Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:7504

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
23-12-2013
Datum publicatie
31-12-2013
Zaaknummer
16-661496-13 en 16-116574-12 (ter terechtzitting gevoegd)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontslag van alle rechtsvervolging voor inbraak, bedreiging en mishandeling. Plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis (37 Sr).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/661496-13 en 16/116574-12 (ter terechtzitting gevoegd) (P)

vonnis van de meervoudige strafkamer van 23 december 2013

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te[geboorteplaats] op [geboortedatum],

thans gedetineerd in het Huis van Bewaring locatie Nieuwegein te Nieuwegein.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 5 augustus 2013 en 9 december 2013. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. D. van den Broek, advocaat te Utrecht.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de advocaat, mr. D. van den Broek, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

16/661496-13

Feit 1: op 20 mei 2013 in Driebergen-Rijsenburg heeft geprobeerd in te breken bij de Gall & Gall;

Feit 2: op 20 mei 2013 in Driebergen-Rijsenburg [slachtoffer 1], politieambtenaar, heeft bedreigd;

Feit 3: op 22 oktober 2013 in Utrecht [slachtoffer 2] heeft mishandeld;

Feit 4: op 30 oktober 2013 in Utrecht een persoon (bekend onder nummer 747172) heeft bedreigd;

Feit 5: op 22 oktober 2013 in Utrecht een persoon (bekend onder nummer 747179) heeft mishandeld;

16/116574-12

op 26 mei 2012 te Driebergen [hoofdagent 1] en [hoofdagent 2], beiden hoofdagent van Politie Utrecht, heeft beledigd.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen te verklaren.

4.2

Het standpunt van de verdediging

16/661496-13

De verdediging heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van feit 1, aangezien verdachte niet het oogmerk van wederrechtelijk toe-eigening had. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat verdachte dit feit pleegde uit sensatiezucht, niet met het doel om zich goederen toe te eigenen.

Ten aanzien van de bewezenverklaring van feit 2 heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De verdediging heeft voorts bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van feit 3, aangezien verdachte niet het opzet had om aangeefster te raken. Ook met betrekking tot feit 4 is de verdediging van mening dat het opzet op de bedreiging ontbreekt, omdat, gelet op de persoon van de verdachte, het onvoldoende duidelijk is dat het zijn bedoeling was aangeefster bang te maken.

De verdediging is van mening dat feit 5 bewezen kan worden verklaard voor wat betreft de kopstoot. Voor het schoppen tegen het scheenbeen is volgens de verdediging te weinig bewijs, zodat verdachte hiervan dient te worden vrijgesproken.

16/116574-12

Ten aanzien van het feit dat is ten laste gelegd onder parketnummer 16/116574-12 heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.3

Het oordeel van de rechtbank1

Bewijs ten aanzien van feit 1 (16/661496-13)

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 ten laste gelegde heeft begaan op grond van het navolgende.

Op 20 mei 2013 heeft [benadeelde] (hierna te noemen [benadeelde]), namens Ahold Vastgoed B.V., aangifte gedaan. [benadeelde] heeft verklaard dat hij eigenaar is van de Gall & Gall aan [adres] in Driebergen-Rijsenburg.2 [benadeelde] zag op 20 mei 2013 dat gepoogd was de deuren van het pand te forceren. Verder zag [benadeelde] dat de metalen deur verbogen was. Op de gelaagde ruit van de rechterdeur zag [benadeelde] diverse slagsporen en hij zag dat er twee gaten in het glas zaten.3

Op 21 mei 2013 heeft verdachte verklaard dat hij heeft geprobeerd in te breken bij de Gall & Gall op het Binnenhof, maar dat hij direct door de politie is gepakt.4 Verdachte heeft verder verklaard dat hij een hamer en een koevoet bij zich had. Met de koevoet probeerde hij de deur te openen. Toen dat niet lukte, sloeg hij met de hamer op het glas. Verdachte verklaarde dat hij geld mee wilde nemen en wellicht ook een fles Goldstrike.5

Bewijsoverweging ten aanzien van feit 1

Gelet op de verklaring van verdachte dat hij bij de inbraak onder andere geld wilde wegnemen, is de rechtbank, anders dan de verdediging, van oordeel dat bij verdachte het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening aanwezig was.

Bewijs ten aanzien van feit 2 (16/661496-13)

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 2 ten laste gelegde heeft begaan op grond van het navolgende.

Op 21 mei 2013 heeft [slachtoffer 1] (hierna te noemen[slachtoffer 1]), brigadier van politie, aangifte gedaan van het feit dat hij is bedreigd tijdens de uitoefening van zijn functie.6[slachtoffer 1] kreeg op 21 mei 2013 van de meldkamer de opdracht om naar het Binnenhof in Driebergen te gaan.7[slachtoffer 1] zag een persoon uit de struiken opspringen. De persoon stond met beide armen omhoog en had een breekijzer in zijn handen. Gelet op de geringe afstand tussen die persoon en[slachtoffer 1] was er een gerede kans dat hij[slachtoffer 1] ook daadwerkelijk iets aan kon doen met het breekijzer.8

Verdachte heeft op 23 mei 2013 bij de rechter-commissaris verklaard dat hij het breekijzer vast had en daarmee heeft gezwaaid.9

Bewijs ten aanzien van feit 3 (16/661496-13)

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 3 ten laste gelegde heeft begaan op grond van het navolgende.

Op 25 oktober 2013 heeft [slachtoffer 2] (hierna te noemen[slachtoffer 2]) aangifte gedaan van mishandeling.[slachtoffer 2] heeft verklaard dat zij op 22 oktober 2013 een gesprek had met verdachte in het UMC Utrecht.10[slachtoffer 2] zag dat verdachte een glazen beker vasthad en deze in haar richting gooide.[slachtoffer 2] voelde dat de beker haar ribben raakte en dat dit pijn deed. Verder heeft[slachtoffer 2] verklaard dat ze een kleine blauwe plek heeft op de plaats waar de beker haar lichaam raakte.11

Op 28 november 2013 heeft een getuige, bij de politie bekend onder het nummer 755630, een verklaring afgelegd. Voornoemde getuige was op 22 oktober 2013 aanwezig bij een behandelplan-bespreking tussen een behandelaar en verdachte.12 De getuige zag dat verdachte het glas dat hij vasthad naar de behandelaar gooide. Het glas kwam, via een pilaar, tegen het lichaam van de behandelaar.13

Bewijs ten aanzien van feit 4 (16/661496-13)

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 4 ten laste gelegde heeft begaan op grond van het navolgende.

Op 4 november 2013 heeft een persoon, bij de politie bekend onder het nummer 747172, aangifte gedaan van bedreiging. Voornoemd persoon heeft verklaard dat ze op 30 oktober 2013 in het UMC Utrecht een afspraak had met verdachte. Tijdens het gesprek zag ze dat verdachte boos werd en zich groot maakte.14 Ze hoorde dat verdachte tegen haar zei: “Als ik je buiten tegenkom, ga ik je wurgen” en “Ik wil dat je dood gaat. Ik wil dat je dood neervalt”.15

Op 2 december 2013 heeft een persoon, bij de politie bekend onder het nummer 756140, een getuigenverklaring afgelegd. Voornoemd persoon heeft verklaard op 30 oktober 2013 aanwezig te zijn geweest bij een gesprek in het UMC Utrecht tussen verdachte en zijn behandelend arts. De getuige verklaarde dat verdachte tegen de arts zei: “Als ik je buiten tegenkom, ga ik je wurgen. Ik hoop dat je dood neervalt”.16

Bewijsoverweging ten aanzien van feit 3 en feit 4

De verdediging heeft betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van feit 3 en feit 4. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat verdachte niet het opzet had aangeefster[slachtoffer 2] met het glas te raken (feit 3) en hij evenmin het opzet had om aangeefster, bekend onder nummer 747172, bang te maken (feit 4). Daarbij heeft de verdediging opgemerkt dat rekening moet worden gehouden met de persoon van verdachte en zijn gemoedstoestand op dat moment.

De rechtbank vat het verweer van de verdediging zo op, dat verdachtes opzet op het plegen van bovengenoemde feiten, gezien zijn psychische gesteldheid, niet aanwezig was. Vooropgesteld dient te worden dat een psychische stoornis die een toerekening in de weg staat, niet uitsluit dat verdachte het delict opzettelijk heeft gepleegd. Dit is, volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, slechts het geval “indien bij de verdachte ten tijde van zijn handelen ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan zou hebben ontbroken” (LJN AR3226, NJ 2006, 448). Naar het oordeel van de rechtbank is daar in dit geval geen sprake van. Zowel feit 3 als feit 4 vonden plaats naar aanleiding van een slecht nieuwsgesprek met verdachte. Nadat verdachte het slechte nieuws op 22 oktober 2013 te horen kreeg, heeft hij een glazen beker in de richting van aangeefster gegooid. Op 30 oktober 2013 heeft verdachte zich opnieuw agressief gedragen naar zijn gesprekspartner naar aanleiding van een slecht nieuwsgesprek. Verdachte heeft zich beide keren bewust gericht tot de persoon die hem het slechte nieuws overbracht. De rechtbank leidt hieruit af dat bij verdachte een zekere bewustheid aanwezig was en dus niet kan worden gezegd dat bij hem “ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan” ontbrak. De omtrent verdachte opgemaakte psychiatrische en psychologische rapportages maken dit niet anders.

Bewijs ten aanzien van feit 5 (16/661496-13)

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 5 ten laste gelegde heeft begaan op grond van het navolgende.

Op 4 november 2013 is aangifte gedaan door een persoon, die bij de politie bekend is onder het nummer 747179. Aangever was op 22 oktober 2013 in het UMC Utrecht aanwezig en werd gevraagd te assisteren bij een gesprek met verdachte.17 Aangever zag dat het hoofd van verdachte ineens dichterbij kwam en voelde een harde klap tegen zijn linker wenkbrauw. De kopstoot kwam hard aan bij aangever en deed pijn. Bijna direct verscheen er een bult op de plek waar verdachte hem geraakt had. Deze bult is ongeveer drie dagen blijven zitten.18

Op 28 november 2013 heeft een persoon, bij de politie bekend onder het nummer 755634, een getuigenverklaring afgelegd. Voornoemde getuige was op 22 oktober 2013 werkzaam in het UMC Utrecht.19 Getuige zag dat verdachte door het verplegend personeel naar de separeerruimte werd gebracht. Aan beide zijden van verdachte zat een verpleegkundige. Verdachte maakte plotseling een krachtige zijwaartse beweging met zijn hoofd naar rechts.20

Bewijsoverweging ten aanzien van feit 5

De rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte op 22 oktober 2013 een persoon (bekend onder nummer 747179) tegen het (scheen)been heeft geschopt. Naast de verklaring van de persoon die aangifte heeft gedaan, bevat het dossier namelijk geen bewijsmiddelen die deze verklaring ondersteunen. Verdachte zal daarom van het schoppen tegen het (scheen)been worden vrijgesproken.

Bewijs ten aanzien van het feit onder 16/116574-12

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder parketnummer 16/116574-12 ten laste gelegde heeft begaan op grond van het navolgende.

Op 26 mei 2012 bevonden [hoofdagent 1] en [hoofdagent 2], beiden hoofdagent van politie en belast met de incidentenafhandeling, zich in Driebergen.21 Ze hoorden een man luidkeels naar hen schreeuwen: “Kankerlijers”.22 Nadat de man was aangehouden, hoorden ze hem opnieuw meermalen zeggen: “Kankerlijers”. Op de identiteitskaart stond de naam: [verdachte], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats].23

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4 genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

(16/661496-13)

1.

op 20 mei 2013 te Driebergen-Rijsenburg, gemeente Utrechtse Heuvelrug, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een winkel Gall&Gall [benadeelde], gelegen aan [adres], weg te nemen geld/goederen, geheel of ten dele toebehorende aan winkelbedrijf Gall&Gall, en zich daarbij de toegang tot die winkel te verschaffen en die/dat weg te nemen geld en/of goederen onder zijn bereik te brengen door middel van braak, immers heeft verdachte met een voorwerp de deur verbogen en beschadigd en met een hamer op de ruit geslagen, zijnde de uitvoering van het voorgenomen misdrijf niet voltooid;

2.

op 20 mei 2013 te Driebergen-Rijsenburg, gemeente Utrechtse Heuvelrug,[slachtoffer 1], politieambtenaar, heeft bedreigd met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een breekijzer omhoog gehouden terwijl die[slachtoffer 1] op korte afstand van verdachte stond en vervolgens zwaaiende bewegingen gemaakt met dat breekijzer;

3.

op 22 oktober 2013 te Utrecht, opzettelijk mishandelend, een glas heeft gegooid tegen de ribben van [slachtoffer 2], waardoor voornoemde[slachtoffer 2] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

4.

op 30 oktober 2013 te Utrecht een persoon bekend onder het nummer 747172 heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemd persoon dreigend de woorden toegevoegd: "Als ik je buiten tegenkom, ga ik je wurgen" en "Ik wil dat je dood gaat" en "Ik wil dat je dood neervalt";

5.

op 22 oktober 2013 te Utrecht opzettelijk mishandelend een persoon bekend onder het nummer 747179 met kracht een kopstoot heeft gegeven tegen de wenkbrauw, waardoor voornoemd persoon letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

(16/116574-12)

op 26 mei 2012 te Driebergen opzettelijk beledigend ambtenaren, te weten [hoofdagent 1], hoofdagent van Politie Utrecht en [hoofdagent 2], hoofdagent van Politie Utrecht, gedurende de rechtmatige uitoefening van hun bediening in dier tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd “Kankerlijers".

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als

(16/661496-13)

Feit 1: poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft of het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak

Feit 2: bedreiging met zware mishandeling

Feit 3: mishandeling

Feit 4: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

Feit 5: mishandeling

(16/116574-12)

Eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd.

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is in eerste instantie een tweetal rapporten uitgebracht over verdachte. Deze rapporten zijn, naar aanleiding van de terechtzitting van 5 augustus 2013, aangevuld door de gedragsdeskundigen.

In het rapport van G.H.E. van Hoecke, psychiater, d.d. 26 juli 2013, komt de gedragsdeskundige - zakelijk weergegeven - tot de volgende conclusie:

“Onderzochte heeft een ziekelijke stoornis, met name schizofrenie van het paranoïde type; daarnaast is hij afhankelijk van cannabis en alcohol. Hij heeft tevens een gebrekkige ontwikkeling, met name intellectuele vermogens die zich op een zwakbegaafd niveau situeren. Ten tijde van het ten laste gelegde was onderzochte zwakbegaafd, psychotisch en onder invloed van cannabis. Door een stoornis in zijn oordeelsvermogen, die door zijn geringe intellectuele mogelijkheden, zijn psychotische klachten en zijn cannabisgebruik aanwezig waren, dacht hij niet na of

een dergelijke diefstal wel geoorloofd was en dacht hij evenmin na over de gevolgen van een dergelijke actie. Als onderzoekster voor de bepaling van zijn toerekeningsvatbaarheid, de ernst van zijn psychiatrische stoornis in acht neemt, met name zijn psychose en de oordeel- en kritiekstoornissen ten gevolge van zijn verstandelijke beperking, en de beperking van het onderzoek, dan komt onderzoekster uit op een advies van sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid tot volledige ontoerekeningsvatbaarheid.”

In het aanvullend psychiatrisch onderzoek, d.d. 6 december 2013, wordt door G.H.E. van Hoecke - zakelijk weergegeven - het volgende geconcludeerd:

“In dit aanvullend onderzoek, werd onderzoekster geconfronteerd met enkele nieuwe bevindingen. Zo was de vraag beschreven door de behandelend psychiater van de PI Nieuwegein relevant, waarin onderzochte vroeg of de schade die hij had veroorzaakt door zijn inbraak, niet door de verzekering terugbetaald kon worden. Onderzoekster ziet dat als een illustratie voor zijn oordeel-en kritiekstoornissen ten gevolge van zijn verstandelijke beperking met betrekking tot zijn aandeel in het onder feit 1 ten laste gelegde. In het rapport dd. 26 juli 2013, gaf onderzoekster aan niet goed in staat te zijn om de ernst van zijn psychotische symptomen in te kunnen schatten, omdat onderzochte niet goed kon recapituleren hoe hij zich voelde ten tijde van het ten laste gelegde. Onderzoekster voelt zich verplicht er op te wijzen, dat onderzochte in het Pro Justitia onderzoek aangeeft vrij te zijn van het horen van stemmen, maar dat hij bij behandelaren in het UMC en de PI Nieuwegein wel aangeeft dagelijks stemmen te horen, zij het vaak op de achtergrond. Daarnaast vindt onderzoekster het ook relevant, dat het UMC in juli 2013, een voorwaardelijke RM (rechterlijke machtiging) in een onvoorwaardelijke RM heeft omgezet. De behandelaar in het UMC werd hiertoe genoodzaakt, omdat er een verslechtering intrad van zijn psychotisch toestandsbeeld, er sprake was van fors alcoholgebruik en cannabismisbruik en inadequate medicatie-inname. Door de combinatie van ernstige psychiatrische pathologie, met name schizofrenie van het paranoïde type en een verstandelijke beperking, die nog verder geaggraveerd wordt door afhankelijkheid van alcohol en cannabis, met een gedragsstoornis tot gevolg, schat onderzoekster de wilsvrijheid van onderzochte als dermate beperkt in, dat hij als ontoerekeningsvatbaar voor het onder feit 1 en 2 ten laste gelegde geacht dient te worden.

Onderzoekster vraagt de rechtbank te overwegen een opname te gelasten via een artikel 37 Wetboek van Strafrecht, plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis, indien het advies van volledige ontoerekeningsvatbaarheid wordt overgenomen.”

In het rapport d.d. 4 december 2013 komt drs. J.P.M. van der Leeuw, psycholoog, tot - zakelijk weergegeven - de volgende conclusie:

“De gecombineerde problematiek van betrokkene (psychiatrische problematiek, zwakbegaafdheid, verslavingsgevoeligheid die onlosmakelijk verbonden lijkt met de psychiatrische problematiek en psychosociale problematiek) heeft in het afgelopen jaar al geleid tot vele vormen van interventie, zowel poliklinisch als klinisch. De ernst, omvang en intensiteit van de problematiek van betrokkene zijn namelijk van dien aard dat enkel klinisch psychiatrische hulp vooralsnog soelaas kan bieden.

Gezien de getaxeerde ontoerekeningsvatbaarheid is te adviseren om betrokkene conform artikel 37 te plaatsen op een forensisch psychiatrische afdeling van een psychiatrisch ziekenhuis voor de maximale duur van een jaar.”

De rechtbank neemt de conclusies van de deskundigen, die met elkaar overeenstemmen, over wat betreft de ontoerekeningsvatbaarheid van feit 1 en feit 2 en is dus van oordeel dat verdachte voor deze feiten niet strafbaar is.

Naar het oordeel van de rechtbank was het door de gedragsdeskundigen omschreven ziektebeeld bij verdachte nog steeds aanwezig bij de feiten die gepleegd zijn op 22 en 30 oktober 2013 (feiten 3, 4 en 5) en heeft dit verdachtes handelen dusdanig beïnvloed dat dit hem niet kan worden toegerekend. De rechtbank leidt dit onder meer af uit het feit dat de voorwaardelijke RM in juli 2013 is omgezet in een onvoorwaardelijke RM, omdat er een verslechtering intrad in het psychotisch toestandsbeeld van verdachte. Deze verslechtering heeft bijgedragen aan zijn opname in het UMC en de tijdens die opname plaatsgevonden incidenten. Voornoemde psychiater en psycholoog hebben daarna in hun respectievelijke rapporten van 6 en 4 december 2013 hun conclusie over de toestand van verdachte bevestigd/aangescherpt, in die zin dat zij verdachte ontoerekeningsvatbaar achten. Hoewel deze conclusie van de deskundigen strikt genomen betrekking heeft op de feiten uit mei 2013, geeft de verslechtering van de toestand van verdachte na mei 2013 grond om de feiten uit oktober 2013 evenmin aan verdachte toe te rekenen. Dit geldt des te meer nu beide deskundigen in hun rapporten van 6 respectievelijk 4 december 2013 blijk geven van wetenschap van de incidenten in oktober 2013 en daaraan geen andere conclusies hebben verbonden. Daarnaast neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte heeft verklaard dat hij op het moment van het onder feit 3 ten laste gelegde een black-out kreeg. De rechtbank is daarom van oordeel dat verdachte voor de feiten 3, 4 en 5 niet strafbaar is.

Verdachte zal ten aanzien van feit 1, 2, 3, 4 en 5 (onder parketnummer 16/661496-13) worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Ten aanzien van de belediging, gepleegd op 26 mei 2012 en ten laste gelegd onder parketnummer 16/116574-12, zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden welke de strafbaarheid van verdachte zouden opheffen of uitsluiten. Verdachte is voor dit feit dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem onder 1, 2, 3, 4 en 5 bewezen geachte feiten zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging en zal worden geplaatst in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van een jaar. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd verdacht te veroordelen voor het onder 16/116574-12 ten laste gelegde feit tot een geheel voorwaardelijke geldboete van € 200,-.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit verdachte te veroordelen tot een straf gelijk aan de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De verdediging verzoekt in dat verband de voorlopige hechtenis op te heffen. De verdediging verzet zich tegen plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis ex artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het beledigen van twee politieambtenaren (onder parketnummer 16/116574-12). De rechtbank zal verdachte hiervoor een geheel voorwaardelijke geldboete opleggen van € 200,- te vervangen door 4 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaar.

De rechtbank stelt verder vast dat verdachte, onder invloed van een ziekelijke stoornis, een inbraak heeft gepleegd, een politieambtenaar heeft bedreigd, een medewerker van het UMC Utrecht heeft bedreigd en twee medewerkers van het UMC Utrecht heeft mishandeld (onder parketnummer 16/661496-13). Deze strafbare feiten kunnen verdachte niet worden toegerekend, maar de maatschappij moet wel tegen verdachte worden beschermd.

De rechtbank heeft gelet op een Uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 24 juni 2013, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke delicten. Voorts heeft de rechtbank gelet op het rapport van Victas, d.d. 5 december 2013, opgemaakt door mevrouw A. Coenraats.

De rechtbank neemt de adviezen van de hiervoor genoemde deskundigen over en zal gelasten dat verdachte wordt geplaatst in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van één jaar. De deskundigen hebben gemotiveerd waarom een plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis het meest passend is voor verdachte.

Gelet op de ernst van de door verdachte gepleegde feiten, rekening houdend met het feit dat hij voor deze feiten ontoerekeningsvatbaar moet worden beschouwd en vaststellend dat verdachte gevaarlijk is voor de algemene veiligheid van personen, is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde en door de deskundigen geadviseerde maatregel de passende sanctie is.

De rechtbank merkt op dat ter terechtzitting aan de orde is gekomen dat Wier+ voor verdachte wellicht een goede locatie zou zijn om klinisch te worden behandeld. De rechtbank kan echter slechts de plaatsing van verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis gelasten. Het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP) zal beoordelen welke klinische instelling voor verdachte het meest geschikt is.

Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank het verzoek tot voorlopige hechtenis afwijzen.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 37, 39, 45, 57, 266, 267, 285, 300, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde en op de reeds aangehaalde artikelen.

10 Beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor onder 5 is vermeld;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten opleveren:

(16/661496-13)

Feit 1: poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft of het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak

Feit 2: bedreiging met zware mishandeling

Feit 3: mishandeling

Feit 4: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

Feit 5: mishandeling

(16/116574-12)

Eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd;

- verklaart verdachte niet strafbaar ten aanzien van feit 1, 2, 3, 4 en 5 (16/661496-13) en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging;

- verklaart verdachte strafbaar ten aanzien van het feit dat is ten laste gelegd onder parketnummer 16/116574-12;

Straf

- veroordeelt verdachte ten aanzien van 16/116574-12 tot een voorwaardelijke geldboete van € 200,- bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 4 dagen hechtenis, met een proeftijd van twee (2) jaar, met de algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

Maatregel

- gelast de plaatsing van verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis voor de termijn van maximaal 1 jaar;

Voorlopige hechtenis

- wijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.H.J.M. Veldman-Gielen, voorzitter, mrs. J.P.H. van Driel van Wageningen en C.S.K. Fung Fen Chung, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.C. van Reenen, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 december 2013.

BIJLAGE : De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

(16/661496-13)

1.

hij op of omstreeks 20 mei 2013 te Driebergen-Rijsenburg, gemeente Utrechtse Heuvelrug, althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een winkel (Gall&Gall [benadeelde], gelegen aan[adres] weg te nemen geld/goederen, geheel of ten dele toebehorende aan winkelbedrijf Gall&Gall, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en zich daarbij de toegang tot die winkel/dat pand te verschaffen en/of die/dat weg te nemen geld en/of goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming, immers heeft verdachte met een voorwerp (een breekijzer) de deur geforceerd en/of verbogen en/of beschadigd en/of met een hamer op de ruit geslagen, zijn de de uitvoering van het voorgenomen misdrijf niet voltooid;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 20 mei 2013 te Driebergen-Rijsenburg, gemeente Utrechtse Heuvelrug, althans in het arrondissement Midden-Nederland, J.J.[slachtoffer 1], politieambtenaar, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een breekijzer omhoog gehouden (en daarbij een houding aangenomen alsof hij die[slachtoffer 1] daarmee wilde slaan) (terwijl die[slachtoffer 1] op korte afstand van verdachte stond) en/of (vervolgens) zwaaiende bewegingen gemaakt met dat breekijzer in de richting van die[slachtoffer 1];

art 285 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 22 oktober 2013 te Utrecht, althans in het arrondissement

Utrecht, opzettelijk mishandelend een kopje/glas heeft gegooid op/tegen de

ribben, in elk geval het bovenlichaam, van H.[slachtoffer 2], waardoor voornoemde

Welie letsel heeft bekomen en / of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op of omstreeks 30 oktober 2013 te Utrecht, althans in het arrondissement

Utrecht, een persoon bekend onder het nummer 74172 heeft bedreigd met enig

misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft

verdachte opzettelijk voornoemd persoon dreigend de woorden toegevoegd :"Als

ik je buiten tegen kom, ga ik je wurgen" en/of "Ik wil dat je dood gaat" en/of

"Ik wil dat je dood neer valt", althans woorden van gelijke dreigende aard of

strekking;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

5.

hij op of omstreeks 22 oktober 2013 te Utrecht, althans in het arrondissement

Utrecht, opzettelijk mishandelend een persoon bekend onder het nummer 747179

heeft geschopt op/tegen het (scheen)been en/of (met kracht) een kopstoot heeft

gegeven op/tegen de wenkbrauw, in elk geval het hoofd, waardoor voornoemd

persoon letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

(16/116574-12)

hij op of omstreeks 26 mei 2012 te Driebergen, althans in Nederland,

opzettelijk beledigend (een) ambtena(a)r(en), te weten [hoofdagent 1]

[hoofdagent 1], hoofdagent van Politie Utrecht en/of [hoofdagent 2], hoofdagent

van Politie Utrecht, gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening

van zijn/haar/hun bediening in diens/dier tegenwoordigheid mondeling heeft

toegevoegd de woorden "Kankerleijers" en/of , althans woorden van gelijke

beledigende aard en/of strekking;

art 266 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 267 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in de aan deze zaak ten grondslag liggende processen-verbaal, nummer PL0920 2013111457 (pagina 1 tot en met 51), PL091A 2013260632 (pagina 1 tot en met 45) en PL0950 2012117159 (pagina 1 tot en met 12) bevinden, volgens de in die dossiers toegepaste nummeringen. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Het proces-verbaal van aangifte, gedaan door T. [benadeelde], pagina 6.

3 Het proces-verbaal van aangifte, gedaan door T. [benadeelde], pagina 7.

4 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, pagina 38.

5 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, pagina 39.

6 Het proces-verbaal van aangifte, gedaan door J.J.[slachtoffer 1], pagina 15.

7 Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door J.J.[slachtoffer 1], pagina 22.

8 Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door J.J.[slachtoffer 1], pagina 23.

9 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, naar aanleiding van de vordering tot inbewaringstelling.

10 Het proces-verbaal van aangifte, gedaan door H.[slachtoffer 2], pagina 26 van proces-verbaal nummer PL091A 2013260632.

11 Het proces-verbaal van aangifte, gedaan door H.[slachtoffer 2], pagina 27 van proces-verbaal nummer PL091A 2013260632.

12 Het proces-verbaal van verhoor getuige 755630, pagina 39 van proces-verbaal nummer PL091A 2013260632.

13 Het proces-verbaal van verhoor getuige 755630, pagina 40 van proces-verbaal nummer PL091A 2013260632.

14 Het proces-verbaal van aangifte, gedaan door 747172, pagina 30 van proces-verbaal nummer PL091A 2013260632.

15 Het proces-verbaal van aangifte, gedaan door 747172, pagina 31 van proces-verbaal nummer PL091A 2013260632.

16 Het proces-verbaal van verhoor getuige 756140, pagina 43 van proces-verbaal nummer PL091A 2013260632.

17 Het proces-verbaal van aangifte, gedaan door 747179, pagina 22 van proces-verbaal nummer PL091A 2013260632.

18 Het proces-verbaal van aangifte, gedaan door 747179, pagina 24 van proces-verbaal nummer PL091A 2013260632.

19 Het proces-verbaal van verhoor getuige 755634, pagina 41 van proces-verbaal nummer PL091A 2013260632.

20 Het proces-verbaal van verhoor getuige 755634, pagina 42 van proces-verbaal nummer PL091A 2013260632.

21 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 9 van proces-verbaal nummer PL0950 2012117159.

22 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 10 van proces-verbaal nummer PL0950 2012117159.

23 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 11 van proces-verbaal nummer PL0950 2012117159.