken die avond. Hij pakte de portemonnee van [slachtoffer] en[medeverdachte] begon hem te trappen. Daarna trapte hij [slachtoffer] ook, trok hij zijn kleding uit en plaste hij over [slachtoffer] heen. Vervolgens werd [slachtoffer] anderhalve meter versleept door hem en[medeverdachte].6

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij, toen ze [slachtoffer] aantroffen, tikjes met zijn voet tegen het lichaam van [slachtoffer] heeft gegeven om te kijken wat er met hem was.[medeverdachte] en hij hebben [slachtoffer] daarna ook geschopt, maar niet tegen zijn hoofd. Beiden hebben [slachtoffer] geslagen en gestompt, zijn kleding uitgetrokken en hem versleept.

Medeverdachte[medeverdachte] verklaarde bij de politie dat hij [slachtoffer] in de bosjes zag liggen en dat verdachte [verdachte] naar hem toe ging en aan hem begon te schudden. [verdachte] sloeg [slachtoffer] met zijn vuist op zijn hoofd. [verdachte] haalde de portemonnee uit de zak van [slachtoffer] en sloeg hem drie keer op zijn hoofd en een keer op zijn schouder. Hij sloeg met zijn linker vuist. Vervolgens trok [verdachte] de kleding van [slachtoffer] uit en samen versleepten ze hem. Het zou kunnen dat hij [slachtoffer] ook heeft geschopt.7 Van het gebeuren heeft hij een filmpje met zijn telefoon gemaakt.

De kleding en portemonnee van het slachtoffer nam hij mee naar huis.8

Uit voorgaande verklaringen volgt dat verdachte en zijn medeverdachte [slachtoffer] meerdere malen hebben geslagen en gestompt tegen zijn hoofd en lichaam, dat zij hem over de grond hebben gesleept en dat zij hem hebben getrapt en geschopt met geschoeide voet tegen het lichaam. Dat zij hem ook tegen het hoofd zouden hebben geschopt volgt alleen uit de verklaring van [slachtoffer] [slachtoffer]. Deze verklaring wordt niet ondersteund door de overige bewijsmiddelen in het dossier, zodat de rechtbank verdachte zal vrijspreken van trappen tegen het hoofd.

Nadere bewijsoverwegingen feit 1

De rechtbank ziet zich allereest voor de vraag geplaatst of het slaan en stompen tegen het hoofd en lichaam en het trappen en schoppen met geschoeide voet tegen het lichaam van [slachtoffer] [slachtoffer] de primair ten laste gelegde poging tot doodslag oplevert. Daarbij is van belang om vast te stellen of verdachte opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, op de dood van het slachtoffer had.

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – in casu de dood van het slachtoffer – is aanwezig indien verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht.

De rechtbank is van oordeel dat het slaan en stompen tegen het hoofd en lichaam en het trappen en schoppen met geschoeide voet tegen het lichaam, de kans op het ten gevolge daarvan overlijden van een slachtoffer, naar algemene ervaringsregels, niet aanmerkelijk te noemen is. Van opzet, ook in voorwaardelijke vorm, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.

De rechtbank zal verdachte derhalve vrijspreken van het onder 1 primair ten laste gelegde.

Voorts ziet de rechtbank zich voor de vraag geplaatst of het handelen van verdachte en zijn medeverdachte zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer] [slachtoffer] heeft veroorzaakt, zoals onder 1 subsidiair ten laste is gelegd.

Uit het dossier blijkt dat aangever (schaaf)wonden had op zijn hoofd en lichaam, letsel aan zijn oor en (mogelijk) een psychisch trauma. Nu uit de voorhanden zijnde stukken niet blijkt dat er geen uitzicht is op volkomen genezing en/of voortdurende ongeschiktheid tot uitoefening van zijn beroepsbezigheden aan de zijde van het slachtoffer, kan niet gezegd worden dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht.

Verdachte dient daarom van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt voorts dat de hiervoor omschreven handelingen – met name het slaan en stompen tegen het hoofd en het trappen en schoppen met geschoeide voet tegen het lichaam – wel zwaar lichamelijk letsel tot gevolg kunnen, hebben aangezien het een feit van algemene bekendheid is dat zich in het hoofd en in de buikstreek kwetsbare delen bevinden. Daarmee zijn dit uitvoeringshandelingen van een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

De handelingen van verdachte en medeverdachte moeten, gezien de uiterlijke verschijningsvorm, ook geacht worden op dat letsel gericht te zijn geweest. In ieder geval hebben verdachte en medeverdachte, door aldus te handelen, zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel op zou lopen.

De rechtbank acht het onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde derhalve wettig en overtuigend bewezen.

Nadere bewijsoverwegingen feit 2

Uit de aangifte9 en de verklaringen van verdachte10 en zijn medeverdachte11 volgt dat de kleding, de portemonnee en de sleutels van [slachtoffer] [slachtoffer] door verdachte en zijn medeverdachte zijn weggenomen. Dat het door verdachte en medeverdachte gebruikte geweld is aangevangen of voortgezet ten behoeve van het wegnemen van deze goederen, volgt niet uit het dossier. Dit betekent dat de rechtbank de onder 2 ten laste gelegde diefstal in verenging wettig en overtuigend bewezen acht maar zal vrijspreken van de geweldpleging.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat:

hij op 22 september 2013 te Bussum, tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen,

- tegen het (achter)hoofd van die [slachtoffer] heeft gestompt/geslagen (ten gevolge waarvan die [slachtoffer] op de grond is gevallen) en

- (terwijl die [slachtoffer] op de grond lag) hem aan zijn voet(en)over de grond heeft gesleurd/getrokken en

- (terwijl die [slachtoffer] telkens het bewustzijn verloor) die [slachtoffer] tegen het hoofd en elders tegen het (boven)lichaam heeft gestompt/geslagen en (met geschoeide voet) geschopt/getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2.

hij op 22 september 2013 te Bussum, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen diverse kledingstukken zoals een jas en een overhemd en sokken en een spijkerbroek en een t-shirt en een riem en een portemonnee (onder andere inhoudende een geldbedrag van ongeveer 5 Euro en een rijbewijs ten name van [slachtoffer] en bankpassen ten name van [slachtoffer] en creditcards ten name van [slachtoffer]) en een sleutelbos, toebehorende aan [slachtoffer].

6 KWALIFICATIE

Het bewezene levert op:

Feit 1 meer subsidiair

Medeplegen van poging tot zware mishandeling

Feit 2

Diefstal door twee verenigde personen.

7 STRAFBAARHEID

De feiten en verdachte zijn strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

8 STRAFOPLEGGING

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden waarvan 6 maanden gevangenisstraf voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met als bijzondere voorwaarden een meldplicht en reclasseringstoezicht, ook als dit inhoudt deelname aan de gedragsinterventie Alcohol & Geweld, een ambulante behandeling bij

De Waag of een soortgelijke instelling, een alcohol- en drugsverbod, een locatiegebod (uitgaansgelegenheden) en een contactverbod met het slachtoffer [slachtoffer] [slachtoffer].

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouwe heeft verzocht bij de oplegging van een straf rekening te houden met de jeugdige leeftijd van verdachte, het feit dat hij niet eerder met politie en/of justitie in aanraking is geweest, hij veel spijt heeft en de deskundigen geadviseerd hebben hem enigszins verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen. Voorts heeft de raadsvrouwe -op dezelfde gronden- verzocht om het minderjarigensanctierecht toe te passen.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

Verdachte heeft samen met een ander het slachtoffer meerdere malen geslagen en geschopt. Het slachtoffer had hieraan zwaar lichamelijk letsel kunnen overhouden. Het is niet aan het handelen van verdachte en zijn medeverdachte te danken dat dit gevolg niet is ingetreden. Van slachtoffers van mishandeling is bekend dat zij een dergelijke gebeurtenis als zeer traumatisch kunnen ervaren en dat zij nog lang last kunnen hebben van gevoelens van onveiligheid, zeker in het onderhavige geval nu het slachtoffer tevens is vernederd doordat hij is uitgekleed, gefilmd en er over hem heen is geplast. De rechtbank rekent dit verdachte ernstig aan.

De rechtbank heeft kennisgenomen van een de verdachte betreffend Pro Justitia rapportage d.d. 5 december 2013 opgemaakt door mr. Drs. R.A. Sterk, psycholoog. Hieruit volgt dat bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de vorm van cannabisafhankelijkheid en van misbruik van alcohol. Tevens is er sprake van een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling in antisociale richting. Verdachte kan als gevolg van de geconstateerde psychische problematiek niet goed in staat worden geacht om zijn wil, geheel in vrijheid te kunnen bepalen. Geadviseerd wordt om verdachte enigszins verminderd toerekeningsvatbaar te achten.

Gelet op zijn overmatige gebruik van middelen en zijn bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling wordt de kans op herhaling als licht verhoogd ingeschat.

Ten aanzien van de geconstateerde psychische problematiek is behandeling dan ook geïndiceerd. De behandeling dient zich te richten op zijn inadequate copingstijl waaronder begrepen zijn overmatige middelengebruik en zijn antisociale gedrag. De persoonlijkheid van verdachte is nog niet verhard en is in ontwikkeling. Gezien de aard van de problematiek lijkt een ambulante behandeling voldoende om tot gedragsverandering te komen. Geadviseerd wordt om verdachte deze behandeling op te leggen waarbij aandacht uitgaat naar zijn verstoorde copingstijl, waaronder zijn middelengebruik begrepen. Dit zou kunnen door verdachte een delictscenarioprocedure aan te bieden. Naar aanleiding daarvan kunnen specifiekere behandeldoelen worden geformuleerd. Een dergelijke behandeling zou verdachte geboden kunnen worden bij De Waag. Om verdachte optimaal extern te motiveren voor een dergelijke behandeling zou deze als bijzondere voorwaarde bij een (deels) voorwaardelijk strafdeel kunnen worden opgelegd. De Reclassering zou, in het kader van een verplicht reclasseringscontact, toe kunnen zien op het handhaven van de voorwaarden en zorg kunnen dragen voor de aanmelding.

Ten slotte komt uit deze rapportage naar voren dat er geen argumenten zijn gevonden die aanleiding geven om het minderjarigenstrafrecht toe te passen. Verdachte beschikt op verstandelijk niveau over hoog gemiddelde intellectuele capaciteiten, hetgeen wijst op intellectueel leeftijdsadequaat functioneren. Op sociaal-emotioneel niveau is er bij verdachte sprake van enige onrijpheid. Hij worstelt met adolescenten problematiek, gecompliceerd door problemen in de gezinssituatie. Dit heeft tot gevolg dat de persoonlijkheidsontwikkeling tot op heden enigszins verstoord verloopt maar dit gaat niet zover dat er gesproken kan worden van een functioneren op een duidelijk minderjarig niveau.

Tevens heeft de rechtbank kennisgenomen van een de verdachte betreffend reclasseringsadvies d.d. 10 december 2013 opgemaakt door E. Houwers. Hieruit komt naar voren dat er sprake is van een aantal delictgerelateerde factoren, namelijk zijn alcohol- en drugsgebruik, zijn vriendenkring en zijn gedrag. Verdachte heeft omgang met een aantal jongens die drugs en alcohol gebruiken. Het alcoholgebruik is na het behalen van zijn HAVO-examen toegenomen en verdachte dronk excessief. Daarnaast gebruikt hij al enkele jaren dagelijks softdrugs. In het verleden heeft verdachte psychologische hulp gehad omdat hij op school last had van woede-uitbarstingen.

In september 2013 is verdachte gestart met een HBO-opleiding bouwkunde. Hij is van goede komaf en woont met zijn moeder in [woonplaats]. Zijn moeder ondersteunt hem financieel gezien en er zijn geen schulden. Om het recidiverisico te beperken wordt ingeschat dat verdachte hulp kan gebruiken op het gebied van middelengebruik, vrienden en zijn gedrag.

Geadviseerd wordt verdachte een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, deelname aan de gedragsinterventie Alcohol & Geweld, een behandelverplichting bij de Waag of soortgelijke ambulante forensische psychiatrische zorg teneinde zich te laten behandelen voor zijn inadequate copingstijl en middelengebruik en een locatiegebod voor [adres] in [woonplaats] voor de duur van maximaal 6 maanden.

De rechtbank vindt in de ernst van het met name onder 1 meer subsidiair bewezenverklaarde feit en gelet op het rapport van de psycholoog, die in de persoon en de persoonlijkheid van verdachte geen argumenten hebben gevonden om het minderjarigenstrafrecht toe te passen, grond om recht te doen overeenkomstig de bepalingen van het meerderjarigenstrafrecht.

De rechtbank is voorts van oordeel dat op onderhavige feiten niet anders kan worden gereageerd dan met het opleggen van een vrijheidsbenemende straf.

Bij haar oordeelsvorming omtrent de uiteindelijke duur van de vrijheidsstraf betrekt de rechtbank de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals deze naar voren zijn gekomen in de rapporten van de psycholoog en de Reclassering en zoals die ook overigens ter terechtzitting zijn gebleken. Ten voordele van verdachte houdt de rechtbank rekening met het ontbreken van een strafblad. Tevens betrekt de rechtbank in haar overwegingen de nog jeugdige leeftijd van verdachte ten tijde van de strafbare feiten.

Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren passend en geboden is.

De officier van justitie is bij zijn eis uitgegaan van een bewezenverklaring van het medeplegen van een poging tot doodslag (feit 1 primair) en het medeplegen van diefstal met geweld (feit 2). Dat de rechtbank niet het medeplegen van een poging tot doodslag bewezen heeft verklaard maar het medeplegen van een poging tot zware mishandeling (feit 1 meer subsidiair) en zij tevens vrijspreekt van de geweldscomponent van feit 2 draagt bij aan het oordeel dat een straf lager dan door de officier van justitie gevorderd, passend is.

De rechtbank is voorts - met de deskundigen - van oordeel dat het van groot belang is dat verdachte wordt begeleid, ondersteund en behandeld voor de bij hem aanwezige problematiek. De rechtbank kan zich verenigen met hetgeen voornoemde deskundigen daaromtrent hebben geadviseerd en zal als bijzondere voorwaarden reclasseringstoezicht, deelname aan de gedragsinterventie Alcohol & Geweld, een ambulante behandeling bij

De Waag of een soortgelijke instelling, een alcohol- en drugsverbod, een locatiegebod en een contactverbod met het slachtoffer [slachtoffer] [slachtoffer] opleggen.

9 DE BENADEELDE PARTIJ

Voor aanvang van de terechtzitting heeft [slachtoffer] zich als benadeelde partij in dit geding gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van schade ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde feiten. De hoogte van die schade wordt door de benadeelde partij begroot op een bedrag van € 12.626,82 bestaande uit € 350,00 eigen risico zorgverzekering, € 1.051,13 aan inkomstenderving, € 100,00 aan reis- en telefoonkosten,

€ 3.625,69 aan kosten rechtsbijstand en € 7.500,00 immateriële schade.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de volledige toewijzing van de vordering aan de benadeelde partij gevorderd met toepassing van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouwe heeft verzocht het gevorderde eigen risico niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen nu de ouders van het slachtoffer dit bedrag hebben voldaan. Tevens heeft zij verzocht de reis- en telefoonkosten als onvoldoende onderbouwd niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen. Ten aanzien van de kosten van rechtsbijstand heeft de raadsvrouwe verzocht aansluiting te zoeken bij het civiele liquidatietarief.

De gevorderde immateriële schade dient te worden gematigd nu in vergelijkbare zaken lagere bedragen zijn toegewezen.

Het oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank, is op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan, dat de benadeelde partij als gevolg van de bewezenverklaarde feiten materiele schade heeft geleden tot een bedrag van € 2.269,13, te weten € 350,00 aan eigen risico zorgverzekeraar,

€ 100,00 reis- en telefoonkosten, € 1.051,13 inkomstenderving en € 768,00 aan kosten rechtsbijstand. Ten aanzien van de kosten van rechtsbijstand heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij het bij de behandeling van civiele zaken gebruikelijke liquidatietarief. Bij de berekening – op grond van genoemd liquidatietarief – is de rechtbank uitgegaan van de verrichte werkzaamheden, te weten het indienen van de vordering (1 punt) en het geven van een (mondelinge) toelichting ter terechtzitting (1 punt). De geldswaarde in hoofdsom ligt in casu onder de € 10.000,00 zodat tarief I geldt (een tarief van € 384,00 per punt). In totaal komt daarmee in aanmerking een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand tot een bedrag van € 768,00.

De rechtbank bepaalt de vergoeding voor de immateriële schade ex aequo et bono op een bedrag van € 5.000,00. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat het letsel als zodanig niet leidt tot toekenning van een dergelijk bedrag maar nu het slachtoffer in het onderhavige geval ernstig is vernederd doordat hij is uitgekleed en over hem heen is geplast, is de rechtbank van oordeel dat een hogere vergoeding gerechtvaardigd is.Tevens is van belang dat het gebeuren is gefilmd door verdachte en zijn medeverdachte. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank een bedrag van € 5.000,00 aan immateriële schadevergoeding op zijn plaats.

In totaal is de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 7.769,13 toewijsbaar.


Als extra waarborg voor betaling aan de benadeelde partij zal de rechtbank overeenkomstig artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsom ten behoeve van de benadeelde partij.

De vordering van de benadeelde partij levert naar het oordeel van de rechtbank voor wat betreft het meer gevorderde een onevenredige belasting op van het strafgeding. De rechtbank zal derhalve bepalen dat de benadeelde partij voor dat deel in zijn vordering niet-ontvankelijk is en dat de vordering ter zake dit deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

10 TOEPASSELIJKHEID WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 36f, 45, 47, 57, 302 en 310 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1 meer subsidiair en 2 ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van hetgeen onder 1 meer subsidiair en 2 meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart de bewezen verklaarde feiten strafbaar;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte, groot 3 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond van het feit dat de verdachte zich gedurende de proeftijd van 2 jaar de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarden dat de verdachte:

* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte:

* zich zal melden bij Reclassering Flevoland zolang en zo frequent als de reclassering dit noodzakelijk acht;

* zal deelnemen aan de gedragsinterventie Alcohol & Geweld;

* zich onder behandeling zal stellen van De Waag of en soortelijke instelling en zich zal houden aan de tijden en plaatsen als door of namens die instelling aan te geven, teneinde zich te laten behandelen;

* geen alcohol en drugs gebruikt. De controle op de naleving van deze bijzondere voorwaarde zal ondersteund worden door middel van middelencontrole;

* zich niet zal bevinden aan [adres] in[woonplaats], voor de duur van maximaal 6 maanden;

* op geen enkele wijze -direct of indirect- contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer];

- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

Benadeelde partij

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer], van een bedrag van € 7.769,13 met veroordeling tevens van verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

- legt op aan verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 7.769,13 ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer], bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 73 dagen hechtenis;

- bepaalt dat, indien verdachte (gedeeltelijk) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] (in zoverre) komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte (gedeeltelijk) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer], daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat (in zoverre) komt te vervallen;

- bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer] voor wat het meer gevorderde betreft in zijn vordering niet-ontvankelijk is en dat hij zijn vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Iedema, voorzitter, mr. G. Blomsma, en

mr. R.C.L. Hamming, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.J. de Vries, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 december 2013.

Mr. Iedema en mr. Hamming waren buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met nummer 2013040043, doorgenummerd 1 tot en met 116.

2 Pagina 6 en 7

3 Pagina 14 tot en met 16

4 Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal nummer PL14NB-2013040043-43, opgemaakt door [verbalisant], brigadier van Politie Gooi- en Vechtstreek, en gesloten op 11 december 2013, houdende proces-verbaal van verhoor aangever, blad 1 en 2.

5 Pagina 20

6 Pagina 76 tot en met 78

7 Pagina 97 tot en met 99

8 Pagina 108

9 Zie voetnoot 2

10 Zie voetnoot 6

11 Zie voetnoot 8