Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:7299

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
18-12-2013
Datum publicatie
07-01-2014
Zaaknummer
AWB-13_4411
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2014:3629, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Trefwoorden: Artikel 5.18 Bor, maximale termijn vijf jaar

Wetsartikelen: 5.18 Bor, 2.23 Wabo, 2.1 lid 1 onder c Wabo

Samenvatting:

Omgevingsvergunning voor bepaalde tijd.

Verweerder heeft een omgevingsvergunning verleend voor het herbouwen van 234 prefab spaceboxen met een tijdelijkheid van maximaal negen jaar, het afwijken van het bestemmingsplan en het kappen van 22 bomen op het perceel Archimedeslaan 16 te Utrecht.

De rechtbank stelt vast dat in artikel 5.18 van het Bor uitdrukkelijk wordt verwezen naar strijdig gebruik in algemene zin als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, Wabo en niet naar artikel 2.12, tweede lid, Wabo. Dit betekent dat als er sprake is van strijdig gebruik én de omgevingsvergunning voorziet in een tijdelijke behoefte, er op basis van de wet geen andere conclusie mogelijk is dan dat de vergunning voor een termijn van maximaal vijf jaar kan worden verleend.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2014/14 met annotatie van D. van der Meijden

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 13/4411

uitspraak van de meervoudige kamer van 18 december 2013 in de zaak tussen

1.

[eiser sub 1], eiser sub 1,

2.

[eiser sub 2], eiser sub 2,

3.

[eisers sub 3][eisers sub 3][eisers sub 3], eisers sub 3

4.

[eiser sub 4], eiser sub 4,

5.

[eiser sub 5], eiser sub 5,

6.

[eiser sub 6], eiser sub 6,

allen wonende te Utrecht,

hierna gezamenlijk ook te noemen: eisers,

(gemachtigde: mr. A.C.W. Kraan),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder

(gemachtigde: mr. H.P. de Keijzer).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: SSH Utrecht, te Utrecht (gemachtigde: mr. P.V. Kleijn).

Procesverloop

Bij besluit van 29 augustus 2013 (bestreden besluit I) heeft verweerder aan SSH Utrecht (vergunninghoudster) met toepassing van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, en artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder g, in samenhang met artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3° van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) omgevingsvergunning verleend voor het herbouwen van 234 prefab spaceboxen met een tijdelijkheid van maximaal negen jaar, het afwijken van het bestemmingsplan en het kappen van 22 bomen op het perceel [perceel]te Utrecht (het perceel).

Eisers hebben tegen het bestreden besluit I beroep bij deze rechtbank ingesteld.

Bij uitspraak van 7 oktober 2013 (UTR 13/4410) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het bestreden besluit I geschorst tot deze uitspraak.

Op 20 november 2013 heeft verweerder ter vervanging van zijn besluit van 29 augustus 2013 een nieuw besluit genomen (bestreden besluit II).

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 december 2013. Eisers sub 1, 2, 4, 5 en 6 zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Van de zijde van eisers is tevens verschenen [A]. Verweerder en vergunninghoudster hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Tevens waren ter zitting aanwezig [B], medebehandelaar van het primaire besluit, en [C], manager vastgoed bij vergunninghoudster.

Overwegingen

1.

Bij het bestreden besluit II heeft verweerder het bestreden besluit I in die zin gewijzigd, dat het advies van de welstandscommissie is ingevoegd en overgenomen en de termijn van inwerkingtreding is gewijzigd in zes weken. De rechtbank acht het tegen het bestreden besluit I ingestelde beroep onder toepassing van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede gericht tegen het bestreden besluit II. Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers geen belang meer bij de beoordeling van hun beroep gericht tegen het bestreden besluit I, nu dit besluit inmiddels is vervangen door het bestreden besluit II. Het beroep tegen besluit I is daarom niet-ontvankelijk. Nu met het bestreden besluit II niet wordt tegemoetgekomen aan het beroep van eisers zal de rechtbank dit beroep hieronder beoordelen.

2.

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.
Op 17 mei 2013 heeft vergunninghoudster een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning. Het project voorziet in het tijdelijk plaatsen (te weten voor een periode van maximaal negen jaar) van 234 spaceboxen aan de voorzijde van het perceel. In de boxen zullen 233 studenten worden gehuisvest. Op het perceel worden verder 23 parkeerplaatsen gerealiseerd. Teneinde realisatie van het project mogelijk te maken, zullen 22 bomen op het perceel worden gekapt. De spaceboxen waren voorheen in gebruik op De Uithof (aan de Bolognalaan) te Utrecht. Eisers wonen allen aan de [straatnaam] te Utrecht. Deze laan loopt parallel aan de Archimedeslaan. Het woonblok waarin eisers woonachtig zijn, is gelegen tegenover het perceel, aan de overzijde van de Archimedeslaan.

Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Rijnsweerd Zuid 1988” rust op het perceel de bestemming “Onderwijsdoeleinden”. Niet in geschil is dat het gebruik van (een gedeelte van) het perceel voor huisvesting van studenten in strijd is met artikel 21 van de planvoorschriften.

Om verwezenlijking van het plan mogelijk te maken heeft verweerder bij het bestreden besluit II aan vergunninghoudster met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wabo vergunning verleend voor het tijdelijk gebruiken van een gedeelte van het perceel voor huisvesting van studenten. Aan dit besluit is de voorwaarde verbonden dat de vergunning een geldingsduur heeft van maximaal negen jaar vanaf de datum van bekendmaking daarvan.

Zorgvuldige voorbereiding

3.

Eisers voeren aan dat de voorbereiding van het bestreden besluit onzorgvuldig is geweest omdat de inspraakperiode kort was en midden in de vakantieperiode viel, de uiteindelijk gekozen opstelling van de spaceboxen niet is besproken tijdens de inspraakavond, de inspraakprocedure grotendeels georganiseerd is door personen die een belang hebben bij het plaatsen van de spaceboxen en verweerder onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar alternatieve locaties.

Verweerder heeft de beslissing op de aanvraag voorbereid en genomen met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure. De rechtbank overweegt dat uit hetgeen eisers hebben aangevoerd niet volgt dat verweerder heeft gehandeld in strijd met genoemde procedure, dan wel dat eisers gedurende die procedure alsmede de beroepsprocedure onvoldoende de mogelijkheid hebben gehad om hun bezwaren kenbaar te maken. Eventuele tekortkomingen in een inspraakprocedure die is voorafgegaan aan genoemde voorbereidingsprocedure kunnen niet leiden tot vernietiging van het thans bestreden besluit. Voorts heeft te gelden dat verweerder een besluit dient te nemen op de aanvraag. Dit betekent dat hij dient te beoordelen of de aanvraag voldoet aan de daaraan te stellen eisen en aanvaardbaar is. Daarbij is niet relevant of de gekozen opstelling waarvoor de aanvraag is gedaan overeenkomt met de tijdens de inspraakprocedure besproken opstelling en of er al dan niet alternatieve locaties beschikbaar zijn. Bij de beoordeling of een omgevingsvergunning dient te worden verleend, vormt het bouwplan zoals dat is ingediend het uitgangspunt. Indien dit bouwplan op zichzelf aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Daarvan is niet gebleken. Verweerder heeft gemotiveerd aangegeven om welke redenen genoemde alternatieve locaties of niet beschikbaar zijn, dan wel dat daaraan bezwaren kleven. In de enkele omstandigheid dat plaatsing van het bouwplan elders voor eisers gunstiger is, heeft verweerder geen aanleiding hoeven vinden medewerking aan het voorliggende bouwplan te onthouden. De beroepsgrond slaagt niet.

Gelijkheidsbeginsel en willekeur

4.

Eisers doen een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Zij verwijzen naar de situatie bij de Van Lieflandlaan. Volgens eisers is het plan om de spaceboxen daar te plaatsen niet doorgegaan omdat de procedure te snel ging, terwijl de inspraakprocedure in de onderhavige zaak korter was dan bij de Van Lieflandlaan. Dat de inspraakprocedure over de mogelijke locatie Van Lieflandlaan anders is gelopen, maakt niet dat het bestreden besluit II om die reden voor vernietiging in aanmerking komt. Overigens volgt uit hetgeen eisers stellen niet dat verweerder heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel. De gestelde willekeur is niet onderbouwd. De beroepsgrond slaagt niet.

Ruimtelijke onderbouwing

5.

Eisers voeren verder aan dat het bestreden besluit een goede ruimtelijke onderbouwing mist. Volgens eisers past het project niet in het toekomstige bestemmingsplan, heeft het project negatieve gevolgen voor de parkeerdruk in de wijk en is niet duidelijk of het project voldoet aan de geldende geluidsnormen en fijnstofnormen. Voorts vragen eisers zich af of het project blijft binnen het in het bestemmingsplan vastgestelde maximale bebouwingspercentage en de bouwgrenzen.

De rechtbank overweegt dat de omgevingsvergunning is verleend voor bepaalde tijd. Om die reden is niet relevant of het project past in het toekomstige bestemmingsplan. Of het project voldoet aan het maximale bebouwingspercentage of de bouwgrenzen in het vigerende bestemmingsplan doet evenmin ter zake, nu juist vergunning is verleend voor afwijking van het geldende bestemmingsplan. Deze argumenten van eisers kunnen dan ook niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit II.

De overige klachten van eisers leiden de rechtbank tot beantwoording van de vraag of sprake is van een goede ruimtelijke onderbouwing van het project. Verweerder heeft in zijn ruimtelijke onderbouwing rekening gehouden met de parkeerdruk. Verweerder is daarbij terecht uitgegaan van de CROW-norm voor studentenhuisvesting van 0,1 en heeft de parkeereis dan ook kunnen vaststellen op 23 parkeerplaatsen. Nu het plan mede ziet op het realiseren van 23 parkeerplaatsen op eigen terrein, wordt aan deze norm voldaan. Dat op het terrein thans -illegaal- wordt geparkeerd door gebruikers van de omliggende kantoorpanden, staat los van dit project en kan daardoor niet leiden tot gegrondverklaring van het beroep.

Alvorens het besluit te nemen heeft verweerder onderzoek verricht naar de gevolgen van het plan voor onder meer de luchtkwaliteit en de geluidsituatie. Uit deze onderzoeken volgt dat de luchtkwaliteitsnormen niet worden overschreden en dat de geluidsnormen enkel ter plaatse van de spaceboxen worden overschreden, om welke reden hogere grenswaarden zijn vastgesteld. Niet is gebleken dat de geluidsbelasting op de gevels van de woningen van eisers ten gevolge van het plan zal toenemen of dat ter plaatse strijd zal ontstaan met de geldende geluidsnormen. Eisers hebben ook geen advies overgelegd van een (andere) deskundige, dan wel gemotiveerd aangevoerd dat de geluidsnormen die voor hun woningen gelden als gevolg van de realisatie van het plan worden overschreden. Overigens is niet aannemelijk geworden dat als gevolg van het project de geluidsituatie ter plaatse van de woningen van eisers zal verslechteren. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eisers’ woningen zich bevinden in een stedelijke omgeving, nabij busbanen en snelwegen en dat het betreffende terrein reeds in gebruik is voor onderwijsdoeleinden. Uit het voorgaande volgt dat de beroepsgrond van eisers inhoudende dat het bestreden besluit II een goede ruimtelijke onderbouwing ontbeert, niet slaagt.

Asbest

6.

De beroepsgrond van eisers die ziet op het ontbreken van een asbestonderzoek slaagt evenmin. De rechtbank overweegt hiertoe dat verweerder bodemonderzoek heeft gedaan. Volgens het hiervan opgemaakte rapport bestaan er op basis van dit onderzoek geen belemmeringen voor het huidige en toekomstige gebruik van het perceel en is een asbestinventarisatie alleen noodzakelijk als er gesloopt zal worden. Aangezien van sloop in het kader van dit project geen sprake is, kan verweerder afgaan op de uitkomsten van het bodemonderzoek en is hij, anders dan eisers aanvoeren, niet gehouden nader (asbest)onderzoek te verrichten.

Welstand

7.

Verweerder heeft een advies van de welstandscommissie gevraagd. De rechtbank stelt vast dat de welstandscommissie het plan heeft getoetst aan het beleidsniveau Open dat aan het betreffende gebied in de Welstandsnota is toegekend. In haar advies verwijst de welstandscommissie naar het advies dat zij in 2004 gaf met betrekking tot de plaatsing van de spaceboxen op het terrein van de Uithof. Vervolgens stelt de commissie vast dat de spaceboxen naar vorm en schaal ook in deze omgeving passen. De commissie oordeelt dat de aanvraag voldoet aan de criteria zoals neergelegd in de Welstandsnota. Verweerder heeft het advies van de welstandscommissie overgenomen.

Gelet op vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 24 oktober 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY0985) mag verweerder aan een welstandsadvies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Tenzij het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont, dat verweerder het niet, of niet zonder meer, aan zijn oordeel over de welstand ten grondslag heeft mogen leggen, behoeft het overnemen van een welstandsadvies in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders, indien de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies overlegt van een andere deskundige, dan wel gemotiveerd aanvoert dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota in acht te nemen criteria.

Eisers hebben zich op het standpunt gesteld dat het advies onzorgvuldig tot stand is gekomen omdat een gedeelte van het advies letterlijk is overgenomen van het welstandsadvies zoals dat is verstrekt voor de vorige locatie gelegen op de Uithof. Verder heeft de welstandscommissie volgens eisers niet zorgvuldig naar de aanvraag gekeken omdat op de zitting van de voorzieningenrechter op 23 september 2013 slechts een door de secretaris van de welstandscommissie opgesteld preadvies beschikbaar was en het advies van de welstandscommissie van een dag later (24 september 2013) dateert en letterlijk de tekst van het preadvies beslaat.

De rechtbank overweegt dat het feit dat de welstandscommissie in haar advies verwijst naar haar eerdere advies met betrekking tot de spaceboxen op een andere locatie in dit geval niet onzorgvuldig is. Het betreft immers dezelfde spaceboxen en om die reden is het begrijpelijk dat het deel van het advies dat betrekking heeft op de spaceboxen zelf overeenkomt. Ook de omstandigheid dat het definitieve welstandsadvies op de dag na de zitting bij de voorzieningenrechter tot stand is gekomen, maakt niet dat daarom moet worden geconcludeerd dat dit advies onzorgvuldig is.

Eiseres voeren verder aan dat verweerder in redelijkheid niet het advies van de welstandscommissie had mogen overnemen omdat het plan niet voldoet aan de eisen zoals neergelegd in de excessenregeling van de Welstandsnota.

De rechtbank stelt vast dat er volgens voornoemde excessenregeling sprake is van een exces wanneer een bouwwerk op overduidelijke wijze in ernstige mate in strijd is met de redelijke eisen van welstand. Het gaat in gevallen van een exces altijd om ernstige ontsiering van een bouwwerk in relatie tot de omgeving. Indien verweerder meent dat er sprake is van een exces, wordt de welstandscommissie gevraagd om een advies uit te brengen. Gelet op het feit dat de welstandscommissie in dit geval reeds een positief advies heeft uitgebracht, kan het beroep van eisers op de excessenregeling niet slagen.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder het advies van de welstandscommissie aan het bestreden besluit II ten grondslag heeft mogen leggen. De beroepsgrond slaagt derhalve niet.

Belangenafweging

8.

Eisers stellen zich op het standpunt dat verweerder op basis van een belangenafweging de gevraagde vergunning had moeten weigeren. Eisers vrezen dat door de komst van (nog) meer studenten naar hun wijk, de overlast die zij nu al ondervinden alleen maar zal toenemen.

Alhoewel de rechtbank begrijpt dat de overlast die eisers nu ervaren van het bestaande pand op het perceel en van de bezoekers van HAL 16 hun woongenot mogelijk beperkt, kan die overlast niet betrokken worden bij de belangenafweging van het project. Die overlast wordt immers niet veroorzaakt door het plaatsen van de spaceboxen. Evenmin kan in de belangenafweging worden betrokken de mogelijke (geluids)overlast door de toekomstige bewoners van de spaceboxen. De reden daarvoor is dat het gaat om een onzekere toekomstige gebeurtenis, die - indien de door eisers gevreesde overlast zich al zal voordoen - samenhangt met het gebruik en gedrag van de toekomstige bewoners, en niet met de effecten van de plaatsing van de spaceboxen op zich. Dergelijke overlast van gebruikers van de spaceboxen dient in het kader van handhaving te worden aangepakt.

De mogelijk negatieve gevolgen van de plaatsing van de spaceboxen zelf op het perceel dienen wel te worden betrokken bij de belangenafweging. De rechtbank is echter niet gebleken dat het project tot onevenredige gevolgen voor eisers in hun woon- en leefomgeving leidt. Hierbij acht de rechtbank van belang dat eisers in een stedelijke omgeving nabij de Uithof wonen en (de huisvesting van) studenten onderdeel uitmaakt van de leefomgeving van eisers. Daarbij komt dat op het perceel de bestemming ‘Onderwijsdoeleinden’ rust met intensieve bouw- en gebruiksmogelijkheden. Dit betekent dat eisers rekening moesten en moeten houden met de aanwezigheid van (forse) bebouwing ten behoeve van onderwijs en derhalve met het gebruik van die bebouwing door grote aantallen studenten, zowel overdag als in de avonduren. In hetgeen eisers hebben aangevoerd is dan ook geen grond gelegen voor het oordeel dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen, dat wil zeggen de belangen van eisers enerzijds maar ook de belangen van vergunninghoudster en het maatschappelijke belang bij het realiseren van afdoende passende studentenhuisvesting anderzijds, niet in redelijkheid een doorslaggevend gewicht heeft kunnen toekennen aan laatstgenoemde belangen. De beroepsgrond slaagt derhalve niet.

Termijn van vergunning

9.

Eisers voeren tot slot aan dat het niet mogelijk is om de vergunning voor een termijn van negen jaar te verlenen. Volgens eisers is de maximale termijn van een tijdelijke vergunning op basis van artikel 5.18 van het Besluit omgevingsrecht (Bor) vijf jaar.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat het op grond van artikel 2.23, eerste lid, Wabo in combinatie met artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, Wabo mogelijk is om

- anders dan op grond van artikel 2.12, tweede lid, en artikel 2.23, tweede lid, Wabo - een termijn van negen jaar aan een vergunning te verbinden. Verweerder verwijst hiervoor naar een advies van prof. mr. A.G.A. Nijmeijer van 22 november 2013 en naar de wetsgeschiedenis van artikel 2.23 Wabo alsmede naar de memorie van toelichting bij de Wijzigingswet van de Crisis- en herstelwet bij dit artikel.

Volgens artikel 2.23, eerste lid, Wabo kan in een omgevingsvergunning worden bepaald dat zij geheel of gedeeltelijk geldt voor een daarin aangegeven termijn.

Artikel 2.23, tweede lid, aanhef en onder a, Wabo bepaalt dat bij algemene maatregel van bestuur categorieën gevallen kunnen worden aangewezen, waarin in de omgevingsvergunning wordt bepaald dat zij slechts geldt voor een daarbij aangegeven termijn. Bij de maatregel kan worden bepaald dat de omgevingsvergunning voor ten hoogste een daarbij aangegeven termijn kan gelden.

De artikelen 5.16, 5.17, 5.18 en 5.19 van het Bor zijn een uitwerking van artikel 2.23, tweede lid, Wabo.

Artikel 5.18, eerste lid, van het Bor bepaalt dat in een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, Wabo, die voorziet in een tijdelijke behoefte, wordt bepaald dat zij slechts geldt voor een daarin aangegeven termijn van ten hoogste vijf jaar.

Op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, Wabo, voor zover hier van belang, is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

De rechtbank stelt vast dat in artikel 5.18 van het Bor uitdrukkelijk wordt verwezen naar strijdig gebruik in algemene zin als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, Wabo en niet naar artikel 2.12, tweede lid, Wabo. Dit betekent dat als er sprake is van strijdig gebruik én de omgevingsvergunning voorziet in een tijdelijke behoefte, er op basis van de wet geen andere conclusie mogelijk is dan dat de vergunning voor een termijn van maximaal vijf jaar kan worden verleend. De jurisprudentie gewezen onder de vigeur van artikel 17 en 19 WRO is in dit kader dan ook niet relevant. De uitleg van artikel 2.23 Wabo zoals voorgestaan door vergunninghoudster wijzigt deze conclusie evenmin. Volgens vergunninghoudster maakt het eerste lid van artikel 2.23 Wabo het mogelijk om ook in andere gevallen dan omschreven in de artikelen 5.16 tot en met 5.19 van het Bor een termijn aan een vergunning te verbinden. Wat er ook zij van de juistheid van dit betoog, het laat onverlet dat artikel 5.18 van het Bor dwingendrechtelijk voorschrijft dat in het geval van een omgevingsvergunning die voorziet in een tijdelijke behoefte, een maximale termijn van vijf jaar geldt.

Tussen partijen is niet in geschil dat het project afwijkt van het bestemmingsplan en dat het ziet op een tijdelijke behoefte. Dit blijkt ook uit het feit dat de aanvraag is gedaan voor een periode van tien jaar, dat de vergunning is verleend voor negen jaar, de omstandigheid dat de (technische) gebruiksduur van de spaceboxen beperkt is en dat de ontwikkelingen rond het perceel onzeker zijn in verband met de mogelijke verbreding van de A27 en de plannen van de eigenaar ter plaatse. Nu sprake is van een activiteit dan wel een project dat voorziet in een tijdelijke behoefte is aan de voorwaarden van artikel 5.18 van het Bor voldaan. Hieruit volgt dat aan een omgevingsvergunning voor het project geen langere termijn dan vijf jaar kan worden verbonden. Nu verweerder bij het bestreden besluit II vergunninghoudster omgevingsvergunning heeft verleend voor negen jaar, en dus meer dan de maximaal toegestane vijf jaar, moet het bestreden besluit II worden vernietigd. Het betoog slaagt.

10.

Het beroep is gelet op hetgeen hiervoor is overwogen gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit II wegens strijd met de artikelen 2.23, tweede lid, Wabo en 5.18, eerste lid, van het Bor.

11.

Uit de te geven uitspraak volgt dat verweerder een nieuw besluit zal moeten nemen op de aanvraag van vergunninghoudster. Nu vergunninghoudster een omgevingsvergunning voor de duur van tien jaar heeft aangevraagd en deze, zoals hiervoor overwogen, slechts voor maximaal vijf jaar kan worden afgegeven, kan de aanvraag zoals die voorligt, ook na wijziging van tien in negen jaren, niet worden gehonoreerd. Dat betekent dat verweerder of de aanvraag alsnog moet afwijzen, dan wel in overleg met vergunninghoudster moet komen tot een wijziging van de aanvraag. Indien de aanvraag wordt gewijzigd in die zin dat de termijn van instandhouding en afwijking van het bestemmingsplan wordt bekort tot maximaal vijf jaar, dan staan genoemde wettelijke bepalingen niet aan vergunningverlening in de weg. Het is thans aan vergunninghoudster om – al dan niet na overleg met verweerder - de aanvraag aan te passen. Of dat gebeurt is aan vergunninghoudster, de rechtbank kan daarop thans niet vooruit lopen. Om deze reden ziet de rechtbank thans geen mogelijkheid het geschil (meer) definitief te beslechten en zal zij volstaan met vernietiging van het bestreden besluit II.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat indien de aanvraag wordt gewijzigd door bekorting van de termijn tot (maximaal) vijf jaar, bij een overigens ongewijzigd project, de te verlenen vergunning de rechterlijke toetsing zal kunnen doorstaan. De rechtbank bepaalt tevens, onder toepassing van artikel 8:72, vierde lid, onder a, Awb, dat verweerder voor het nader te nemen besluit niet de uniforme openbare voorbereidingsprocedure behoeft te volgen. In de voorbereiding van het bestreden besluit II zijn immers de voor het besluit noodzakelijke onderzoeken al verricht en belanghebbenden hebben de mogelijkheid gehad om hun zienswijzen naar voren te brengen. Daarbij komt dat uit het voorgaande volgt dat alle overige door eisers tegen het bestreden besluit II opgeworpen beroepsgronden falen.
De rechtbank zal aan de nadere besluitvorming geen termijn verbinden; het is aan vergunninghoudster om desgewenst tot wijziging van de aanvraag te komen en vervolgens aan verweerder om daarop tijdig te beslissen.

12.

Nu het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 944,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 472,- en een wegingsfactor 1). Tevens zal verweerder het griffierecht dienen te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gericht tegen het bestreden besluit I niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep gericht tegen het bestreden besluit II gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit II;

- draagt verweerder op om een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 160,- aan eisers te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 944,- te betalen aan eisers.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.J. van Ettekoven, voorzitter, en mr. J.W. Veenendaal en mr. E.J.W. Verhaagh, leden, in aanwezigheid van mr. V. Heijckmann, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 december 2013.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.