Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:7346

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
19-12-2013
Datum publicatie
19-12-2013
Zaaknummer
16/661225-13 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een vrouw is veroordeeld tot 240 uur werkstraf waarvan 120 uur voorwaardelijk en een gevangenisstraf van drie maanden voor gewoontewitwassen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

parketnummer: 16/661225-13 [P]

vonnis van de meervoudige strafkamer d.d. 19 december 2013

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres], [postcode] te[woonplaats].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 10 juli 2013, 1 oktober 2013 en 4 en 5 december 2013.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en haar advocaat, mr. J.A.P.F. Hoens, naar voren hebben gebracht.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte in de periode van 1 juli 2012 tot en met 26 februari 2013, al dan niet samen met een ander, een groot geldbedrag heeft witgewassen.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het aan haar ten laste gelegde feit heeft begaan en baseert zich daarbij onder andere op de eigen verklaring van verdachte afgelegd bij de politie d.d. 28 februari 2013, alsmede de verklaringen van haar medeverdachte [medeverdachte] en de bevindingen tijdens de doorzoeking in de woning van verdachte.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen. Hiertoe heeft de raadsman onder andere het volgende aangevoerd:

Verdachte had geen opzet op het verbergen of verhullen van de gelden met als doel het veilig stellen van haar criminele opbrengsten. Allereerst behoorde het geldbedrag niet toe aan verdachte. Ten tweede staat niet vast dat het geldbedrag afkomstig is van criminele activiteiten, te weten drugshandel.

Verdachte had de gelden enkel onder zich ter bescherming van haar partner, tevens medeverdachte, [medeverdachte]. Niet staat vast dat de gelden aan [medeverdachte] toebehoorden en uit zijn criminele activiteiten afkomstig waren.

Het wettig bewijs voor een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en haar medeverdachte [medeverdachte] ontbreekt.

Gelet op het voorgaande dient verdachte van het aan haar ten laste gelegde feit te worden vrijgesproken, aldus de raadsman.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte het aan haar ten laste gelegde feit heeft begaan.

4.3.1

De feiten blijkend uit de bewijsmiddelen

Op 26 februari 2013 vond een doorzoeking plaats in de woning aan de[adres] te Amersfoort.1 Verdachte werd in de woning aangehouden.2 In de woning werd een koker beplakt met duct tape aangetroffen met als inhoud:

- 146 x € 50,00

- 451 x € 100,00

- 23 x € 200,00

- 24 x € 500,00.3

In een tweede koker beplakt met duct tape werd als inhoud aangetroffen:

- 201 x € 100,00

- 22 x € 200,00

- 191 x € 500,00.4

Voorts werd een doos gevuld met grote sommen geld aangetroffen, te weten:

- 6 x € 10,00

- 397 x € 20,00

- 507 x € 50,00

- 6 x € 100,00

- 7 x € 200,00.5

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat het klopt dat er in haar woning twee kokers en een doos met contant geld is aangetroffen. Medeverdachte [medeverdachte] had aan verdachte gevraagd of hij het geld bij haar mocht verstoppen. Verdachte vond dit goed. Zij wist dat het geld in ieder geval iets met weedhandel te maken had.6

Medeverdachte [medeverdachte] heeft op zijn beurt verklaard dat hij halverwege 2010 het geld bij verdachte heeft neergelegd.7 Verdachte wist dat het geld er lag. Zij had ermee ingestemd.8

4.3.2

Aanvullende bewijsoverweging ten aanzien van het witwassen

Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte na overleg met medeverdachte [medeverdachte] heeft ingestemd met het opbergen van twee kokers en een doos met daarin contant geld in haar woning. Het totaal bedrag aan contante gelden wat daarin zat bedraagt € 224.350,00. Verdachte heeft hierover verklaard dat zij in ieder geval wist dat de gelden iets te maken hadden met weedhandel.

Het opbergen, of beter: verbergen, van de kokers en de doos met daarin het contante geld, waarvan verdachte wist dat het van misdrijf, te weten weedhandel, afkomstig was, moet worden gekwalificeerd als witwassen.

Dat bij verdachte wetenschap bestond, dat de geldbedragen in de kokers en de doos afkomstig waren uit misdrijven, staat gelet op de bewijsmiddelen, vast.

Gelet op de periode waarin de kokers en de doos met daarin de contante gelden bij verdachte in de woning lagen, is er tevens bewijs geleverd voor de strafverzwarende variant van gewoontewitwassen.

Uit hetgeen in de bewijsmiddelen en het voorgaande reeds naar voren is gekomen bestond tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte] een nauwe en bewuste samenwerking. Immers, na en in overleg met medeverdachte [medeverdachte] heeft verdachte ermee ingestemd dat de kokers en de doos met daarin de contante geldbedragen in haar woning door medeverdachte [medeverdachte] werden neergelegd.

Op grond het voorgaande acht de rechtbank dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van gewoontewitwassen. De bewijsverweren die de verdediging op dit punt heeft aangevoerd zijn hiermee verworpen.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

omstreeks de periode van 01 juli 2012 tot en met 26 februari 2013 te Amersfoort, tezamen en in vereniging met een ander, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers hebben zij, verdachte en haar mededader van voorwerpen, te weten geldbedragen van in totaal 224.350,00, verborgen en verhuld wie de rechthebbende op genoemde geldbedragen was en genoemde geldbedragen verworven en voorhanden gehad, terwijl zij wist, dat bovenomschreven geldbedragen afkomstig waren uit enig misdrijf.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in haar verdediging geschaad.

De rechtbank merkt op dat op grond van de bewijsmiddelen vaststaat dat in totaal € 224.350,00 is witgewassen. De rechtbank merkt het tenlastegelegde bedrag van € 224.000,00 aan als een kennelijke schrijffout en zal de tenlastelegging op dit punt verbeterd lezen.

5 De strafbaarheid

5.1

De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op:

Gewoontewitwassen.

5.2

De strafbaarheid van verdachte

Door de raadsman is aangevoerd dat verdachte gedwaald heeft. Zij overzag het strafrechtelijk verwijtbare van haar handelen niet. Gelet op de persoonlijke problematiek van verdachte kan haar handelen haar slechts gedeeltelijk verweten worden. Daarnaast is het witwasbegrip dermate onduidelijk dat verdachte ook ten aanzien daarvan het verwijtbare van haar handelen niet in heeft kunnen zien.

De rechtbank verstaat het verweer van de raadsman tweeledig, te weten gericht op rechtsdwaling en gericht op de niet-toerekenbaarheid van het strafbare feit aan verdachte (ex artikel 39 van het Wetboek van Strafrecht).

Ten aanzien van het beroep op rechtsdwaling is de rechtbank van oordeel dat dit verweer niet kan slagen. Niet is aannemelijk geworden dat verdachte heeft gehandeld in een verontschuldigbare onbewustheid ten aanzien van de ongeoorloofdheid van de haar verweten gedraging. Uit het dossier volgt dat verdachte wist dat de gelden die door haar medeverdachte in haar woning werden gelegd, (in ieder geval gedeeltelijk) gelieerd waren aan de weedhandel. Alleen al uit deze omstandigheid blijkt dat verdachte op de hoogte was van de wederrechtelijkheid van haar handelen. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

Ten aanzien van het beroep op de niet-toerekenbaarheid heeft de rechtbank kennis genomen van het psychologisch onderzoek pro justitia van 24 september 2013 van drs. R.J. Vriend, psycholoog. In dit rapport wordt – onder meer – geconstateerd dat bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de persoonlijkheid, wat de gedragskeuzes en het gedrag van verdachte beïnvloedde ten tijde van het ten laste gelegde feit. Zij voldoet aan de criteria voor een borderline persoonlijkheidsstoornis. Door haar gebrekkige persoonlijkheidsontwikkeling heeft verdachte de neiging haar partner (de rechtbank begrijpt medeverdachte [medeverdachte]) te idealiseren, heeft zij moeite om negatieve emoties te verdragen en heeft zij moeite om ‘nee’ tegen anderen te zeggen wanneer haar iets gevraagd wordt. Daarnaast heeft verdachte een gezond verstand en is zij op rationeel vlak wel in staat om goed over zaken na te denken als zij zichzelf daar echt toe zet.

Door de psycholoog wordt geadviseerd verdachte als licht verminderd toerekeningsvatbaar te zien.

Overeenkomstig de inhoud van het rapport van de psycholoog kan niet worden gezegd dat verdachte niet strafbaar is. Er zijn voorts ook geen andere omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is dus strafbaar. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een werkstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis, alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd de volgende bijzondere voorwaarde aan verdachte op te leggen:

- een verplicht reclasseringscontact, inhoudende dat verdachte zich dient te houden aan de voorwaarden van de Reclassering, ook als dat inhoudt het volgen van een poliklinische behandeling bij De Waag of een soortgelijke instelling.

6.2

Het standpunt van de verdediging

Primair heeft de raadsman vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om bij een eventuele strafoplegging rekening te houden met het blanco strafblad van verdachte, de kwetsbare situatie waarin verdachte verkeerde ten tijde van het ten laste gelegde en haar bereidheid mee te willen werken aan de bijzondere voorwaarden zoals in het Pro Justitia rapport d.d. 24 september 2013 geadviseerd. Gelet op het voorgaande heeft de raadsman verzocht verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van straf of maatregel, dan wel een (on)voorwaardelijke taakstraf aan verdachte op te leggen. Wanneer een onvoorwaardelijke taakstraf wordt opgelegd, dient bij de uitvoering daarvan rekening te worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, aldus de raadsman.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich gedurende een langere periode en samen met haar medeverdachte schuldig gemaakt aan het witwassen van een aanzienlijk geldbedrag. Dit strafbare feit wordt gekwalificeerd als gewoontewitwassen.

Gewoontewitwassen heeft een ontwrichtende werking op de reguliere economie, omdat investeringen worden gedaan met vermeend legaal geld. Daardoor wordt de integriteit van het financieel en economisch bestel ernstige schade toegebracht. Daarbij wordt dit ‘zwarte’ geld ook vaak gebruikt om andere criminele activiteiten mee te financieren.

In het voordeel van verdachte laat de rechtbank meewegen dat verdachte zelf geen direct voordeel heeft gehad van het contante geldbedrag dat in haar woning verborgen lag. Zij heeft enkel gefungeerd als ‘bewaarder’. Dat was niet rechtstreeks voor de ‘rechthebbende’, maar voor haar partner die zelf ‘bewaarder’ was en vroeg om haar hulp hierbij. Voorts houdt de rechtbank ten voordele van verdachte rekening met het feit dat verdachte ter terechtzitting volledig rekenschap heeft afgelegd voor het door haar gepleegde strafbare feit.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met het feit dat verdachte een blanco strafblad heeft en moeder is van twee jonge kinderen.

Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op een over verdachte opgemaakt Pro Justitia rapport d.d. 24 september 2013. Hieruit volgt dat bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de persoonlijkheid wat haar gedragskeuzes en haar gedrag beïnvloedde ten tijde van het ten laste gelegde feit. Geadviseerd wordt om aan verdachte een voorwaardelijk strafdeel op te leggen met daarbij als bijzondere voorwaarden verplicht reclasseringscontact. Voorts wordt een behandeling bij een forensische polikliniek of een soortgelijke instelling geadviseerd. Daarbij zou gewerkt kunnen worden aan het vergroten van het inzicht van verdachte in haar eigen aandeel, alsmede aan de doelen:

- moeilijke gevoelens leren verdragen en hanteren;

- leren eigen gevoelens serieus te nemen en boosheid durven ervaren als een ander over haar grens heen gaat, waardoor verdachte minder leuke aspecten van een relatie durft toe te laten in haar bewustzijn;

- sterker worden in haar vermogen om ‘nee’ te zeggen tegen dingen die anderen van haar vragen en die zij niet wil.

Door de Reclassering is het advies van de psycholoog akkoord bevonden. De Reclassering is bereid en ziet mogelijkheden om het advies van de psycholoog uit te voeren.

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard zich te kunnen vinden in het advies van de psycholoog.

Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf voldoende recht doet aan de ernst van het feit en de persoon van de verdachte. De rechtbank zal dan ook overgaan tot het opleggen van een straf gelijk aan de strafeis.

7 Het beslag

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd het onder verdachte in beslag genomen geldbedrag, groot € 224.350,00 verbeurd te verklaren.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt ingenomen ten aanzien van het beslag.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Er kan niet exact worden vastgesteld aan wie de gelden die in de woning van verdachte zijn aangetroffen en in beslag zijn genomen toebehoren. Gebleken is wel dat het bewezen verklaarde feit begaan is met betrekking tot deze gelden.

Om die reden zijn de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen vatbaar voor verbeurdverklaring.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 33, 33a, 47 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Gewoontewitwassen.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 240 (tweehonderdveertig) uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 (honderdtwintig) dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de uitvoering van de werkstraf naar rato van twee uur per dag;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 (drie) maanden, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaar;

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde

1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt,

en

3. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, Wetboek van Strafrecht de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

4. dat veroordeelde zich moet houden aan de aanwijzingen die de Reclassering haar geeft;

5. dat veroordeelde zich laat behandelen bij een forensische polikliniek of soortgelijke instelling, zolang als de Reclassering – in overleg met de behandelaars – nodig vindt.

Geeft aan genoemde instelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beslag

- verklaart verbeurd de voorwerpen die op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst zijn genummerd 1 tot en met 3.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Grapperhaus, voorzitter, mr. N.E.M. Kranenbroek en mr. C.S.K. Fung Fen Chung, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.P. Stapel, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 19 december 2013.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 juli 2012

tot en met 26 februari 2013 te Amersfoort, althans in het arrondissement

Midden-Nederland, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt,

immers heeft/hebben zij, verdachte en/of haar mededader(s) van (een)

voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en) van (in totaal) 224.000,00

euro in elk geval enig goed,

de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de

verplaatsing verborgen en/of verhuld, althans verborgen en/of verhuld wie de

rechthebbende op genoemd(e) voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) was of wie

bovenomschreven voorwerp, voorhanden had,

en/of genoemd(e) voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) verworven, voorhanden

gehad, overgedragen en/of omgezet, althans van genoemd(e) voorwerp(en) en/of

geldbedrag(en), gebruik gemaakt,

terwijl zij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat bovenomschreven

voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig

was/waren uit enig misdrijf;

artikel 420 BIS/QUATER onder a en/of b WvSr.

art 420ter Wetboek van Strafrecht

art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

1 Indien hierna wordt verwezen naar processen-verbaal wordt hierbij telkens verwezen naar de bijlagen van het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van politie, genummerd 2013 044948 B, gesloten en ondertekend op 3 september 2013 door [verbalisant], brigadier van Politie Midden Nederland, Dienst Regionale Recherche. De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt. Het proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming, p. 27.

2 Het proces-verbaal van verslag van binnentreden, p. 29.

3 Het proces-verbaal van verslag van binnentreden, p. 30.

4 Het proces-verbaal van verslag van binnentreden, p. 30.

5 Het proces-verbaal van verslag van binnentreden, p. 30.

6 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 4 december 2013.

7 De verklaring van medeverdachte [medeverdachte] afgelegd bij de rechter-commissaris d.d. 6 november 2013, p. 1.

8 De verklaring van medeverdachte [medeverdachte] afgelegd bij de rechter-commissaris d.d. 6 november 2013, p. 2.