Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:7282

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
17-12-2013
Datum publicatie
18-12-2013
Zaaknummer
07.662348-12 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte vrijgesproken van medeplegen en medeplichtigheid aan moord op een sportschoolhouder. Veroordeling volgt wegens het voorhanden hebben van vuurwapens.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Lelystad

Parketnummer: 07.662348-12 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 17 december 2013

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende [adres 1] ([postcode]) te [woonplaats].

1 HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het onderzoek heeft laatstelijk plaatsgevonden ter openbare terechtzittingen van 27, 28 en 29 november en 2 en 3 december 2013 te Lelystad, waarbij de verdachte is verschenen op

27 november en 3 december 2013. De raadsman van verdachte mr. A. Taner, advocaat te Lelystad, is op alle voornoemde zittingsdagen aanwezig geweest, waarbij de raadsman heeft verklaard door de verdachte uitdrukkelijk te zijn gemachtigd om deze ter terechtzitting te verdedigen op de dagen dat zij niet aanwezig is.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. M. Kamper en van de standpunten door de raadsman van verdachte naar voren gebracht.

2 DE TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

primair

zij op of omstreeks 13 september 2011 te Almere, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk (en met voorbedachten rade) [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) haar mededader(s) met dat opzet, met een vuurwapen een of meer kogels (van korte afstand en/of gericht) afgevuurd op en/of in de richting van die [slachtoffer], waardoor die [slachtoffer] door een of meerdere van die kogels in het lichaam en/of het hoofd is getroffen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

subsidiair

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of

[medeverdachte 5] en/of (een) ander(en) op of omstreeks 13 september 2011 te Almere, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk (en met voorbedachten rade) [slachtoffer] van het leven heeft/hebben beroofd, immers heeft die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of[medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of (een) ander(enverdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet, met een vuurwapen een of meer kogels (van korte afstand en/of gericht) afgevuurd op en/of in de richting van die [slachtoffer], waardoor die [slachtoffer] door een of meerdere kogels in het lichaam en/of het hoofd is getroffen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden,

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf zij, verdachte, in of omstreeks de periode van

1 januari 2012 tot en met 1 13 september 2012 juli te Apeldoorn en/of Almere, in elk geval in Nederland, opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest,

door opzettelijk (onder meer)

- te wisselen met een of meer dienst(en) (van onder andere voornoemde [medeverdachte 1]) in de sportschool zodat er naar voornoemd slachtoffer [slachtoffer] gezocht kon worden dan wel de verblijfplaats van voornoemd slachtoffer [slachtoffer] achterhaald kon worden dan wel dat voornoemd slachtoffer [slachtoffer] geobserveerd kon worden en/of

- (met voornoemde [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of (een) ander(en)) mee te gaan (naar het bos) om een of meer schietoefening(en) te doen met een of meer vuurwapen(s) en/of om te kijken of het vuurwapen wel goed werkte dan wel elders schietoefeningen met genoemde vuurwapen(s) kon worden gedaan en/of

- na te laten die [slachtoffer] te waarschuwen voor die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [verdachte] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 5] en/of (een) ander(en) en/of na te laten bijstand/hulp in te roepen van politie en/of (een) ander(en) en/of

- niet in te grijpen en/of te laten ingrijpen door (een) ander(en) ter voorkoming dat die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [verdachte] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 5] en/of (een) ander(en) tot de uitvoering van het plegen van bovengenoemd misdrijf zou(den) overgaan en/of (aldus) (op geen enkele wijze) (niet) te voorkomen dat die [slachtoffer] het leven zou laten;

2.

zij in of omstreeks de periode van (ongeveer) 1 maart 2012 tot en met 1 juli 2012 te Apeldoorn, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer wapens van categorie III, te weten

- een pistool (merk onbekend, model M57) en/of

- een pistool (merk Glock, model 19)

van categorie III sub 1 voorhanden heeft gehad.

De rechtbank verbetert in de tenlastelegging een aantal kennelijke schrijffouten. De verdachte wordt daardoor niet in haar verdediging geschaad.

3 DE VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

Ten aanzien van feit 1

Vaststaande feiten1

Aantreffen van het dodelijk overschot van het slachtoffer.

Op 13 september 2011 vernemen verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] dat er bij de flats op de [straatnaam] te Almere iemand onwel is geworden dan wel mogelijk is overleden.2

De [straatnaam] betreft een lange doodlopende weg met aan de linkerzijde van de weg parkeervakken en aan de rechterzijde van de weg een drietal appartementencomplexen.3

Als verbalisanten omstreeks 6.30 uur ter plaatse zijn, treffen verbalisanten een man op de grond aan die verwondingen aan het hoofd heeft die lijken op schotwonden. De man wordt aangetroffen op de stoep naast de parkeervakken bij het laatste appartementencomplex aan [straatnaam] te Almere.4

In de toegangshal van dit appartementencomplex treffen verbalisanten, op aanwijzing van de getuige [getuige 1], een horloge en een sleutel van een Mercedes aan.5 Tevens nemen zij bloedspetters, hulzen, kogels en mogelijke kogelinslagen waar in de hal van de flat.6

Vervolgens komt een vrouw, naar later blijkt [benadeelde 1], aanlopen die zegt dat de op de stoep aangetroffen man haar echtgenoot is7, genaamd [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer)8.

Na het aantreffen van het stoffelijk overschot is door de Regiopolitie Flevoland het ‘Team Grootschalig Onderzoek 32’ geformeerd, dat vervolgens het onderzoek heeft verricht naar de dood van het slachtoffer. In het kader van dat onderzoek is een groot aantal onderzoekshandelingen verricht, waaronder de sectie op het lichaam van het slachtoffer, forensische onderzoeken, de inzet van een stelselmatige informatie inwinner werkend onder de naam ‘[naam 1]’ (hierna: ‘[naam 1]’) en het horen van diverse getuigen.

Oorzaak van het overlijden van het slachtoffer.

Uit de rapportage van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) blijkt dat het slachtoffer is overleden als gevolg van meermalen bij het leven opgelopen uitwendig inwerkend perforerend geweld (schotverwondingen) op het lichaam.9

Bij sectie zijn zeven schotverwondingen gevonden passend bij zes doorschoten en één inschotletsel. Van deze zeven schotverwondingen waren er drie doorschoten door het hoofd.10 Blijkens de tekening11, foto’s12 en de bijbehorende toelichting bevonden zich drie inschotverwondingen op een rij rechts van de slaap.13 Verder is een onderhuids verlopend doorschot in de nek aangetroffen, twee doorschoten door en één inschot in de romp en een kogel in de borst.14 Voorts is geconcludeerd dat de schoten door de romp ernstig en levensbedreigend waren, maar het slachtoffer daardoor niet direct handelingsonbekwaam hoeft te zijn geweest; hij zou nog naar buiten hebben kunnen lopen.15

Tijdstip van overlijden van het slachtoffer.

Uit camerabeelden blijkt dat het slachtoffer op 13 september 2011 om 00.18.46 uur de sportschool aan de Markerkant 10-56 te Almere verlaat.16 De bus van het bedrijf van het slachtoffer rijdt vervolgens om 00.26 uur vanuit de richting van de sportschool in de richting van [straatnaam]. Omstreeks 00.27 uur rijdt de bus richting de rotonde gelegen voor [straatnaam].17 De getuige [getuige 2] hoort diezelfde dag omstreeks 00.30 uur drie geluiden achter elkaar. Hierna is het even stil en vervolgens hoort voornoemde getuige de rest van de geluiden. Het aantal geluiden is tussen de zes en acht.18De rechtbank leidt uit het vorenstaande af dat het slachtoffer omstreeks 00.30 uur is beschoten en vrijwel direct daarna is overleden.

Forensisch sporenonderzoek.

Op 13 september 2011 treft politiespeurhond Diva op ongeveer vijf meter van de plaats delict een lege patroonhouder aan.19 De patroonhouder blijkt te behoren bij een pistool van het merk Makarov.20 De patroonhouder is onderdeel van een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3, gelet op artikel 2, eerste lid, categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie.21

De binnenzijde van voornoemde patroonhouder is bemonsterd. Van deze bemonstering is een DNA-mengprofiel verkregen van minimaal twee personen, waarvan tenminste één man. Het DNA-profiel van [medeverdachte 1] matcht met dat DNA-mengprofiel. De hypothese dat dit mengprofiel wordt verklaard door het mengsel van DNA van [medeverdachte 1] en een willekeurig persoon is meer dan 1 miljard maal waarschijnlijker dan dat het een mengsel van DNA betreft van twee willekeurig gekozen personen.22

Op de plaats delict zijn onder meer 10 hulzen aangetroffen bij en in de buurt van het lichaam van het slachtoffer23 en in de centrale hal van het appartementencomplex24. Het NFI heeft onderzoek verricht naar deze 10 hulzen en concludeert dat gezien de op de hulzen aanwezige bodemstempels en hun afmetingen de hulzen van het kaliber 9mm Browning Kort zijn. De conclusie ten aanzien van het onderzoek op de in de hulzen aangetroffen sporen is dat de waargenomen overeenkomsten tussen de sporen in de hulzen passen bij de hypothese dat deze met hetzelfde vuurwapen zijn verschoten. 25

Op 11 oktober 2012 is een vuurwapen met daarop bevestigd een demper in het water van [straatnaam] aangetroffen.26 Het pistool was doorgeladen. In de kamer zat een patroon en in de patroonhouder zaten twee patronen.27 Het betrof een pistool met het opschrift ‘CARL WALTHER SPEC AUSF’.28 Het pistool is waarschijnlijk een Makarov. Het pistool is een vuurwapen in de zin van artikel 1 sub 3, gelet op artikel 2, eerste lid, categorie III sub 1 van de Wet wapens en munitie.29

De eerder aangetroffen patroonhouder past in het vuurwapen. Met het vuurwapen met daarin de patroonhouder kunnen patronen van het kaliber 9mm Browning Kort worden verschoten.30

Uit nader onderzoek blijkt voorts dat het waarschijnlijk is dat drie op de plaats delict aangetroffen hulzen waarschijnlijk zijn verschoten met het in het water aangetroffen vuurwapen. Er is een kleine kans om deze mate van overeenkomst waar te nemen als de hulzen zijn verschoten met een ander vuurwapen dan het aangetroffen vuurwapen.31

De rechtbank concludeert uit het voorgaande dat het in het water aangetroffen vuurwapen het wapen is geweest waarmee het slachtoffer is beschoten en dat de op en rond de plaats delict aangetroffen hulzen met dat wapen zijn verschoten.

Nadere verloop van het onderzoek.

Naar aanleiding van het onderzoek zijn de verdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [medeverdachte 3], [verdachte], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] aangehouden. [medeverdachte 3] en [verdachte] hebben uitgebreide verklaringen afgelegd. [medeverdachte 5] heeft elke betrokkenheid bij de dood van het slachtoffer ontkend en zich verder beroepen op zijn zwijgrecht. [medeverdachte 1] heeft zich bij de politie beroepen op zijn zwijgrecht, maar heeft bij de rechter-commissaris op 16 maart 2013 een uitgebreide verklaring afgelegd. [medeverdachte 1] heeft, kort gezegd, verklaard dat hij het slachtoffer heeft neergeschoten op 13 september 2011 en vervolgens het wapen in het water achter het appartementencomplex aan [straatnaam] te Almere heeft gegooid.32

Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat (in voldoende mate) vaststaat dat [medeverdachte 1] met het in het water gevonden vuurwapen het slachtoffer heeft beschoten, ten gevolge waarvan het slachtoffer is overleden.

Het standpunt van de officier van justitie

Feit 1.

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte van het onder 1 primair ten laste gelegde (medeplegen van moord/doodslag) vrij te spreken. De officier van justitie acht de onder 1 subsidiair ten laste gelegde medeplichtigheid aan moord echter wel wettig en overtuigend bewezen en acht daartoe het volgende van belang.

Uit de verklaringen van [medeverdachte 1] in samenhang met het onderzoek van de forensische opsporing, de rapportages van het NFI en de resultaten van het tactisch onderzoek blijkt dat het slachtoffer opzettelijk door het hoofd is geschoten door [medeverdachte 1], ten gevolge waarvan het slachtoffer is overleden.

Uit de verklaringen van [verdachte] en [medeverdachte 3], de bevindingen van ‘[naam 1]’, de verklaringen van de getuigen [getuige 3] en [getuige 4] en de telefoongegevens van [medeverdachte 2] kan worden geconcludeerd dat [medeverdachte 1] samen met [medeverdachte 2] ter plaatse het slachtoffer heeft opgewacht, waarna het slachtoffer is doodgeschoten. De voor moord vereiste voorbedachte raad vloeit voort uit het meermalen posten vanuit het appartement van [medeverdachte 3] aan [straatnaam], het wisselen van diensten in de sportschool in Apeldoorn om te kunnen posten, de aanschaf van het wapen met een demper, de voorafgaande schietoefeningen met het wapen, het meenemen van een geladen wapen met demper en een extra patroonhouder op 12 september 2011, het wachten op het slachtoffer gedurende een aantal uren in avond van 12 op 13 september 2011, het in de hal van het appartementencomplex beschieten van het slachtoffer en het achtervolgen van het slachtoffer naar buiten en het vervolgens van korte afstand driemaal door het hoofd van het slachtoffer schieten.

De officier van justitie is van oordeel dat er in het geval van verdachte sprake is geweest van medeplichtigheid aan de moord op het slachtoffer.

Uit haar verklaringen blijkt immers dat [verdachte] wist dat [medeverdachte 1] het slachtoffer wilde vermoorden, dat [medeverdachte 1] meermalen heeft gepost en een vuurwapen tot zijn beschikking had. De medeplichtigheid van verdachte ziet op het ruilen van diensten op de sportschool in Apeldoorn zodat [medeverdachte 1] kon posten, het meegaan tijdens een schietoefening en het geen melding maken bij het slachtoffer dan wel de politie van het voornemen om het slachtoffer van het leven te beroven. Verdachte had een rechtsplicht om de politie te waarschuwen, temeer nu het slachtoffer haar voormalige werkgever was.

Een direct motief acht de officier niet aanwezig bij verdachte, maar de reden van haar medewerking wordt gezocht in haar relatie met en zorg om [medeverdachte 3].

Feit 2.

De officier van justitie acht het onder 2 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op het aantreffen van de wapens en munitie bij verdachte thuis en haar bekennende verklaring.

Het standpunt van de verdediging

Feit 1.

De raadsman heeft integrale vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde bepleit. Ten aanzien van het primair ten laste gelegde ontbreekt de voor medeplegen vereiste bewuste en nauwe samenwerking.

Ten aanzien van de medeplichtigheid is in de tenlastelegging onderscheid gemaakt tussen actieve medeplichtigheid (gedachtestreepjes 1 en 2) en passieve medeplichtigheid (gedachtestreepjes 3 en 4). Bij verdachte ontbrak het opzet op de eigen hulpverlening en op het misdrijf, te weten het doden van het slachtoffer. Het enkele aanwezig zijn, geruime tijd voorafgaand aan 13 september 2011, bij het testen van een ander wapen dan het moordwapen levert geen medeplichtigheid op. Bij het wisselen van diensten op de sportschool wist verdachte voorafgaand aan de dood van het slachtoffer niet van enig vooropgezet plan. Van passieve medeplichtigheid kan geen sprake zijn, aangezien verdachte geen bijzondere rechtsplicht had. Daarbij komt dat ook passieve medeplichtigheid vereist dat er wetenschap is van het voorgenomen plan om het slachtoffer te doden. Deze wetenschap ontbrak bij verdachte.

Feit 2.

De raadsman heeft zich voor wat een bewezenverklaring van dit feit betreft gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

Feit 1.

De rechtbank is, evenals de officier van justitie en de raadsman van verdachte, van oordeel dat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is voor het onder 1 primair tenlastegelegde. De rechtbank zal verdachte dan ook van vrijspreken van het medeplegen van moord/doodslag.

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of er voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 subsidiair tenlastegelegde, te weten de medeplichtigheid aan het medeplegen van moord c.q. doodslag. Voor een bewezenverklaring van medeplichtigheid aan een misdrijf, dient het opzet op het misdrijf tweeledig te zijn: het opzet moet enerzijds gericht zijn op het misdrijf dat wordt ondersteund en anderzijds op die ondersteuning zelf.

De rechtbank merkt allereerst op dat de periode 01 januari 2012 tot en met 01 13 september 2012 in de tenlastelegging als een kennelijke schrijffout moet worden aangemerkt en zal hiervoor in de plaats 1 januari 2011 tot en met 13 september 2011 lezen. Het hele dossier betreft immers de dood van het slachtoffer op 13 september 2011 en het onderzoek naar de mogelijke betrokkenheid van personen, onder wie verdachte, daarbij in de periode voorafgaand aan die dood. Daarmee is de periode 01 januari 2012 tot en met 01 13 september 2012 ook voor de verdachte, die over de dood en de periode daaraan voorafgaande herhaaldelijk is gehoord, een evidente, onmiddellijk als zodanig herkenbare, onjuistheid in de formulering.

Verdachte heeft meerdere verklaringen afgelegd tegenover de politie. Voorts heeft zij ‘[naam 1]’, die in het kader van het onderzoek is ingezet om stelselmatig informatie in te winnen als bedoeld in artikel 126j van het Wetboek van Strafvordering, in vertrouwen genomen en hem bepaalde zaken verteld met betrekking tot de dood van het slachtoffer. De verklaringen die verdachte tegenover de politie heeft afgelegd, alsmede hetgeen zij ‘[naam 1]’ heeft verteld, komen op belangrijke punten met elkaar overeen. Uit de verklaring van verdachte tegenover de politie volgt dat zij angst heeft voor [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en ook [medeverdachte 3]. Ondanks haar angst heeft zij een verklaring afgelegd die, in meer of mindere mate, als belastend kan worden gezien voor voornoemde personen. Uit haar verklaring volgt voorts dat zij beschikt over daderwetenschap. Zij heeft van [medeverdachte 1] gehoord dat hij het slachtoffer heeft beschoten, dat [medeverdachte 2] met [medeverdachte 1] in het appartement van [medeverdachte 3] heeft gepost, dat het wapen een demper had en dat er een magazijn is achtergebleven. Ook heeft zij verklaard hoe het schieten op het slachtoffer door [medeverdachte 1] is verlopen.

Verdachte heeft het voorgaande van [medeverdachte 1] gehoord kort nadat [medeverdachte 1] het slachtoffer heeft gedood. De rechtbank constateert dat zij derhalve achteraf heeft gehoord hoe een en ander is verlopen met betrekking tot de dood van het slachtoffer. Echter, voor een bewezenverklaring van de medeplichtigheid aan dat misdrijf dient vast te komen staan dat [verdachte] wetenschap had van het voornemen om het slachtoffer te doden en dat zij opzettelijk behulpzaam is geweest bij dat misdrijf.

Uit diverse verklaringen, waaronder de verklaring van verdachte zelf, volgt dat zij op enig moment met [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] mee is gegaan naar een bos in Apeldoorn, waarbij er door [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] vuurwapens zijn getest. De rechtbank overweegt dat niet kan worden vastgesteld dat deze ‘schietoefeningen’, zoals het schieten in het bos in het dossier en in de tenlastelegging wordt omschreven, in het kader van de voorbereiding op het doden van het slachtoffer zijn geschied, nu niet is komen vast te staan dat het door [medeverdachte 1] gebruikte wapen toen is getest en het zeer goed mogelijk is geweest dat het testen van die wapens in een ander licht moet worden gezien, namelijk de aanschaf van wapens ter zelfbescherming. [medeverdachte 3] heeft immers verklaard dat hij tijdens deze ‘schietoefeningen’ de door hem ter zelfverdediging gekochte wapens heeft getest. Dat die wapens waren aangeschaft ter zelfbescherming, kan door [verdachte] op dat moment zeer wel zijn aangenomen, aangezien zij als medewerkster – en vriendin – van [medeverdachte 3] op de hoogte was van de voorgeschiedenis met betrekking tot het slachtoffer.

Verdachte heeft verklaard niet te hebben gehoord wat er vooraf aan de moord op het slachtoffer is besproken. Daar stond zij buiten. Dat er werd gepost op het slachtoffer, heeft zij pas achteraf gehoord. Verdachte heeft verklaard diensten te hebben geruild, maar niet is komen vast te staan dat zij op het moment dat zij die diensten ruilde, wist dat zij hierdoor [medeverdachte 1] in de gelegenheid stelde om te gaan posten.

De rechtbank overweegt dat ook uit de overige verklaringen die het dossier bevat, niet kan worden afgeleid dat verdachte wetenschap had van de plannen om het slachtoffer om het leven te brengen, laat staan dat zij daarbij opzettelijk behulpzaam is geweest dan wel dat zij opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat misdrijf heeft verschaft. Uit de bevindingen van ‘[naam 1]’ (pagina 1634 van het dossier) lijkt wel te volgen dat verdachte voorafgaande aan de dood van het slachtoffer wetenschap heeft gehad van de plannen. ‘[naam 1]’ heeft op voornoemde pagina immers gerelateerd dat verdachte op de vraag hoe zij wist dat [medeverdachte 1] het slachtoffer dood had geschoten, geantwoord ‘dat ze dat toentertijd, toen het allemaal speelde met betrekking tot het posten en de schietoefeningen, van zowel [medeverdachte 1] als [medeverdachte 3] had gehoord, want hier werd ’s avond in de sportschool vaak over gesproken’. Naar het oordeel van de rechtbank kan het voorgaande echter, indachtig de verklaring van verdachte tegenover de politie, alsmede de overige verklaringen in het dossier, zeer wel worden uitgelegd als wetenschap die verdachte na de dood van het slachtoffer heeft verkregen.

Nu uit het dossier niet blijkt van wetenschap van verdachte bij enig voornemen om het slachtoffer van het leven te beroven, kan er naar het oordeel van de rechtbank ook geen zorgplicht bestaan op grond waarvan verdachte het slachtoffer of de politie had moeten waarschuwen. Zonder die wetenschap kan voorts geen verplichting bestaan om in te grijpen dan wel in te laten grijpen ter voorkoming van de uitvoering van enig voornemen om het slachtoffer van het leven te beroven.

Gelet op het hiervoor overwogene is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden om te komen tot een bewezenverklaring ter zake van medeplichtigheid aan medeplegen van moord dan wel doodslag, nu geen wettig bewijs voorhanden is voor de onder de ten laste gelegde gedachtestreepjes beschreven handelingen die zouden zien op die medeplichtigheid. De rechtbank zal verdachte dan ook van het subsidiair ten laste gelegde vrijspreken.

Feit 2.

Op 1 juli 2012 is de woning van verdachte aan [adres 1] te[woonplaats] doorzocht. Bij deze doorzoeking zijn onder meer wapens (SIN AAEP4094NL en SIN AAEP4095NL) en munitie in beslag genomen.33

Uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt dat het in beslag genomen wapen met SIN AAEP4094NL een pistool betreft van een onbekend merk, model M57, kaliber 7,62mm Tokarev. Dit pistool is een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3, gelet op artikel 2, eerste lid, categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie.34

Uit voornoemd proces-verbaal blijkt voorts dat het in beslag genomen wapen met SIN AAEP4095NL een pistool betreft van het merk Glock, model 19, kaliber 9x19. Dit pistool is eveneens een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3, gelet op artikel 2, eerste lid, categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie.35

De rechtbank constateert dat ten gevolge van een kennelijke vergissing in de tenlastelegging onder 2 in de derde regel "wapen" in plaats van "vuurwapen" staat. De rechtbank herstelt deze vergissing door het laatste te lezen voor het eerste. Blijkens het onderzoek ter terechtzitting wordt de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

Uit zowel de verklaringen van verdachte36 als van [medeverdachte 3]37 blijkt dat zij het ten laste gelegde feit bekennen. Na de doorzoeking van de sportschool [naam 2] te Apeldoorn d.d. 6 maart 201238 hebben verdachte en [medeverdachte 3] samen voornoemde vuurwapens vanuit de sportschool naar de woning van verdachte gebracht.

De rechtbank acht het onder 2 ten laste gelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat:

2.

zij in de periode van 1 maart 2012 tot en met 1 juli 2012 te Apeldoorn, tezamen en in vereniging met een ander, vuurwapens van categorie III, te weten

- een pistool (merk onbekend, model M57) en

- een pistool (merk Glock, model 19)

van categorie III sub 1 voorhanden heeft gehad.

Van het onder 2 meer of anders ten laste gelegde zal verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

6 KWALIFICATIE

Het bewezene levert op:

Feit 2.

Medeplegen van het handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd.

7 STRAFBAARHEID

Het onder 2 bewezen verklaarde feit en verdachte zijn strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

8 STRAFOPLEGGING

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie neemt een gevangenisstraf tussen de 15 en 20 jaar als uitgangspunt voor de bepaling van de hoogte van de straf voor een bewezenverklaring van moord, gelet op recente jurisprudentie. In het algemeen wordt nabestaanden groot leed toegebracht en de rechtsorde ernstig geschokt. Gelet op artikel 49 van het Wetboek van Strafrecht dient bij de bepaling van de strafmaat alleen rekening gehouden te worden met de handelingen die de medeplichtige opzettelijk heeft gemaakt of bevorderd. Verdachte heeft openheid van zaken gegeven. Daarbij komt dat het bezit van de wapens volgens de richtlijnen reeds een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden rechtvaardigt.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit om geen gevangenisstraf op te leggen, gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, haar proceshouding en de daaruit voortvloeiende bedreigingen van verdachte. De raadsman heeft bepleit een werkstraf voor de duur van 180 uren op te leggen met aftrek van het reeds door verdachte ondergane voorarrest.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

Verdachte heeft in vereniging met een ander twee vuurwapens voorhanden gehad. Het onbevoegd voorhanden hebben van vuurwapens is maatschappelijk onaanvaardbaar vanwege de grote dreiging die daarvan uitgaat voor anderen. Dergelijke wapens worden gebruikt voor allerlei criminele activiteiten. Bovendien verdwijnen deze wapens in het zwarte circuit, waardoor controle van overheidswege volstrekt onmogelijk wordt.

De rechtbank constateert dat het Landelijk Overleg van Voorzitters Strafsectoren (verder te noemen: LOVS) oriëntatiepunten heeft opgesteld voor overtredingen van de Wet wapens en munitie. Het LOVS heeft als oriëntatiepunt voor straftoemeting ten aanzien van het voorhanden hebben van een pistool van categorie III een gevangenisstraf voor de duur van

3 maanden vastgesteld. De rechtbank overweegt daarnaast dat verdachte twee vuurwapens van categorie III gedurende een periode van bijna vier maanden voorhanden heeft gehad, hetgeen leidt tot een hogere straf.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 22 oktober 2013, waaruit blijkt dat verdachte nimmer is veroordeeld wegens overtreding van de Wet wapens en munitie.

De rechtbank is in dit geval van oordeel dat een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf noodzakelijk is, omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden. Gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals deze blijken uit het haar betreffende reclasseringsadvies d.d. 20 december 2012, opgesteld door P. Schoolen, reclasseringswerker van Reclassering Nederland, en de omstandigheden waaronder het feit is begaan is de rechtbank van oordeel dat kan worden volstaan met de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf overeenkomstig het reeds door verdachte ondergane voorarrest. Daarnaast acht de rechtbank de oplegging van een werkstraf voor de duur van 180 uur passend en geboden.

9 DE BENADEELDE PARTIJ

Voor aanvang van de terechtzitting hebben respectievelijk[benadeelde 1] (de vrouw van het slachtoffer) en [benadeelde 2] (de broer van het slachtoffer) – beiden daartoe vertegenwoordigd door mrs. D. Moszkowicz en E. Julius – zich als benadeelde partij in dit geding gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van schade ten gevolge van het aan verdachte onder 1 ten laste gelegde feit. De hoogte van die schade wordt door de benadeelde partijen begroot op een bedrag van respectievelijk € 2.269.995,50 ([benadeelde 1]) en € 11.200,00 ([benadeelde 2]).

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bepleit de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] toe te wijzen tot een bedrag van € 5.000,00 (begrafeniskosten en kosten voor rechtsbijstand) en de benadeelde in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren.

De officier van justitie heeft bepleit de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] toe te wijzen tot een bedrag van € 400,00 (reiskosten in verband met de begrafenis) en de benadeelde in zijn vordering voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren.

In geval van toewijzing van een deel van de vorderingen van de benadeelde partijen heeft de officier van justitie gevorderd tot toepassing van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht en de hoofdelijke aansprakelijkheidsstelling van de verdachten.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit de benadeelde partijen in hun vordering niet-ontvankelijk te verklaren, wegens de reeds bepleite vrijspraak van het onder 1 (primair en subsidiair) tenlastegelegde.

Het oordeel van de rechtbank

Reeds op grond van het feit dat de verdachte van het haar onder 1 primair en subsidiair ten laste zal worden vrijgesproken dienen de benadeelde partijen [benadeelde 1] en

[benadeelde 2] in hun vorderingen niet-ontvankelijk te worden verklaard.

10 TOEPASSELIJKHEID WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 10, 22c, 22d, 27, 47, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart niet bewezen hetgeen onder 1 primair en 1 subsidiair aan verdachte is ten laste gelegd en spreekt haar daarvan vrij;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 2 ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat onder 2 meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart het onder 2 bewezen verklaarde feit strafbaar en kwalificeert dat zodanig als hierboven onder 6 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 dagen;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- legt voorts aan verdachte op een werkstraf voor de duur van 180 uren;

- beveelt dat voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet of niet naar behoren verricht de werkstraf wordt vervangen door 90 dagen hechtenis, althans een aantal dagen hechtenis dat evenredig is aan het niet verrichte aantal uren werkstraf;

Benadeelde partijen

[benadeelde 1]

- bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde 1] in haar vordering niet-ontvankelijk is en dat zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

[benadeelde 2]

- bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde 2] in zijn vordering niet-ontvankelijk is en dat hij zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.A.C. Koster, voorzitter, mr. Z.J. Oosting en

mr. L.G. Wijma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.J. Laanstra en mr. R.G. Dees, griffiers, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 december 2013.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier behorende bij het onderzoek TGO 32, bestaande uit 11 mappen doorgenummerd 1 tot en met 4460, het FO dossier, bestaande uit 4 mappen doorgenummerd 1 tot en met 1053, een aantal doorgenummerde losse dossierpagina’s en dvd’s met beeld- en geluidsopnames.

2 Pagina 984, alinea 3.

3 Pagina 921, derde alinea van onder, pagina 989, alinea 5 en pagina 4 (FO dossier).

4 Pagina 984, laatste twee alinea’s.

5 Pagina 987, laatste alinea.

6 Pagina 985.

7 Pagina 988, alinea 4.

8 Pagina 997.

9 Pagina 305 (FO dossier).

10 Pagina 304, regels 12 en 13 (FO dossier).

11 Pagina 298 (FO dossier).

12 Pagina’s 288 en 289 (FO dossier).

13 Pagina 295, laatste alinea (FO dossier).

14 Pagina 304, regels 13 tot en met 15 (FO dossier).

15 Pagina 304, regels 18 tot en met 20 (FO dossier).

16 Pagina’s 1281 en 1284

17 Pagina 1364.

18 Pagina 1024.

19 Pagina 106 (FO dossier) en pagina 926, alinea 7 (FO dossier).

20 Pagina 926, voorlaatste alinea (FO dossier).

21 Pagina 927, alinea 2 (FO dossier).

22 Pagina 868 (FO dossier).

23 Pagina 83 e.v. (FO dossier).

24 Pagina 175 e.v. (FO dossier).

25 Pagina 444 e.v. (FO dossier).

26 Pagina 4730.

27 Pagina 4737, eerste alinea.

28 Pagina 4803C, laatste alinea.

29 Pagina 4803D.

30 Pagina 4803H.

31 Pagina’s 4777 en 4779.

32 Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 1], op 16 maart 2013 opgemaakt en ondertekend door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, blad 5.

33 Pagina 937 en 938 (FO dossier).

34 Pagina 956 (FO dossier).

35 Pagina 957 (FO dossier).

36 Pagina’s 575, 598, 619 en 620.

37 Pagina’s 699, 702 en het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 3], op 26 februari 2013 opgemaakt en ondertekend door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, blad 6.

38 Pagina 3135 e.v.