Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:7417

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
19-12-2013
Datum publicatie
23-12-2013
Zaaknummer
16/710611-11 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gevangenisstraf van 1 jaar voor deelname aan een criminele organisatie die op grote schaal in hasj handelde vanuit een coffeeshop

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht
Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/710611-11 (P)

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 19 december 2013

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Marokko)[geboortedatum],

wonende te [woonplaats],
thans gedetineerd in de P.I. Utrecht, Huis van Bewaring, locatie Wolvenplein.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 23 mei 2013, 20 en 21 augustus 2013, 6, 7, 11, 13, 14 en 21 november 2013 en 5 december 2013. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich na mei 2013 laten bijstaan door mr. R.D.A. van Boom, advocaat te Utrecht.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tenlastelegging is op de zitting van 11 november 2013 gewijzigd. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt deelname aan een criminele organisatie, het samen met anderen handelen in hasj en hennep, het samen met anderen aanwezig hebben van (grote) hoeveelheden hasj en hennep en aan witwassen.

3 Voorvragen

3.1

Geldigheid dagvaarding

De verdediging heeft met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde feit betoogd dat de dagvaarding (partieel) nietig dient te worden verklaard ten aanzien van de onderdelen “een of meer natuurlijk personen”, “(onder meer)”, ‘handel’ en “aanwezig hebben” en “witwassen van (grote hoeveelheden) geld”. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat de dagvaarding op die onderdelen onvoldoende duidelijk is, waardoor verdachte niet weet waartegen hij zich moet verdedigen. Voorts heeft de raadsman betoogd dat de dagvaarding voor feit 4 partieel nietig is voor wat betreft andere bedragen dan de inbeslaggenomen

€ 414.290,00.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de dagvaarding, mede gelet op de inhoud van het dossier, voldoende duidelijk is en dat de gehele dagvaarding geldig dient te worden verklaard.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de geldigheid van de dagvaarding voor feit 1 dat niet slechts de tekst van de tenlastelegging, maar ook de inhoud van het onderliggende ‘zaaksdossier J’ van belang is. Naar dit zaaksdossier wordt op de dagvaarding voor het onder 1 telastegelegde ook expliciet verwezen. De rechtbank is van oordeel dat de verdediging uit de dagvaarding, in samenhang bezien met het onderliggende ‘zaaksdossier J’ en de daarin gegeven duiding, concreet kon opmaken waartegen zij zich moest verdedigen. De rechtbank acht de dagvaarding op dit punt daarom voldoende duidelijk. Daarmee voldoet deze aan de in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering genoemde eisen.

De rechtbank is ten aanzien van de bepleite partiele nietigheid van de dagvaarding voor feit 4 ook van oordeel dat niet slechts de tekst van de tenlastelegging maar tevens de inhoud van het onderliggende zaaksdossier M waarnaar in de tenlastelegging voor feit 4 wordt verwezen van belang is. In zaaksdossier M is sprake van verschillende geldbedragen die zijn aangetroffen bij verdachte tot een bedrag hoger dan het bedrag dat in de tenlastelegging wordt genoemd. Om die reden is de rechtbank van oordeel dat de tenlastelegging ziet op meer geldbedragen dan verwoord in de tenlastelegging en is van partiele nietigheid geen sprake. De rechtbank verwerpt het verweer.

3.2

Bevoegdheid rechtbank

De rechtbank heeft vastgesteld dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak.

3.3

Ontvankelijkheid officier van justitie

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de officier van justitie wegens strijd met het ne bis in idem-beginsel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Daartoe heeft de verdediging aangevoerd, dat hetgeen verdachte onder feit 3 wordt verweten reeds onder feit 2 is ten laste gelegd.

De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging, nu het geen steun vindt in het recht.

De rechtbank is van oordeel dat de officier van justitie kan worden ontvangen in de vervolging.

3.4

Schorsing van de vervolging

De rechtbank heeft vastgesteld dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan. De officier van justitie baseert dit op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen. Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat niet kan worden bewezen dat er sprake is van medeplegen ten aanzien van de hasjleveranties als bedoeld in zaaksdossiers A tot en met I. Wel acht de officier van justitie ten aanzien van feit 2 bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de handel in grote hoeveelheden hennep.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte niet op de hoogte was van het oogmerk van de criminele organisatie noch daaraan een bijdrage heeft geleverd en heeft vrijspraak bepleit. Voor het onder 2 ten laste gelegde feit heeft de verdediging eveneens vrijspraak bepleit, nu de betrokkenheid van verdachte niet uit het dossier blijkt.
Voor wat betreft het onder 3 ten laste gelegde feit heeft de verdediging betoogd dat er alleen bewijs voorhanden is voor hetgeen verdachte in zijn eigen huis aan verdovende middelen aanwezig heeft gehad. Voor het overige ligt het niet in de rede om te veronderstellen dat verdachte van die hoeveelheden verdovende middelen op de hoogte was.

Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde feit heeft de verdediging onder meer betoogd (primair) dat er geen sprake is van geld dat uit misdrijf afkomstig is en (subsidiair) dat als het geld bij verdachte aangetroffen wel van enig misdrijf afkomstig is, dan moet worden aangenomen dat dit een eigen misdrijf betreft en dat niet blijkt van enige verbergings- dan we verhullingshandeling ten aanzien van het onder verdachte aangetroffen geldbedrag. Verdachte dient te worden vrijgesproken.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Inleiding

Naar aanleiding van RCIE informatie over de broers [medeverdachte 1],[medeverdachte 2] en [verdachte], inhoudende dat er vanuit coffeeshop [coffeeshop] te Utrecht grootschalige handel in verdovende middelen zou plaats vinden, is een onderzoek gestart.

Coffeeshop [coffeeshop] (ook wel aangeduid als [coffeeshop]) was gevestigd aan [adres 1] te Utrecht. [medeverdachte 1] stond geregistreerd als eigenaar en beheerder van de coffeeshop. Daarnaast stond als beheerder vermeld zijn broer [verdachte] en als leidinggevenden de broers [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4]. Tevens werd op 12 oktober 2012 bij de gemeente Utrecht een aanvraag ingediend om als leidinggevenden op te nemen [medeverdachte 5], [medeverdachte 6] (een neef van de gebroeders [familienaam]). Alle gebroeders [familienaam] en hun neef [medeverdachte 6] waren werkzaam in de coffeeshop. Naast hen kwam onder meer als verdachte naar voren [medeverdachte 7]. [medeverdachte 7] is op [overlijdensdatum] overleden.

In dit onderzoek werden verschillende Bijzondere Opsporings Bevoegdheden toegepast. Zo werd in de loop van het onderzoek van meerdere verdachten de telefoon afgeluisterd en werd de coffeeshop stelselmatig geobserveerd in de periodes 21 juni 2011 tot en met 5 juli 2011; 25 november tot en met 10 februari 2012 en 1 juni 2012 tot en met 27 november 2012. Op 27 november 2012 hebben er doorzoekingen plaats gevonden in de coffeeshop en in de woningen van de verdachten. Daarbij werd op diverse locaties een grote hoeveelheid geld en softdrugs aangetroffen.

Feit 1

Criminele organisatie

Om van een criminele organisatie in de zin van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht te kunnen spreken is vereist dat kan worden vastgesteld dat sprake is van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband van twee of meer personen met een bepaalde organisatiegraad, dat tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Van deelname is sprake als de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteuning biedt aan gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel beoogde oogmerk. Voor strafbare deelname is voorts voldoende dat de betrokkene in zijn algemeenheid weet dat er een organisatie bestaat en dat die organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft.

Organisatie

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat reeds uit de aard van een coffeeshop als onderneming voortvloeit dat sprake is van bestaande structuren en daarmee van een organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht. Dat het samenwerkingsverband duurzaam was vloeit reeds voort uit de lange bestaansgeschiedenis van coffeeshop [coffeeshop].

Dat sprake was van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband is overigens ook door de verdediging niet weersproken.

Oogmerk tot het plegen van misdrijven

Het georganiseerde verband had tot oogmerk de handel in hennep en hasj, in het kader van de bevoorrading en bedrijfsvoering van de coffeeshop.

Aan de coffeeshop is een exploitatievergunning verstrekt. Aan deze vergunning zijn onder meer de voorwaarden gesteld dat er maximaal een handelsvoorraad aanwezig mag zijn van 500 gram softdrugs.

In het onderzoek naar verdachten is bij doorzoekingen in de coffeeshop en in de woningen van de in de coffeeshop werkzame verdachten op 27 november 2012 ruim 180 kilo softdrugs aangetroffen, waarvan in de coffeeshop zelf een hoeveelheid van 9.218 gram hasj en 8.668 gram wiet.1

Door verdachte [medeverdachte 8] is bij de politie verklaard dat hij aan de coffeeshop wiet leverde, soms één à twee keer per week, met wisselende hoeveelheden van twee tot vijf kilo per keer en dat hij daarover met verdachte [verdachte] contact had.2

Door verdachte [verdachte] is verklaard dat zij 500 gram in de coffeeshop mochten hebben, dat de voorraad buiten de coffeeshop op stashplaatsen werd bewaard, dat als ze wat nodig hadden, dat dan werd opgehaald en dat verdachte [medeverdachte 8] een vaste leverancier is.3

Reeds op grond hiervan kan worden geconstateerd dat de gedoogvoorwaarden ruimschoots en structureel werden overtreden.

Het structurele karakter van die overtreding blijkt bovendien uit de bezoekersaantallen van coffeeshop [coffeeshop]. Gedurende het onderzoek tegen verdachte en de medeverdachten werd in drie periodes van willekeurige dagen het aantal bezoekers geteld van coffeeshop [coffeeshop]. In de periode van 22 juni 2011 tot en met 3 juli 2011 werden gemiddeld 1028 bezoekers per dag geteld4, in de periode van 23 december 2011 tot en met 11 augustus 2012 974 bezoekers5 en in de periode van 20 november 2012 tot en met 22 november 2012 1177 bezoekers6.

Uit analyse van in beslag genomen beelden van in de coffeeshop aanwezige en op de verkoopbalie gerichte camera’s, met betrekking tot de periode van 19 tot en met 26 november 2012, bleek dat in de coffeeshop sprake was van twee verkooppunten aan de verkoopbalie van de coffeeshop en dat enkel het verkooppunt aan de rechterzijde was aangesloten op een kassa met een registratiesysteem.

Op de beeldopnames van 20 november 2012 en 22 november 2012, zijn de bezoekers van de coffeeshop geteld die een transactie verrichten. In totaal werden bij de beide verkooppunten aan de verkoopbalie op 20 november 2012 1228 klanten en op 22 november 2012 1184 klanten geteld.

Voorts werd op deze beelden waargenomen dat er aanzienlijk meer betalingen door deze klanten plaatsvonden aan het linker verkooppunt, zonder kassasysteem. Het wisselgeld voor de klanten werd van onder de balie gepakt, er vond geen zichtbare registratie plaats van betalende klanten aan de linkerzijde van de balie, of als er geld vanonder de balie werd weggepakt.7

Onderzoek naar de kassabonnen en het kassasysteem van coffeeshop [coffeeshop] heeft bevestigd dat het aantal klanten dat geregistreerd werd op de hiervoor genoemde dagen vele malen lager lag. Op 20 november 2012 zouden er volgens de kassabonnen slechts 460 klanten zijn geweest en op 22 november 2012 slechts 388 klanten.8

Door de politie is gerelateerd dat uit bij de Belastingdienst opgevraagde gegevens blijkt dat de coffeeshop in 2011 als omzet heeft opgegeven een bedrag van € 875.000,00 en in 2012 een verwachte omzet van € 1.333.333,00, maar dat gezien de door de politie getelde bezoekersaantallen er een grotere omzet zou moeten zijn geweest ten bedrage van
€ 3.600.000,00.9

De bevindingen omtrent het niet registreren van verkooptransacties en het buiten beeld houden van een groot deel van de omzet, worden bovendien bevestigd door de in de woning van [medeverdachte 2] gevonden aantekeningen die betrekking hebben op de bedrijfsvoering van de coffeeshop en waarin onder meer staat: “ [coffeeshop] is een miljoenenbedrijf dus moet het ook bestuurd worden als een bedrijf! ….Van begin tot het eind liefst wit!!”10

Vanwege de structurele overtreding van de gedoogvoorwaarden en het niet registreren van een groot gedeelte van de omzet, is naar het oordeel van de rechtbank niet langer sprake van een gedoogde coffeeshop maar is de samenwerking tussen de in de coffeeshop werkzame personen aan te merken als een organisatie in de zin van artikel 140 WvSr.

Deelname

Uit het dossier blijkt dat verdachte [medeverdachte 1] binnen deze organisatie een beslissende, leidinggevende rol vervulde. Hij heeft ter terechtzitting verklaard dat hij als eigenaar van de coffeeshop bepaalde wat er in de coffeeshop gebeurde, dat hij verantwoordelijk was voor het personeel, dat hij, als hij in Nederland verbleef in de coffeeshop aanwezig was. Door verdachte [medeverdachte 7] is verklaard dat hij, als [medeverdachte 1] in het buitenland verbleef, op verzoek van [medeverdachte 1] een oogje in het zeil hield in de coffeeshop.11 Uit dit laatste volgt dat het enkele feit dat [medeverdachte 1] gedurende een gedeelte van de ten laste gelegde periode in het buitenland verbleef, niet afdoet aan zijn wetenschap van en betrokkenheid bij de door de organisatie gepleegde strafbare feiten in de gehele tenlastegelegde periode.

De deelname aan de criminele organisatie van [verdachte], die bij de gemeente stond beschreven als beheerder van [coffeeshop], volgt uit het feit dat hij naar eigen zeggen de inkoop van de hennep voor de coffeeshop verzorgde en uit het feit dat hierbij, zoals hiervoor is overwogen, de voor de coffeeshop geldende gedoogvoorwaarden werden overtreden.

De deelname van de overige [familienaam] broers en hun neef, verdachte [medeverdachte 6], volgt uit het feit dat zij naar eigen zeggen allen in vast dienstverband waren bij de coffeeshop en baliewerkzaamheden verrichten en voorts uit het feit dat in de woning van ieder van hen, met uitzondering van [medeverdachte 2], aanzienlijke hoeveelheden softdrugs werden aangetroffen.

Door [medeverdachte 3], [medeverdachte 5], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] is voorts bij de rechter-commissaris verklaard dat zij geld van de coffeeshop in eigen zak stopten en dit zelf hielden zonder het op enige manier in de boeken te verantwoorden.12 Ten aanzien van [medeverdachte 5] is dat ook gebleken uit de camerabeelden.13

Voorts volgt uit het dossier dat zij kunnen beschikken over geldbedragen die op basis van hun legale inkomsten niet kunnen worden verantwoord.

Op grond van al het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte 1], [verdachte], [medeverdachte 4], [medeverdachte 2], [medeverdachte 5] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 6] hebben deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren en aanwezig hebben van grote hoeveelheden hennep en hasj.

Dat ook witwassen een gemeenschappelijk doel van de organisatie was, zoals de officier van justitie heeft betoogd, is echter onvoldoende aannemelijk geworden. Weliswaar is uit het voorgaande gebleken dat een groot deel van de omzet van de coffeeshop buiten beeld werd gehouden en werden bij de doorzoekingen op 27 november 2012 op diverse locaties grote hoeveelheden contant geld aangetroffen (in totaal ruim € 600.000,00), en blijkt uit het dossier dat een aantal van de deelnemers aan de criminele organisatie over grote, niet uit legale inkomsten te verklaren geldbedragen beschikten, maar niet gebleken is dat daarbij sprake was van verhullingshandelingen en evenmin dat de samenwerking van de verdachten was gericht op het witwassen.

Feit 2

De rechtbank overweegt ten aanzien van de onder feit 2 aan verdachte verweten gedragingen, dat er weliswaar enkele summiere aanwijzingen zijn voor betrokkenheid van verdachte bij de in zaaksdossiers A tot en met I bedoelde handel in hasj, maar dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om tot een bewezenverklaring daarvan te komen. Het standpunt van de officier van justitie dat feit 2 wel kan worden bewezen ten aanzien van handel in hennep, verwerpt de rechtbank, nu in de tenlastelegging uitdrukkelijk wordt verwezen naar de zaaksdossier A tot en met I, die uitsluitend betrekking hebben op handel in hasj. De verdachte dient dus van dit feit te worden vrijgesproken.

Feit 3

Zaaksdossier V

Op 27 november 2012 heeft een doorzoeking ter inbeslagneming plaatsgevonden in het pand aan [adres 1] te Utrecht.14 In dit pand, dat eigendom is van [medeverdachte 1], is coffeeshop [coffeeshop] gevestigd.15
In dit pand zijn diverse hoeveelheden (vermoedelijk) verdovende middelen aangetroffen en in beslag genomen.16

De in het pand[adres 1]te Utrecht in beslag genomen partij (vermoedelijk) verdovende middelen is door de afdeling Forensische Opsporing van de politie nader onderzocht.

De aangeboden partij bestond uit:

- 9.658 gedroogde bloemtoppen;
- 9.106 bruine, samengeperste substantie;
- 1.030 gram joints.

Uit elke aangeboden hoeveelheid materiaal is een monster genomen. Deze monsters zijn getest en gaven een positieve reactie, indicatief voor THC, zijnde de werkzame stof in hennep en hasjiesj.17

Zaaksdossier W

Op 27 november 2012 heeft een doorzoeking ter inbeslagneming plaatsgevonden in het pand [adres 2] te Utrecht.18 Verdachte is eigenaar van dit pand.19
In dit pand zijn diverse hoeveelheden (vermoedelijk) verdovende middelen aangetroffen en in beslag genomen.20 Dit pand was voorheen in gebruik als videotheek en werd gebruikt voor de opslag van (gruis van) wiet van de coffeeshop.21

De op het adres [adres 2] in beslag genomen partij (vermoedelijk) verdovende middelen is door de afdeling Forensische Opsporing van de politie nader onderzocht.

De aangeboden partij bestond uit:
- 17.432 gram gedroogde bloemtoppen;
- 330 gram bruine, samengeperste substantie;
- 1.642 gram joints.

De genoemde plantdelen, waaraan de hars niet was onttrokken, zijn door de verbalisant die het onderzoek heeft uitgevoerd herkend als hennep. De bruine samengeperste substantie werd door deze verbalisant herkend als hasjiesj. Van de diverse hoeveelheden bruine samengeperste substantie zijn voorts enkele monsters getest, waarbij een positieve reactie op cannabis optrad.22

Zaaksdossier X

Op 27 november 2012 heeft een doorzoeking ter inbeslagneming plaatsgevonden in de woning aan de [adres 3] te Utrecht.23 Dit betreft de woning van verdachte [verdachte].24
In de woning zijn diverse hoeveelheden (vermoedelijk) verdovende middelen aangetroffen en in beslag genomen.25

De in de woning aan de [adres 3] te Utrecht in beslag genomen partij (vermoedelijk) verdovende middelen is door de afdeling Forensische Opsporing van de politie nader onderzocht.

De aangeboden partij bestond uit:
- 2.848 gram gedroogde bloemtoppen;
- 8.932 gram bruine samengeperste substantie.

De genoemde plantdelen zijn door de verbalisant die het onderzoek heeft uitgevoerd herkend als materiaal van het geslacht cannabis, beter bekend als hennep.

De bruine samengeperste substantie werd door deze verbalisant herkend als hasjiesj.26

Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 27 november 2012 bovengenoemde hoeveelheden hasjiesj en hennep voor handen heeft gehad.

Conclusie

Gelet op hetgeen hiervoor ten aanzien van feit 1 bewezen is verklaard in combinatie met het feit dat in de woningen van vrijwel alle deelnemers van de criminele organisatie verdovende middelen zijn aangetroffen, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de op de hiervoor genoemde adressen aangetroffen hoeveelheden verdovende middelen, handelsvoorraad van de coffeeshop betroffen en dat verdachte van de aanwezigheid hiervan op de hoogte was. Aldus acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte deze verdovende middelen tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk aanwezig heeft gehad.

Feit 4

In de woning van verdachte is bij de doorzoeking een totaal geldbedrag van € 414.980,89 aangetroffen en inbeslaggenomen.27 Van deze aangetroffen geldbedragen is door de officier van justitie onder feit 4 een bedrag van € 414.290,00 tenlastegelegd als witwasbedrag.

Uit hetgeen hiervoor ten aanzien van feit 1 is overwogen volgt dat verdachte betrokken was bij een criminele organisatie, waarbij door de rechtbank is vastgesteld dat er een aanzienlijk aantal niet geregistreerde verkopen heeft plaatsgevonden. Zoals hiervoor ten aanzien van feit 3 is overwogen zijn voorts bij verdachte grote hoeveelheden verdovende middelen aangetroffen.

De rechtbank is op grond van het aantreffen van voornoemde geldbedragen bij verdachte alsmede de betrokkenheid van verdachte bij de criminele organisatie en met name hetgeen verdachte [medeverdachte 7] in de politieverhoren heeft verklaard omtrent het bewaren van geld van de coffeeshop door verdachte van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat het telastegelegde geldbedrag van misdrijf afkomstig was en dat verdachte dat bedrag voorhanden heeft gehad. Daarin betrekt de rechtbank tevens dat er in het dossier aanwijzingen zijn dat gelden uit parallelle handel mogelijk zijn overgedragen aan verdachte (zaaksdossier D). Daarin betrekt de rechtbank voorts nog dat verdachte met betrekking tot de onder hem inbeslaggenomen28 geldbedragen van zijn zwijgrecht gebruik heeft gemaakt. Nu verdachte geen verklaring heeft gegeven voor de herkomst van de hiervoor genoemde geldbedragen, terwijl dat in de gegeven omstandigheden wel van hem verlangd mag worden, concludeert de rechtbank dat het niet anders kan zijn dan dat het telastegelegde geldbedrag – middellijk of onmiddellijk – afkomstig is uit eigen misdrijf.

Uit de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat indien vaststaat dat het enkele voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als (schuld)witwassen kan worden gekwalificeerd. Om tot kwalificatie van dat misdrijf te kunnen komen moet er dus sprake zijn van een gedraging die meer omvat dan het enkele voorhanden hebben en die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter heeft.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is niet gebleken dat de verdachte een handeling heeft verricht die heeft bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het in zijn woning aangetroffen geldbedrag.  Nu het onder 4 bewezen verklaarde feit daarom niet als witwassen kan worden gekwalificeerd en ook overigens geen strafbaar feit oplevert, dient verdachte te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de onder 4.3 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

1.

in de periode van 19 juli 2012 tot en met 27 november 2012 in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een organisatie bestaande uit

(in elk geval) hem, verdachte, en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 7] en [medeverdachte 6] en andere natuurlijke personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk:

- het opzettelijk verkopen en afleveren en verstrekken en vervoeren en aanwezig hebben van (grote hoeveelheden, meer dan 30 gram) hennep en/of hasjiesj als bedoeld in artikel 3 van de Opiumwet onder B en C;

3.

hij op of omstreeks 27 november 2012 te Utrecht, althans in het arrondissement

Utrecht, thans arrondissement Midden-Nederland, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk

aanwezig heeft gehad :

- ( in een pand gelegen aan [adres 1] te Utrecht)

een hoeveelheid van ongeveer 9,2 kilo hasjiesj en/of 8,6 kilo hennep, en/of

- ( in een pand gelegen aan de [adres 3] te Utrecht)

een hoeveelheid van ongeveer 8,9 kilo hasjiesj en/of 2,8 kilo hennep, en/of

- ( in een pand gelegen aan de [adres 2] te Utrecht)

een hoeveelheid van ongeveer 330 gram hasjiesj en/of 17,4 kilo hennep, en/of

in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een

gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep

waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hasjiesj) en/of hennep,

zijnde hasjiesj en/of hennep, (een) middel(en) als bedoeld in de bij de

Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van

artikel 3a van die wet;

4.

hij op 27 november 2012 te Utrecht geldbedragen, waaronder een geldbedrag van 414.290,- euro heeft verworven en/of voorhanden gehad terwijl hij, verdachte, ten tijde van het verwerven en/of het voorhanden krijgen wist dat dit geldbedrag-onmiddellijk of middellijk-afkomstig was uit enig misdrijf.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

Beoordeling voorwaardelijk verzoek tot horen getuigen

Voor het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring zou komen, heeft de raadsman bij pleidooi het voorwaardelijk verzoek gedaan tot het horen van twee getuigen.

De in het verzoek geformuleerde voorwaarde is vervuld en daardoor ligt thans in de zaak tegen verdachte de vraag voor ten aanzien van beide getuigen of de noodzaak aanwezig is om deze getuigen te horen.

De rechtbank is dienaangaande van oordeel dat de noodzaak tot het horen van verbalisant [verbalisant] en het opnieuw horen van [medeverdachte 1] in de zaak tegen verdachte niet is gebleken.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Ten aanzien van het onder feit 1 bewezenverklaarde:

Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;

Ten aanzien van het onder feit 2 bewezenverklaarde:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door de officier van justitie bewezen geachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2,5 jaar met aftrek van voorarrest alsmede tot een geldboete van € 40.000,00 subsidiair 235 dagen vervangende hechtenis en heeft gevraagd om verbeurdverklaring van de onder verdachte inbeslaggenomen € 414.950,89.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft onder verwijzing naar rechtspraak van onder meer de rechtbank Den Haag bepleit verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van straf.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Ten laste van verdachte is (onder meer) bewezen verklaard dat hij heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die zich bezig hield met het buiten de gedoogvoorwaarden om op grote schaal opzettelijk verkopen en afleveren van hennep en hasj.

Weliswaar kent Nederland ten aanzien van softdrugs een gedoogbeleid, maar ook dit beleid kent zijn grenzen. Hoewel er door het gedoogbeleid sprake is van een schemergebied, neemt dit niet weg dat het op grote schaal handelen in softdrugs, zoals in de onderhavige zaak het geval is geweest, nadrukkelijk niet wordt gedoogd en strafbaar is. Daar komt bovendien bij dat verdachte zich als deelnemer aan de criminele organisatie heeft schuldig gemaakt aan het buiten beeld houden van een groot deel van de omzet van de coffeeshop.

Voorts overweegt de rechtbank dat het gebruik van softdrugs op lange duur schadelijk is voor de gezondheid. Door als organisatie bezig te zijn met het in de samenleving brengen van softdrugs, wordt bij gedragen aan dit schadelijke gevolg. Daarnaast leert de ervaring dat rondom de handel in softdrugs vaak geweld voorkomt. Hoewel de criminele organisatie waar verdachte van uit maakt, niet met zodanig geweld in verband kan worden gebracht, blijkt hieruit wel de noodzaak om criminele organisaties die zich met softdrugs bezig houden te bestrijden.

Alles afwegend acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur op zijn plaats. Het pleidooi van de verdediging dat in aansluiting op het vonnis van de rechtbank Den Haag van 21 december 2012 (ECLI:NL:RBSGR:2012:BY7120) toepassing zou moeten worden gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, passeert de rechtbank vanwege het feit dat de onderhavige zaak en de rol die verdachte daarin heeft gespeeld reeds vanwege het buiten beeld houden van een groot deel van de omzet, niet vergelijkbaar is met de aan genoemd vonnis ten grondslag liggende casus.

Het naast deze gevangenisstraf opleggen van een geldboete acht de rechtbank niet opportuun, mede in aanmerking genomen dat de officier van justitie reeds een ontnemingsvordering heeft aangekondigd.

9 Beslag

Onder verdachte is een bedrag van € 414.950,89 in beslag genomen.

De officier van justitie heeft de verbeurdverklaring van dit geldbedrag gevraagd.

Nu met betrekking tot voornoemde bedrag de rechtbank concludeert tot een bewezenverklaring van een totaalbedrag van 414.290 euro, zal dit geldbedrag worden verbeurdverklaard. Voor het restantbedrag ad 659,89 euro zal de rechtbank de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten.


10. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 33, 33a, 47, 57, 140 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht en artikel 11 van de Opiumwet.

11 Beslissing

De rechtbank:

- verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte telkens meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de in rubriek 6 genoemde strafbare feiten oplevert;

- verklaart verdachte daarvoor strafbaar;

- verklaart het onder feit 4 bewezene niet strafbaar en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging ter zake daarvan;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van één jaar;


beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden;

- verklaart verbeurd: een geldbedrag van € 414.290,- euro;

-gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van een geldbedrag van 659,89 euro.

Dit vonnis is gewezen door mr. G. Perrick, voorzitter, mrs. J.P.W. Helmonds en C.A.M. van Straalen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.A. van Wageningen, griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 december 2013.

BIJLAGE : De tenlastelegging

Aan verdachte wordt tenlastegelegd dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 19 juli 2012 tot en met 27 november 2012

te Utrecht, althans in het arrondissement Utrecht, thans arrondissement

Midden-Nederland, in elk geval in Nederland en/of in Marokko,

heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een organisatie bestaande uit

(in elk geval) hem, verdachte, en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 7]

en/of [medeverdachte 6] en/of een of meer andere natuurlijke perso(o)n(en) en/of

één of meer rechtsperso(o)n(en), waaronder coffeeshop "[coffeeshop]", welke

organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk (onder meer) :

- het opzettelijk verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren

en/of aanwezig hebben van (grote hoeveelheden) hennep en/of hasjiesj (steeds

meer dan 30 gram) als bedoeld in artikel 3 van de Opiumwet onder B en C; en/of

- het witwassen van (grote hoeveelheden) geld als bedoeld in artikel 420bis jo. 420ter, in ieder geval 420bis, van het Wetboek van Strafrecht;

(zaaksdossier J)

2.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 19 juli 2012

tot en met 27 november 2012 te Utrecht, althans het arrondissement Utrecht,

thans arrondissement Midden-Nederland, in elk geval in Nederland en/of Marokko

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens)

opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in

elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad :

- één of meer grote hoeveelhe(i)d(en) hasjiesj, in elk geval een hoeveelheid

van meer dan 30 gram, van een materiaal bevattende een gebruikelijk vast

mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen

andere substanties zijn toegevoegd (hasjiesj), en/of

- één of meer gro(o)t(e) aantal(len) hennepplanten en/of delen daarvan, in elk

geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende

hennep,

zijnde hasjiesj en/of hennep, (een) middel(en) als bedoeld in de bij de

Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van

artikel 3a van die wet;

(Zaaksdossier A tot en met I)

3.

hij op of omstreeks 27 november 2012 te Utrecht, althans in het arrondissement

Utrecht, thans arrondissement Midden-Nederland, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk

aanwezig heeft gehad :

- ( in een pand gelegen aan [adres 1] te Utrecht)

een hoeveelheid van ongeveer 9,2 kilo hasjiesj en/of 8,6 kilo hennep, en/of

- ( in een pand gelegen aan de [adres 3] te Utrecht)

een hoeveelheid van ongeveer 8,9 kilo hasjiesj en/of 2,8 kilo hennep, en/of

- ( in een pand gelegen aan de [adres 2] te Utrecht)

een hoeveelheid van ongeveer 330 gram hasjiesj en/of 17,4 kilo hennep, en/of

in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een

gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep

waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hasjiesj) en/of hennep,

zijnde hasjiesj en/of hennep, (een) middel(en) als bedoeld in de bij de

Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van

artikel 3a van die wet;

(zie overzicht p. 233, ordner 1 eind-PV + zaaksdossiers V, W en X)

4.

hij op of omstreeks 27 november 2012, te Utrecht, althans in het

arrondissement Utrecht, thans Midden-Nederland, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, (telkens) (een)

voorwerp(en), te weten één of meer geldbedragen, waaronder een geldbedrag van

ongeveer EUR 414.290,- heeft/hebben verworven en/of voorhanden gehad en/of

overgedragen en/of omgezet, althans van het/de voorwerp(en) gebruik

heeft/hebben gemaakt, terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) ten tijde

van het verwerven en/of het voorhanden krijgen en/of het overdragen en/of het

omzetten wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dit/deze

voorwerp(en) / (grote) geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig

was/waren uit enig misdrijf;

(zaaksdossier M)

1 De processen-verbaal van doorzoeking, opgenomen respectievelijk de pagina’s 10120-10126, 9782-9787, 9993-9996, 9885-9891, 10014-10017, 10029-10036, 10104-10110, 10076-10079, van het proces-verbaal dossiernummer 2012 266002, van politie regio Utrecht, in de wettelijke vorm opgemaakt en doorgenummerd van 1 tot en met 10553.

2 Het proces-verbaal van verhoor verdachte, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemd proces-verbaal, pagina 1084-1089, i.h.b. pagina 1085.

3 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte], in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemd proces-verbaal, pagina 1693-1711, i.h.b. pagina 1701-1703.

4 Het proces-verbaal van bevindingen, opgenomen op pagina 9221-9225, i.h.b. pagina 9225 van het proces-verbaal dossiernummer 2012 266002, van politie regio Utrecht, in de wettelijke vorm opgemaakt en doorgenummerd van 1 tot en met 10553.

5 Het proces-verbaal van bevindingen, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal, pagina 2543-2545, i.h.b. overzicht op pagina 2545.

6 Het proces-verbaal van bevindingen, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal, pagina 4145-4146.

7 Het proces-verbaal van bevindingen, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal, pagina 4147-4150, i.h.b. pagina 4149.

8 Het proces-verbaal van bevindingen, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal, pagina 4515-4520, i.h.b. pagina 4517.

9 Het proces-verbaal van bevindingen, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal, pagina 4515-4520, i.h.b. pagina 4519.

10 Het proces-verbaal van bevindingen, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal, pagina 4311-4320, i.h.b. pagina 4315.

11 De verklaring van verdachte [medeverdachte 7], in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal, pagina 707.

12 De verklaringen afgelegd bij de rechter-commissaris op 15 en 16 oktober 2013.

13 Het proces-verbaal van bevindingen, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal, pagina 4308-4310, i.h.b. pagina 4309.

14 Het proces-verbaal van doorzoeking, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemd proces-verbaal, pagina 9885-9891.

15 Het proces-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal, pagina 327.

16 Idem, pagina 9888.

17 Het proces-verbaal van bevindingen, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemd proces-verbaal, pagina 4701-4708.

18 Het proces-verbaal van doorzoeking, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemd proces-verbaal, pagina 10014-10017.

19 Het proces-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal, pagina 335.

20 Idem, pagina 10016.

21 De verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] , afgelegd bij de rechter-commissaris op respectievelijk 15 en 16 oktober 2013.

22 Het proces-verbaal van bevindingen, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemd proces-verbaal, pagina 4786-4788.

23 Het proces-verbaal van doorzoeking, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemd proces-verbaal, pagina 10029-10036.

24 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting op 6 november 2013.

25 Idem, pagina 10033.

26 Het proces-verbaal van bevindingen, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemd proces-verbaal, pagina 4773-4775.

27 Het proces-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal, pagina 248.

28 Het proces-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt en opgenomen in het onder voetnoot 1 genoemde proces-verbaal, pagina 10670.