Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:7395

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
20-12-2013
Datum publicatie
14-02-2014
Zaaknummer
AWB 13-4946 en AWB 13-4958
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2015:117, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Horecavergunning, Wet Bibob

De vergunning voor het exploiteren van een coffeeshop in Utrecht is op goede gronden geweigerd op grond van artikel 3, eerste lid, onder a en b, van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: UTR 13/4946 en UTR 13/4958

uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 december 2013 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[eiser] te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. J. Cortet),

en

de burgemeester van de gemeente Utrecht, verweerder

(gemachtigde: mr. N. Verkerk).

Procesverloop

Bij besluit van 28 maart 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder geweigerd op grond van artikel 3, eerste lid, onder a en b, van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob) aan eiser een vergunning te verlenen voor het exploiteren van een coffeeshop op het adres [adres]

Bij besluit van 13 augustus 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 december 2013. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.

2.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is in deze zaak het spoedeisend belang voldoende aannemelijk gemaakt. Daarbij heeft de voorzieningenrechter in aanmerking genomen dat uit de door eiser overgelegde huurovereenkomst blijkt dat eiser sinds

1 februari 2012 huur verschuldigd is voor een pand dat hij zonder de gevraagde vergunning niet kan exploiteren.

3.

Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Horecaverordening Utrecht, is het verboden om zonder vergunning van de burgemeester een horecabedrijf te exploiteren (exploitatievergunning).

4.

Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Wet Bibob kunnen bestuursorganen, voor zover zij bij of krachtens de wet daartoe bevoegdheid hebben gekregen, weigeren een aangevraagde beschikking te geven dan wel een gegeven beschikking intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om:

a. uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, of

b. strafbare feiten te plegen.

5.

In het tweede lid van artikel 3 van de Wet Bibob is bepaald dat voor zover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, betreft, de mate van het gevaar wordt vastgesteld op basis van:

a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a,

b. in geval van vermoeden de ernst daarvan,

c. de aard van de relatie, en

d. de grootte van de verkregen of te verkrijgen voordelen.

6.

Op grond van het derde lid van dit artikel wordt, voor zover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, betreft, de mate van het gevaar vastgesteld op basis van:

a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de beschikking wordt aangevraagd dan wel is gegeven,

b. ingeval van vermoeden de ernst daarvan,

c. de aard van de relatie, en

d. het aantal van de gepleegde strafbare feiten.

7.

Op grond van artikel 3, vierde lid, van de Wet Bibob staat de betrokkene in relatie tot strafbare feiten als bedoeld in het tweede en derde lid, indien:

a. hij deze strafbare feiten zelf heeft begaan,

b. hij direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over of vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan een rechtspersoon in de zin van artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht die deze strafbare feiten heeft begaan, of

c. een ander deze strafbare feiten heeft gepleegd en deze persoon direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over, vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan betrokkene, of in een zakelijk samenwerkingsverband tot hem staat.

8.

Op grond van artikel 7, eerste lid, van de Wet Bibob kan een gemeentelijke vergunning die op grond van een verordening verplicht is gesteld voor een inrichting of bedrijf, door het college van burgemeester en wethouders respectievelijk de burgemeester, voor zover het een krachtens het tweede lid aangewezen inrichting of bedrijf betreft, worden geweigerd dan wel ingetrokken in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3.

9.

Op 20 februari 2012 heeft eiser bij verweerder een aanvraag ingediend om een exploitatievergunning ten behoeve van een coffeeshop in een pand gelegen aan [adres]. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen, omdat, kort samengevat, eiser in een zakelijk samenwerkingsverband staat tot de heren[A],[B], [C]B.V. en [D]B.V. en in relatie staat tot de door [A] en [B] gepleegde ernstige strafbare feiten. Volgens verweerder bestaat er, gelet op de aard en de ernst van die strafbare feiten, een ernstig gevaar dat de verzochte vergunning mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten dan wel dat de verzochte vergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen.

10.

Eiser heeft gemotiveerd betwist dat hij in een zakelijk samenwerkingsverband staat tot [A] en [B].

11.

Uit een advies van het Landelijk Bureau Bibob van 16 maart 2012 dat in het kader van een andere zaak, niet gerelateerd aan eiser, is uitgebracht, blijkt dat [A] en [B] strafrechtelijk bij vonnis van 23 mei 2011 (ECLI:NL:RBUTR:2011:BQ5606) zijn veroordeeld tot een gevangenisstraf van 9 maanden en een geldboete van € 50.000,- voor het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, het zonder vergunning gelegenheid bieden tot kansspelen en het medeplegen van een gewoonte maken van witwassen. Onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 29 van de Wet Bibob en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 mei 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BW5279) is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder dit advies bij de onderhavige besluitvorming heeft mogen betrekken.

12.

Niet in geschil is dat [A] en [B] zijn veroordeeld voor bovenstaande feiten en dat zij enig aandeelhouder zijn van [C]B.V. Evenzeer is niet in geschil dat eiser het betreffende pand van [C]B.V. huurt.

13.

Anders dan eiser, is de voorzieningenrechter van oordeel dat er sprake is van een zakelijk samenwerkingsverband tussen eiser en [A] en [B]. Verweerder heeft de volgende omstandigheden aan het bestreden besluit ten grondslag mogen leggen. De huurovereenkomst tussen eiser en [C]B.V. is op 1 februari 2012 ingegaan en de aanvraag om een exploitatievergunning is ingediend op 20 februari 2012. Eiser heeft daarom sinds 1 februari 2012 huurverplichtingen aan [C]B.V. terwijl de gevraagde exploitatievergunning tot op dit moment een onzekere factor is. Eiser heeft geen enkele omzet kunnen draaien. Met verweerder is de voorzieningenrechter van oordeel dat de omstandigheid dat eiser de huurovereenkomst is aangegaan zonder de opschortende voorwaarde dat een exploitatievergunning zou worden verleend, er niet op duidt dat eiser enige onderhandelingsruimte had. Verder blijkt uit de huurovereenkomst dat eiser de bedrijfsruimte alleen mag gebruiken als café of coffeeshop en dat hij een hogere huurprijs is verschuldigd als hij de ruimte als coffeeshop gebruikt. Eiser is verplicht om kansspelautomaten van [C] Speelautomaten Internationaal B.V. te plaatsen als hij de ruimte als café gebruikt en de opbrengsten daarvan met deze B.V. te delen, en hij is verplicht om alle dranken en het totale kernassortiment of drankenassortiment te voeren van en te kopen bij door [C]B.V. aangewezen groothandels zonder daar enige kortingen op te mogen bedingen. Ook is eiser verplicht om alle mondelinge en schriftelijke aanwijzingen van een door [C]B.V. aangewezen beheerder op te volgen en in acht te nemen. Verweerder heeft in redelijkheid kunnen concluderen dat [A] en [B] invloed kunnen uitoefenen op de bedrijfsvoering van de door eiser te exploiteren onderneming in het aan [C]B.V. in eigendom behorende pand. Het betoog van eiser dat de verhuurder een hogere huurprijs heeft bedongen indien de ruimte als coffeeshop wordt gebruikt omdat hij in dat geval hogere kosten verwacht te maken, en de facto de verplichtingen ten aanzien van de kansspelautomaten en de inkoop van het drankenassortiment niet zullen gelden, kan niet aan deze conclusie afdoen. Verweerder heeft verder bij het bestreden besluit mogen betrekken de omstandigheid dat eiser zijn gestelde eigen vermogen waarmee hij de beoogde investeringen zou financieren, niet aannemelijk heeft gemaakt. Ook heeft eiser ter onderbouwing van zijn ondernemingsplan een lege balans ingediend en een aanmerkelijk onjuiste omzet opgegeven. De niet onderbouwde stelling van eiser dat hij herhaaldelijk zeer specifieke informatie aan verweerder heeft verstrekt, vindt geen steun in het dossier en kan niet worden gevolgd.

14.

Onder deze omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat eiser in een zakelijk samenwerkingsverband staat tot [A] en [B] en dat hij in relatie staat tot de door [A] en [B] gepleegde ernstige strafbare feiten als bedoeld in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder c, van de Wet Bibob. Gelet hierop heeft verweerder de conclusie mogen trekken dat er ernstig gevaar bestaat dat de door eiser gevraagde exploitatievergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. Dit betekent dat de vergunning op grond van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet Bibob heeft mogen weigeren.

15.

Verweerder heeft op grond van het bovenstaande ook terecht geconcludeerd dat de vergunning op grond van artikel 3, eerste lid, onder b, van de Wet Bibob mocht worden geweigerd. De strafbare feiten, in strijd met de Wet op de kansspelen en belastingwetgeving, zijn door [A] en [B] gepleegd via de exploitatie van horecaondernemingen in Utrecht. Eiser heeft een vergunning aangevraagd voor een horecaonderneming in een pand in Utrecht van [C]B.V., waarvan [A] en [B] indirect bestuurders zijn. Verweerder heeft zich op het standpunt mogen stellen dat de samenhang tussen de delicten die door [A] en [B] zijn gepleegd en waarvoor zij veroordeeld zijn, en de activiteiten waarvoor de vergunning is aangevraagd, er in is gelegen dat horecabedrijven zeer kwetsbaar zijn voor de risico’s die voortkomen uit strafbare feiten in strijd met de Wet op de kansspelen en belastingwetgeving (namelijk witwassen en illegaal gokken).

16.

Het betoog van eiser dat het bestreden besluit in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, slaagt niet. Daartoe wordt overwogen dat de door eiser genoemde gevallen, namelijk een pand aan de Voorstraat en een pand aan de Amsterdamsestraatweg in Utrecht, geen gelijke gevallen betreffen. Verweerder heeft zich over het pand aan de Voorstraat onweersproken op het standpunt gesteld dat de gemeente Utrecht eigenaar is van het pand aan de Voorstraat en de particulier die het opstalrecht heeft niet in relatie staat tot [C]B.V. Over het pand aan de Amsterdamsestraatweg heeft verweerder zich onweersproken op het standpunt gesteld dat het pand is overgedragen aan een andere eigenaar dan [C]B.V. en er een vergunningaanvraag loopt van een nieuwe exploitant. De in de brief van 12 december 2013 gedane verwijzing naar 12 andere horecagelegenheden in Utrecht die door [C]B.V. worden verhuurd, kan evenmin leiden tot de conclusie dat in strijd met het gelijkheidsbeginsel is gehandeld. Nu deze lijst één dag voor zitting is overgelegd was het voor verweerder niet mogelijk om onderzoek te doen naar de achtergrond van deze horecagelegenheden. De voorzieningenrechter volgt evenwel het betoog van verweerder ter zitting dat bij deze horecagelegenheden op de lijst naar alle waarschijnlijkheid geen Bibob onderzoek heeft plaatsgevonden ten behoeve van de exploitatievergunningen omdat het cafés, cafetaria’s en restaurants betreft. Anders dan in dit geval, was ten behoeve van de op de lijst genoemde horecagelegenheden geen sprake van een functiewijziging van het pand en het voornemen om een coffeeshop te exploiteren. Verder is het naar het oordeel van de voorzieningenrechter aannemelijk dat de exploitatievergunningen ten behoeve van de horecagelegenheden op de overgelegde lijst zijn verleend vóór het onderhavige Bibob advies van 16 maart 2012 was uitgebracht.

17.

Over de grond van eiser dat het hem bevreemdt dat verweerder zijn aanvraag heeft afgewezen omdat bij brief van 11 januari 2013 door verweerder is medegedeeld dat hij voornemens is zijn medewerking te verlenen, overweegt de voorzieningenrechter dat, voor zover hiermee een beroep op het vertrouwensbeginsel wordt beoogd, dit beroep niet kan slagen. In dezelfde brief is neergelegd dat verweerder met een uitvoerig onderzoek bezig is en zodra een beslissing is genomen op de aanvraag, eiser verder inhoudelijk zal worden bericht. Van een ongeclausuleerde toezegging dat de exploitatievergunning zal worden verleend is dan ook geen sprake.

18.

Het bovenstaande brengt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat verweerder bevoegd was om de gevraagde vergunning te weigeren.

19.

De voorzieningenrechter stelt tot slot op grond van het verhandelde ter zitting en het verslag van de hoorzitting vast dat verweerder welwillend de mogelijkheden voor eiser wil onderzoeken om in een ander pand op grond van een andere huurovereenkomst een coffeeshop te exploiteren, met behoud van zijn positie zoals hij bij aanvang van zijn aanvraag had, ten aanzien van het maximum aantal coffeeshops dat in de gemeente Utrecht wordt vergund.

20.

Nu hetgeen eiser heeft aangevoerd niet kan leiden tot vernietiging van het bestreden besluit, is het beroep ongegrond.

21.

Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.

22.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Pavićević, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R.D.A. van Veghel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

20 december 2013.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.