Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:7276

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
30-12-2013
Datum publicatie
14-01-2014
Zaaknummer
C-16-335177 - HA ZA 13-35
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Maatschap, verdeling. Verzwijging artikel 3:194 lid 2 BW (4.7-16).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/335177 / HA ZA 13-35

Vonnis van 30 december 2013

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. K. Both te Utrecht,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. F. van der Brug te De Bilt.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 20 maart 2013

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 25 juni 2013.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] en [gedaagde] hebben samengewerkt in een architectenbureau.

3 Het geschil

3.1.

In conventie vordert [eiser], wat onderdeel 6 betreft voorwaardelijk (na voorwaardelijke eisvermeerdering), samengevat:

  1. voor zover tussen partijen nog een maatschap bestaat: deze te ontbinden;

  2. [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan [eiser] van € 136.876,76, vermeerderd met € 5.264,49 per maand vanaf januari 2013, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het opeisbaar worden van elke maandelijkse huurtermijn van € 5.264,49 vanaf 1 november 2010 door Kindercentrum [kinderdagverblijf] aan [gedaagde], en verklaring voor recht dat [gedaagde] dit een en ander aan [eiser] heeft verbeurd;

  3. de saldi op bankrekeningen [bankrekening] [bankrekening] en [bankrekening] aan [eiser] toe te delen, althans tussen [eiser] en [gedaagde] te verdelen, met nevenvorderingen;

  4. de openbare verkoop, althans wijze van verkoop, althans verdeling te gelasten van de onroerende zaken [adres] en [adres] te [woonplaats], met benoeming van een notaris;

  5. met het oog op (reële) executie van het sub 1-4 gevorderde: benoeming van een onzijdig persoon als bedoeld in artikel 3:181 BW, machtigingen aan [eiser] en bepaling dat het vonnis in de plaats treedt van vereiste wilsverklaring van [gedaagde];

  6. een vordering van de maatschap op [gedaagde], zoals blijkend uit (de rechtbank leest:) productie 24 van [eiser], te betrekken in de verdeling;

alles bij vonnis dat uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard en met veroordeling van [gedaagde] in de kosten.

3.2.

[gedaagde] voert tegen deze vorderingen verweer. In reconventie vordert hij, samengevat:

  1. verklaring voor recht dat de maatschap per 31 december 2012 is beëindigd, althans ontbinding van deze maatschap;

  2. vaststelling van de omvang en samenstelling van het vermogen van de maatschap, deels tevens door verklaring voor recht, als volgt:

  1. schuld van € 22.023,02 aan [gedaagde] ter zake van door deze verrichte werkzaamheden;

  2. vordering van € 10.412,91 op [eiser] ter zake van op kosten van de maatschap voor privégebruik aangeschafte zaken;

  3. de onroerende zaak [adres] te [woonplaats];

  4. e onroerende zaak [adres] te [woonplaats];

  5. de rechten en verplichtingen voortvloeiend uit de huurovereenkomst met betrekking tot [adres] met kinderdagverblijf [kinderdagverblijf];

  6. de saldi op bankrekeningen [bankrekening] [bankrekening] en [bankrekening];

  7. schuld van € 350.000,00 aan [gedaagde] ter zake van huurderving [adres];

  8. schuld aan [gedaagde] van € 26.226,81 ter zake van beheer [adres];

  9. schuld aan [gedaagde] van € 6.147,25 ter zake van uitgaven ten behoeve van [adres];

  10. schuld aan [eiser] van € 60.893,98 voor diens aandeel in de netto huuropbrengst tot 31 december 2012 van [adres];

  11. vordering op [eiser] van € 76.235,00 ter zake van huur voor [adres], althans tot opgave en afdracht door [eiser], van door deze van derden ontvangen huur voor [adres];

  12. vordering op [eiser] van € 8.744,11 ter zake van gemaakte kosten voor [adres];

  13. schuld aan [gedaagde] van € 8.744,11 ter zake van voorgeschoten kosten voor [adres];

  14. schuld aan [gedaagde] van € 3.964,45 ter zake van voorgeschoten maatschapskosten;

  15. de kunstcollectie als omschreven in productie 21 van [gedaagde];

  16. twee oldtimers, en een schuld aan [gedaagde] van € 7.581,86 ter zake van kosten van stalling;

  17. inventaris, zoals vermeld op productie 5 van [gedaagde];

  18. schuld aan [gedaagde] ter zake van de door [eiser] opgebouwd pensioen;

  19. schuld aan [gedaagde] van € 29.943,28 voor opslag in het pand [naam];

3. bevel aan [eiser] om een beschrijving in het geding te brengen van de bij hem in bezit zijnde stukken van de kunstcollectie (hiervoor, 2. sub o);

4. vaststelling van verdeling en wijze van verdeling van de hiervoor sub 2. genoemde vermogensbestanddelen;

5. benoeming van een deskundige die een balans en resultatenrekening van de maatschap opstelt per ultimo 2012 en, na effectuering van de verdeling, een liquidatiebalans; verklaring voor recht dat [eiser] en [gedaagde] ieder tot de helft van het liquidatiesaldo gerechtigd zijn;

6. machtiging van de hiervoor sub 5. bedoelde deskundige tot vereffening van het maatschapsvermogen, en bepaling dat de uitspraak dezelfde kracht heeft als verklaringen van [eiser] en/of [gedaagde], voor zover nodig voor de uitvoering van het vonnis en/of vereffening van het vermogen van de maatschap;

alles bij vonnis dat uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard en met veroordeling van [eiser] in de kosten.

3.3.

[eiser] voert tegen deze vorderingen verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

verweer in reconventie: artikelen 21 Rv, 22 Rv, 162 Rv, 3:315j BW, 3:173 BW

4.1.

[eiser] stelt dat [gedaagde] artikel 21 Rv heeft geschonden door vage, onware, zelfs vervalste, en niet-onderbouwde stukken in het geding te brengen, waar [gedaagde] eerder had verklaard niet over stukken te beschikken. Op deze grond concludeert hij tot toewijzing van zijn vorderingen in conventie, en afwijzing van die in reconventie.

4.2.

Deze stellingname van [eiser] kan in zijn algemeenheid niet tot de door hem gepropageerde ongeclausuleerde rechtsgevolgen leiden. Het debat tussen partijen over de echtheid van de door [gedaagde] in het geding gebrachte schriftelijke maatschapsovereenkomst behoeft niet te worden beoordeeld, nu [gedaagde] op dit stuk geen vorderingen of verweren baseert (volgens ook diens verklaring ter comparitie sub 4). Dat [gedaagde] overigens vervalste stukken in het geding heeft gebracht, heeft [eiser] niet onderbouwd. Dat [gedaagde] op onderdelen zijn vorderingen met minder bewijsstukken heeft onderbouwd dan wellicht mogelijk zou zijn geweest (of nog mogelijk is), leidt niet tot integrale afwijzing van alle vorderingen in reconventie. In relatie tot individuele posten kan het mogelijk – in geval van een voldoende betwisting van de zijde van [eiser] – leiden tot afwijzing van de betreffende post, of opdracht aan [gedaagde] om de betreffende post nader te onderbouwen.

4.3.

[eiser] stelt dat [gedaagde] stukken in het geding moet brengen en rekening en verantwoording dient af te leggen, en dat omdat, dan wel zolang dat niet is gebeurd, de vorderingen in reconventie niet kunnen worden toegewezen. [eiser] stelt tevens dat tussen partijen geen beheersregelingen zijn getroffen, welke stellingname impliceert dat partijen over alle onderdelen van het maatschapsvermogen gemeenschappelijk beheer voeren. Tegen de achtergrond van die stellingname is een beroep op artikel 3:173 BW niet goed te begrijpen. Voor zover [eiser] heeft beoogd te stellen dat het bewaren van de administratie (als beheerstaak) aan [gedaagde] was opgedragen, heeft hij deze stelling onvoldoende onderbouwd. [eiser] stelt nog dat [gedaagde] onderdelen van de administratie heeft weggehaald uit [adres] en dat [gedaagde] deze weer aan [eiser] ter beschikking of inzage dient te geven. Dat [gedaagde] administratie heeft weggehaald heeft [eiser] evenwel onvoldoende onderbouwd, tegenover de gemotiveerde betwisting van [gedaagde], en [eiser] heeft ook niet specifiek ter zake dienend bewijs aangeboden.

4.4.

[eiser] heeft verder niet toegespitst aan welke specifieke stukken hij eventueel behoefte heeft voor het voeren van verweer tegen de vorderingen in reconventie. De stellingen van [eiser] op dit onderdeel zijn vooralsnog aldus onvoldoende specifiek om zonder meer tot integrale afwijzing van de vorderingen in reconventie te leiden. In het navolgende zal de rechtbank per post in reconventie beoordelen, in het licht van het partijdebat, of partijen nog stukken in het geding moeten brengen.

vorderingen sub 1 in conventie en reconventie: maatschap

4.5.

[eiser] betwist niet dat tussen partijen een maatschap heeft bestaan. [gedaagde] heeft onvoldoende onderbouwd – tegenover de betwisting van [eiser], die er kennelijk toe strekt dat de maatschap stilzwijgend is beëindigd – dat deze maatschap na 31 december 2000 nog bestond. [gedaagde] stelt zelf ook dat hij in 2000 diverse instanties heeft bericht dat hij zijn werkzaamheden voor de maatschap (per eind 2000: definitief) staakte, terwijl de samenwerking tussen partijen in dat jaar ook daadwerkelijk was beëindigd. Dat [eiser] in 2000 en 2002 heeft geweigerd om een stakingsovereenkomst te tekenen, zoals [gedaagde] stelt, doet aan dit oordeel niet noodzakelijk af, nu de door [gedaagde] overgelegde – volgens hem ter ondertekening aan [eiser] voorgelegde – stakingsovereenkomsten meer inhielden dan enkele beëindiging van de maatschap, en dus de weigering van [eiser] om deze te tekenen niet noodzakelijk impliceerde dat hij de maatschap niet wilde beëindigen of nog niet als beëindigd beschouwde. [eiser] heeft op zijn beurt onvoldoende onderbouwd dat de maatschap reeds vóór 31 december 2000 (stilzwijgend) was beëindigd. Vooralsnog gaat de rechtbank aldus uit van beëindiging van de maatschap per die datum. In lijn hiermee ligt afwijzing van de vorderingen sub 1 in conventie en reconventie.

Vordering sub 2 in reconventie: verklaring voor recht

4.6.

Voor zover [gedaagde] verklaring voor recht vordert dat bepaalde vermogensbestanddelen tot het maatschapsvermogen behoren geldt dat hij niet heeft onderbouwd welk belang hij daarbij heeft, gegeven dat hij tevens verdeling hiervan vordert. Naar het voorlopig oordeel van de rechtbank dient deze vordering daarom, in zoverre, te worden afgewezen.

vordering sub 2 in conventie en vordering sub 2 e./j. in reconventie: huurovereenkomst kinderdagverblijf [kinderdagverblijf] ([adres])

4.7.

[gedaagde] heeft zonder toestemming van of mededeling aan [eiser] vanaf 1 november 2010 [adres] verhuurd aan kinderdagverblijf [kinderdagverblijf]. Hij is de huurovereenkomst op eigen naam aangegaan, en heeft de huur laten betalen op een op zijn eigen naam gestelde bankrekening. In mei 2012 is [eiser] erachter gekomen dat het pand werd verhuurd.

4.8.

Volgens [eiser] heeft [gedaagde] de verhuur en daarmee ook de hiermee gegenereerde opbrengst verzwegen in de zin van artikel 3:194 lid 2 BW doordat [gedaagde] [eiser] niet om toestemming tot het aangaan van de huurovereenkomst had gevraagd en hem daarvan evenmin mededeling had gedaan, de huurovereenkomst op eigen naam was aangegaan, de huur had doen betalen op een op zijn eigen naam staande bankrekening, en nadat [eiser] op de hoogte was geraakt van de verhuur, daarover in eerste instantie geen vragen van [eiser] heeft beantwoord.

4.9.

[gedaagde] erkent de aanspraak van [eiser] voor zover het 50% van de huuropbrengst betreft, na aftrek van de door [gedaagde] ten behoeve van de verhuur gemaakte kosten (vordering in reconventie sub 2 j.: 50% van de netto-opbrengst tot ultimo 2012 bedraagt volgens [gedaagde] € 60.893,98). Tegen de (meer)aanspraak van [eiser] op voet van artikel 3:194 lid 2 BW verweert [gedaagde] zich op de volgende gronden:

  • -

    artikel 3:194 lid 2 BW is pas aan de orde op het moment dat een boedelbeschrijving dient te worden opgemaakt of anderszins verdeling aan de orde is; dit was nog niet het geval vóór het moment waarop [gedaagde] [eiser] alle gevraagde inlichtingen over de verhuur had verschaft;

  • -

    [gedaagde] heeft de verhuur niet verzwegen of kunnen verzwijgen, nu de verhuur in de publieke ruimte aanstonds zichtbaar was door een groot naambord van kinderdagverblijf [kinderdagverblijf] op de gevel van [adres], en kenbaar was uit bijvoorbeeld krantenberichten over de opening; [eiser] was voor hem bovendien onvindbaar;

  • -

    [gedaagde] had aan kinderdagverblijf [kinderdagverblijf] gemeld dat er een "stille" vennoot was (waarmee hij [eiser] bedoelde);

  • -

    [gedaagde] en [eiser] waren overeengekomen dat [gedaagde] exclusief het beheer voerde;

  • -

    [gedaagde] heeft de huur op eigen rekening laten betalen omdat de maatschapsrekening al sinds 2003 was geblokkeerd en van hem niet kon worden verlangd de huur hierop te doen betalen (zonder dat daaruit dan, bijvoorbeeld, de kosten konden worden voldaan);

  • -

    [eiser] heeft wat hij [gedaagde] nu verwijt met betrekking tot [adres], zelf gedaan met betrekking tot [adres]: hij heeft dit pand zonder mededeling aan [gedaagde] in 2005 of eerder verlaten, en het nadien ten minste tweemaal aan een derde verhuurd of in gebruik gegeven, ook zonder daarvan mededeling te doen aan [gedaagde];

  • -

    Ook nadat [eiser] de verhuur in mei 2012 (naar eigen zeggen) had ontdekt, heeft [gedaagde] deze niet verzwegen (of kunnen verzwijgen), hij heeft alleen niet aanstonds op alle vragen van [eiser] antwoord gegeven.

4.10.

Naar het voorlopig oordeel van de rechtbank laat (de sanctie van) artikel 3:194 lid 2 BW zich niet noodzakelijk slechts toepassen indien een deelgenoot een tot de gemeenschap behorend goed verzwijgt op het moment dat een boedelbeschrijving wordt of dient te worden opgemaakt of in andere zin met het oog op verdeling rekening en verantwoording wordt of dient te worden afgelegd; eventueel laat (al dan niet: analoge) toepassing zich ook denken indien een deelgenoot tussentijds rekening en verantwoording aflegt of dient af te leggen, indien de verzwijging in dat geval plaatsvindt met het oog op (verzwijging ook bij) verdeling in de toekomst.

4.11.

[eiser] stelt niet dat [gedaagde] de huuropbrengsten heeft verzwegen in het kader van het opmaken van een boedelbeschrijving of anderszins het afleggen van rekening en verantwoording door [gedaagde] met het oog op verdeling, of gedurende het bestaan van een verplichting daartoe. [eiser] stelt slechts dat beide partijen te kennen hebben gegeven dat verdeling moet plaatsvinden, maar zonder nadere aanduiding, die ontbreekt, is deze stellingname te vaag om een situatie als hier bedoeld te kunnen aannemen.

4.12.

[eiser] stelt evenmin dat de verzwijging heeft plaatsgevonden in het kader van het afleggen van tussentijdse rekening en verantwoording door [gedaagde], althans voor zover het de periode vóór mei 2012 betreft. Het is [eiser] er kennelijk om te doen dat [gedaagde] in deze periode niet spontaan melding heeft gemaakt van de huurovereenkomst, en daarbij het oogmerk had om deze voor [eiser] geheim te (blijven) houden, daargelaten nog dat hij [eiser] om toestemming had moeten vragen.

4.13.

Bij haar beoordeling gaat de rechtbank uit van haar voorlopige oordeel (hiervoor, 4.5) dat de maatschap eind 2010 reeds (lang) beëindigd was en partijen dus slechts nog deelgenoot waren in het ontbonden maatschapsvermogen. Uitgangspunt van artikel 3:173 BW is dat een beherend deelgenoot jaarlijks en aan het einde van het beheer desgevorderd – en dus niet zonder meer spontaan – rekening en verantwoording dient af te leggen aan de niet-beherende deelgenoten. Indien zou worden aangenomen dat [gedaagde] in de zin van artikel 3:173 j° 168 lid 1 BW – dat wil zeggen: bevoegdelijk – het beheer voerde over [adres], kan naar het voorlopig oordeel van de rechtbank aldus niet worden gezegd dat hij verplicht was tot het spontaan afleggen van rekening en verantwoording aan [eiser], en dus evenmin dat hij daarin is tekortgeschoten, laat staan dat hij wegens tekortschieten op dit punt op voet van artikel 3:194 lid 2 BW zijn aandeel in de huuropbrengsten heeft verbeurd. Hieraan doet niet af dat [gedaagde] de huur niet op de – geblokkeerde – maatschapsrekening liet storten; het beheer, indien wordt aangenomen dat dat bij [gedaagde] lag, verplichtte daartoe niet. Verder voert [gedaagde] terecht aan dat de verhuur bezwaarlijk verborgen kon worden gehouden, gelet op onder meer de vermelding van de huurder op de gevel van het pand. Ook na afloop van de huur zou, naar het voorlopig oordeel van de rechtbank, voor [eiser] vrij eenvoudig te ontdekken zijn geweest dat deze er was geweest (als [eiser] er niet eerder bekend mee zou zijn geworden). Al met al heeft [eiser] onvoldoende aangevoerd om aannemelijk te maken dat [gedaagde] met zijn handelwijze het oogmerk heeft gehad om ook wanneer het op verdeling of eventueel het desgevraagd tussentijds afleggen van rekening en verantwoording zou aankomen, de verhuur te verzwijgen.

4.14.

In het onderhavige geval betwist [eiser] echter dat [gedaagde] met uitsluiting van [eiser] het beheer mocht voeren over [adres]. [gedaagde] beroept zich voor dat geval op zaakwaarneming. Daarvoor is echter het uitgangspunt dat rekening en verantwoording spontaan dienen te worden afgelegd (artikel 6:199 lid 2 BW). Aangenomen kan worden dat hetzelfde geldt – a fortiori – bij onbevoegd beheer/onbevoegde vertegenwoordiging. Naar het voorlopig oordeel van de rechtbank kan echter verzaking van deze verplichting – aangenomen dat [gedaagde] niet tot beheer bevoegd was – in het onderhavige geval niet tot toepassing van artikel 3:194 lid 2 BW leiden, ook niet naar analogie. Hiervoor is wederom redengevend dat [eiser] onvoldoende heeft aangevoerd om aannemelijk te maken dat [gedaagde] met zijn handelwijze het oogmerk heeft gehad om ook wanneer het op verdeling of eventueel het daadwerkelijk tussentijds afleggen van rekening en verantwoording zou aankomen, de verhuur te verzwijgen. Hierbij komt nog dat [eiser] zelf, zoals [gedaagde] terecht stelt, zijn eigen verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording met betrekking tot [adres] – waarover [eiser] niet stelt dat hij daarover in de zin van artikel 3:173 j° 168 lid 1 BW het beheer voerde – gedurende zeer lange tijd niet heeft nageleefd. Dat het beheer van [adres] door [eiser], in tegenstelling tot dat van [adres] door [gedaagde], naar opgave van [eiser] geen netto-opbrengst heeft gerealiseerd (alleen uitsparing van kosten), kleurt de zaak wel enigszins ten gunste van [eiser], maar niet in beslissende mate.

4.15.

Wat betreft de periode na mei 2012 geldt het volgende. Op 28 mei 2012 heeft [eiser] een brief gestuurd aan [gedaagde], waarin hij om opheldering met betrekking tot de verhuur vroeg, en voorstelde tot algehele verdeling te komen. [gedaagde] heeft hierop gereageerd bij brief van 11 juni 2012, met de stelling ook tot verdeling te willen overgaan, met het verzoek om een voorstel, zonder in te gaan op de verhuur. In reactie op een nadere sommatie van [eiser] heeft [gedaagde] vervolgens in relatie tot de verhuur geschreven dat zijn vordering op [eiser] en/of de maatschap zijn (afdracht)verplichtingen naar zijn verwachting zou overstijgen, en dat hij doende was dit allemaal – met bijstand van zijn advocaat – uit te zoeken.

4.16.

Naar het voorlopig oordeel van de rechtbank kan deze handelwijze van [gedaagde], die ontegenzeggelijk een weigering inhield om tussentijds rekening en verantwoording af te leggen met betrekking tot de verhuur, niet worden aangemerkt als verzwijging in de zin van artikel 3:194 lid 2 BW. Hiervoor is redengevend dat nadat [eiser] het gebruik van [adres] door kinderdagverblijf [kinderdagverblijf] had ontdekt, dit gebruik feitelijk niet meer kon worden verzwegen. De enkele omstandigheid dat [gedaagde] niet aanstonds op eerste verzoek opgave deed van de hiertegenover staande inkomsten is onvoldoende om aan te nemen dat hij kon menen deze te kunnen (blijven) verzwijgen, en deze (daardoor) buiten verdeling te kunnen houden. De huurinkomsten behoren dus tot het gemeenschappelijk vermogen, en dienen in de verdeling te worden betrokken.

4.17.

[gedaagde] vordert dat kosten die hij in de periode van verhuur aan kinderdagverblijf [kinderdagverblijf] stelt te hebben gemaakt, in de verdeling worden betrokken. De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat [gedaagde] kosten heeft gemaakt, en deze komen in beginsel ook voor verrekening in aanmerking. De rechtbank kan de hoogte van deze kosten vooralsnog niet vaststellen, nu [eiser] de door [gedaagde] opgegeven kosten betwist, en [gedaagde] deze niet met andere stukken dan zijn eigen administratie heeft onderbouwd. De rechtbank zal [gedaagde] in de gelegenheid stellen alsnog nadere bewijsstukken in het geding te brengen. [gedaagde] dient ook nog opgave te doen van huurinkomsten over de periode na 31 december 2012.

vordering sub 3 in conventie en vordering sub 2 f. in reconventie: bankrekeningen

4.18.

[eiser] stelt dat de saldi van de bankrekeningen integraal aan hem moeten worden uitgekeerd, op voet van artikel 3:194 lid 2 BW. Hij voert daartoe aan dat [gedaagde] de bank onder valse voorwendselen heeft doen geloven dat alleen hijzelf gerechtigd was tot de banksaldi. Deze stelling heeft [eiser] niet onderbouwd, daargelaten nog dat een dergelijk gedrag jegens de bank nog niet noodzakelijk verzwijging, zoekmaken of verborgen houden voor [eiser] zou meebrengen. [eiser] stelt dat [gedaagde] aanzienlijke delen van het gemeenschappelijk vermogen (kennelijk bedoelt [eiser]: van de betreffende bankrekeningen) heeft opgenomen. Ook dit levert als zodanig geen schending op van artikel 3:194 lid 2 BW, waarbij nog komt dat [eiser] deze opnames kennelijk tot voorwerp maakt van zijn (voorwaardelijke) eis sub 6 (hierna, 4.21 e.v.). [eiser] voort verder aan dat [gedaagde] nooit heeft willen meewerken aan verdeling van de banksaldi. Dit levert evenmin schending van artikel 3:194 lid 2 BW op (intussen wil [gedaagde] dat overigens wel, getuige zijn vordering in reconventie sub 4 j° 2 f). [eiser] heeft ook nog als productie 23 een beschrijving in het geding gebracht van gebeurtenissen die volgens [eiser] met betrekking tot de bankrekeningen (en andere bancaire kwesties) hebben plaatsgevonden, maar die beschrijving is niet toegespitst op schending van artikel 3:194 lid 2 BW door [gedaagde], en deze kan daaruit ook niet aanstonds worden afgeleid.

4.19.

Naar het voorlopig oordeel van de rechtbank dienen de banksaldi aldus, conform de vordering van [gedaagde] in reconventie sub 2 f, in de verdeling worden betrokken.

vordering sub 4 in conventie en vordering sub 2 c./d. in reconventie: [adres] en [adres]

4.20.

Tussen partijen staat vast dat [adres] en [adres] gemeenschappelijke eigendom van partijen zijn. Partijen zijn het er ook over eens dat deze eigendommen dienen te worden verdeeld.

vordering sub 6 in conventie: vorderingen op [gedaagde]

4.21.

[eiser] vordert onder de voorwaarde “indien en voor zover de tegenvorderingen van [gedaagde] door [de] rechtbank als in beginsel toewijsbaar worden beoordeeld”, dat de uit zijn (de rechtbank leest:) productie 24 blijkende vorderingen in de verdeling worden betrokken. Hij beroept zich “alsdan subsidiair op verrekening”.

4.22.

[eiser] dient toe te lichten wat hij precies bedoelt met de door hem gestelde voorwaarde dat de rechtbank de vorderingen van [gedaagde] "in beginsel toewijsbaar beoordeelt" en/of of deze voorwaarde met dit vonnis wellicht al is vervuld.

4.23.

[gedaagde] krijgt nog gelegenheid om op dit onderdeel van de eis van [eiser] te reageren (waarbij hij rekening moet houden met vervulling van de door [eiser] gestelde voorwaarde).

4.24.

Uit de bewoordingen “indien en voor zover” en het beroep op verrekening leidt de rechtbank af dat [eiser] zijn in productie 24 beschreven vordering niet voor een hoger bedrag (voorwaardelijk) instelt dan nodig is om de vorderingen in reconventie te kunnen compenseren (materieel: voor verrekening in de zin der wet zou verweer in reconventie immers kunnen volstaan).

vordering sub 2 a. in reconventie: werkzaamheden [gedaagde]

4.25.

[gedaagde] stelt dat hij aanspraak heeft op een bedrag van € 22.023,02 in verband met door hem in de periode 1998-2000 verrichte werkzaamheden. De betalingen voor deze werkzaamheden, tot dit bedrag, zijn kennelijk gestort op bankrekeningen van de maatschap. Volgens [gedaagde] heeft [eiser] in diezelfde periode voor een vergelijkbaar bedrag inkomsten gegenereerd die [eiser] buiten de maatschap heeft gehouden, reden waarom [gedaagde] aanspraak maakt op de door hemzelf gegenereerde inkomsten.

4.26.

[eiser] heeft geen ander verweer gevoerd dan het in algemene termen verwoorde verweer dat is vermeld in 4.1-4.4, dat op dit onderdeel in zijn algemeenheid niet volstaat. Bij deze stand van zaken ligt deze vordering van [gedaagde] voor toewijzing gereed.

vordering sub2 b. in reconventie: privéopnames [eiser]

4.27.

[gedaagde] beroept zich op privéopnames door [eiser] van bankrekeningen van de maatschap tot een bedrag van € 10.411,91, en stelt dat deze (als schuld van [eiser] aan de maatschap) in de verdeling dienen te worden betrokken.

4.28.

Het verweer van [eiser] tegen deze vordering luidt dat deze dient te worden afgewezen omdat er geen complete maatschapsadministratie voorhanden is, dat ook [gedaagde] privéopnames heeft gedaan (volgens [eiser] tot veel hogere bedragen), terwijl bovendien [eiser] zijn privéopnames altijd netjes in de boekhouding heeft verantwoord en met [gedaagde] heeft verrekend.

4.29.

Het verweer van [eiser] dat er geen complete maatschapsadministratie voorhanden is, is op zichzelf ondeugdelijk om de vordering van [gedaagde] wegens uit privé-opnames van [eiser] voortvloeiende verplichtingen (tot terugbetaling/verrekening) te bestrijden. Het verweer dat ook [gedaagde] privé-opnames heeft gedaan voert [eiser] kennelijk ook al in het kader van zijn vordering sub 6 in conventie; hij beoogt hiermee kennelijk deze post in het kader van de verdeling weg te strepen tegen verplichtingen van [gedaagde] jegens de maatschap. Zoals hiervoor (4.21-24) is overwogen dient [eiser] zich over zijn vordering sub 6 in conventie nog uit te laten; op dit moment kan dit verweer op deze plaats daarom rusten. Het verweer van [eiser] dat hij zijn privé-opnames altijd netjes in de boekhouding heeft verantwoord en deze met [gedaagde] heeft verrekend, is niet onderbouwd. In elk geval volgt uit stellingen van [eiser] dat hij heeft geweigerd om jaarrekeningen van de maatschap vanaf 1997 te accorderen, terwijl de onderhavige post uitsluitend betrekking heeft op de jaren 1997 en later, zodat dit verweer van [eiser] in zoverre niet goed is te begrijpen.

vordering sub 2 g. in reconventie: huurderving [adres]

4.30.

[gedaagde] stelt zich op het standpunt dat [eiser] sinds 2002 verhuur van [adres] heeft tegengehouden door allerlei kandidaten te weigeren, en de maatschap/het maatschapsvermogen hierdoor schade heeft berokkend ten bedrage van € 350.000,00.

4.31.

[gedaagde] stelt dat hij weliswaar zelfstandig tot verhuur van [adres] bevoegd was, maar dat hij tot eind 2010 van die bevoegdheid geen gebruik heeft gemaakt vanwege onder meer de lopende en moeizame bemiddeling tussen partijen en om de onderlinge zakelijk noodzakelijke contacten niet nog meer te belasten. Tegen deze achtergrond ziet de rechtbank vooralsnog niet in op welke grond [eiser] achteraf dan alsnog moet opdraaien voor de door [gedaagde] gestelde huurderving over deze periode, meer in het bijzonder of/hoe [eiser], tegenover de kennelijk terughoudende opstelling van [gedaagde] destijds, op dit onderdeel in verzuim is komen te verkeren.

vordering sub 2 h. in reconventie: beheer [adres] 2002-2010

4.32.

[gedaagde] vordert een bedrag gelijk aan 4% van de gederfde huurprijs over de periode 2002-2010, ten titel van beheer van het pand [adres]. [gedaagde] stelt niet dat hij deze vergoeding met [eiser] is overeengekomen en hij stelt evenmin op welke grond hij hierop dan wel aanspraak kan maken. Bij deze stand van zaken dient deze vordering – tegenover de betwisting door [eiser] – te worden afgewezen.

vordering sub 4 j° 2 i. in reconventie: uitgaven [gedaagde] [adres]

4.33.

[gedaagde] stelt uitgaven de hebben gedaan ten behoeve van het beheer van [adres]: energie, water, etc. De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat [gedaagde] kosten heeft gemaakt, en deze komen in beginsel ook voor verrekening in aanmerking. De rechtbank kan de hoogte van deze kosten vooralsnog niet vaststellen, nu [eiser] de door [gedaagde] opgegeven kosten betwist, en [gedaagde] deze niet met andere stukken dan zijn eigen administratie heeft onderbouwd. De rechtbank zal [gedaagde] in de gelegenheid stellen alsnog nadere bewijsstukken in het geding te brengen.

vordering sub 4 j° 2 k., l. en m. in reconventie: huur of gebruik [adres] door [eiser]

4.34.

[gedaagde] stelt dat hij met [eiser] is overeengekomen dat [eiser] een huur van ƒ 500,00 per maand zou betalen voor het gebruik van het woongedeelte van [adres], waarbij [eiser] ook nog 50% van de gebruikskosten diende te betalen (dit laatste tot in 2003). Vanaf het moment dat [eiser] (volgens [gedaagde]) ook nog, met uitsluiting van [gedaagde], gebruik is gaan maken van het kantoorgedeelte, dient volgens [gedaagde] een dubbele huur te gelden.

4.35.

[eiser] heeft in zijn dagvaarding geanticipeerd op tegenvorderingen van [gedaagde], en daarbij de onderhavige post(en) genoemd, en zich (slechts) daarbij op verjaring beroepen. Nu [gedaagde] in zijn conclusie van eis in reconventie ook op dit (anticiperende) verjaringsverweer, op specifiek deze post, heeft gereageerd, en [eiser] er in zijn conclusie van antwoord in reconventie niet op is teruggekomen, houdt de rechtbank het ervoor dat [eiser] dit verweer, op deze post, heeft willen handhaven. Dit verjaringsverweer faalt voor zover het betreft huurtermijnen die opeisbaar zijn geworden in de periode van vijf jaar voorafgaande aan de conclusie van eis in reconventie van 6 maart 2013, waarmee deze vordering is ingesteld (artikel 3:308 BW). [gedaagde] beroept zich op een brief van 14 december 2007 aan [eiser], kennelijk ten betoge dat hij met die brief de verjaring van eerder vervallen huurtermijnen heeft gestuit. Deze brief dateert echter van meer dan vijf jaren voorafgaand aan de conclusie van eis in reconventie van 6 maart 2013, waarmee [gedaagde] zijn vordering heeft ingesteld, zodat indien deze de verjaring al zou hebben gestuit ([eiser] betwist deze brief destijds te hebben ontvangen), de verjaring van de betreffende huurtermijnen nadien alsnog is ingetreden.

4.36.

De door [gedaagde] gevorderde vergoeding van (periodieke) kosten betreft de periode van vóór 2004, zodat het verjaringsverweer van [eiser] op dit onderdeel slaagt (ook artikel 3:308 BW).

4.37.

[eiser] betwist de door [gedaagde] gestelde huurovereenkomst. De rechtbank zal [gedaagde] daarom het bewijs daarvan opdragen. De rechtbank zal [gedaagde] ook bewijs opdragen van diens – door [eiser] eveneens betwiste – stelling dat [eiser] in 2002 heeft geweigerd om van [gedaagde] geleende sleutels van het kantoorgedeelte van [adres] aan [gedaagde] terug te geven (aan welke weigering [gedaagde] aanspraak op een hogere huurprijs koppelt). Omdat partijen ingevolge dit vonnis nog aktes mogen nemen over diverse onderwerpen en niet valt uit te sluiten dat daaruit nog andere en/of nadere bewijsopdrachten voortvloeien, zal – met het oog op een efficiënte procesvoering – het hier bedoelde bewijs (huur en sleutels) niet reeds met dit vonnis worden opgedragen, maar pas bij nader vonnis, nadat partijen gelegenheid hebben gekregen bedoelde aktes te nemen.

vordering sub 2 n. in reconventie: maatschapskosten 1996

4.38.

[gedaagde] maakt aanspraak op door hem in 1996 privé betaalde maatschapskosten.

4.39.

[eiser] heeft geen ander verweer gevoerd dan het in algemene termen verwoorde verweer dat is vermeld in 4.1-4, dat op dit onderdeel in zijn algemeenheid niet volstaat. Bij deze stand van zaken ligt deze vordering van [gedaagde] voor toewijzing gereed.

vordering sub 2 o. en sub 3 in reconventie: kunstcollectie

4.40.

Tussen partijen is niet in geschil dat de kunstcollectie, zoals beschreven in productie 21 van [gedaagde], gemeenschappelijke eigendom van partijen is. Het verweer van [eiser] dat is genoemd in 4.1-4 is ondeugdelijk in relatie tot de vordering van [gedaagde] tot verdeling van deze collectie.

4.41.

Geen van beide partijen heeft opgave gedaan van de onderdelen van de collectie die hij in zijn bezit heeft. De rechtbank zal partijen opdragen om dat alsnog te doen.

vordering sub 2 p. in reconventie: oldtimers en stallingskosten

4.42.

Tussen partijen is niet in geschil dat twee oldtimers gemeenschappelijke eigendom van partijen zijn. Het verweer van [eiser] dat is genoemd in 4.1-4 is ondeugdelijk in relatie tot de vordering van [gedaagde] tot verdeling van deze twee oldtimers. [gedaagde] moet opgave doen van de huidige locatie van deze twee oldtimers.

4.43.

[gedaagde] vordert voor vergoeding van door hem ter zake van de oldtimers gemaakte stallingskosten en kosten van schorsing van de kentekens. Deze komen in beginsel voor vergoeding in aanmerking, indien ze zijn gemaakt. [eiser] betwist dat [gedaagde] deze kosten heeft gemaakt. De rechtbank zal [gedaagde] in de gelegenheid stellen alsnog ter zake dienende stukken in het geding te brengen.

vordering sub 2 q. in reconventie: inventaris

4.44.

Tussen partijen is niet in geschil dat zij inventaris in gemeenschappelijke eigendom hebben. [eiser] betwist de juistheid van de door [gedaagde] overgelegde inventarislijst, en stelt voorts dat een deel ervan (voor zover wel juist) zich bij [gedaagde] bevindt. [eiser] dient opgave te doen van wat volgens hem wel een correcte inventarislijst is, en beide partijen dienen zich erover uit te laten welke inventaris zich waar bevindt.

vordering sub 2 r. in reconventie: pensioenrechten [eiser]

4.45.

[gedaagde] stelt dat in de verdeling dient te worden betrokken: (de waarde van) de pensioenrechten die [eiser] heeft opgebouwd met zijn aanstellingen als docent aan diverse kunstacademies gedurende de periode van de maatschap. [gedaagde] voert daartoe onder meer onweersproken aan dat de betreffende salarissen destijds op de maatschapsrekening werden gestort, en dat inkomen ook als inkomen van de maatschap werd aangemerkt. Volgens [gedaagde] geldt dit daarom dan ook voor de met die aanstellingen opgebouwde (ouderdoms)pensioenrechten.

4.46.

[gedaagde] stelt niet dat tussen partijen uitdrukkelijk is overeengekomen dat de opgebouwde ouderdomspensioenrechten ook tot het maatschapsvermogen behoorden. [eiser] betwist dat deze rechten daartoe behoren. Het komt derhalve aan op uitleg van de maatschapsovereenkomst, of dit al dan niet het geval is. Partijen hebben hierover verder niets gesteld. De enkele omstandigheid dat [eiser] het salaris op de maatschapsrekening heeft gestort brengt naar het voorlopig oordeel van de rechtbank niet noodzakelijk mee dat ook de (toekomstige) pensioenrechten tot het maatschapsvermogen moeten worden gerekend. Voorlopig is de rechtbank van oordeel dat indien op enigerlei wijze (in toelichting of anderszins) in de relevante jaarrekeningen van de maatschap een (latente) verplichting van [eiser] tot afdracht van pensioen was verwerkt, mag worden aangenomen dat de betreffende aanspraak tot het te verdelen vermogen behoort, en in het andere geval dat dit niet zo is. Partijen mogen zich hierover desgewenst nog uitlaten.

vordering sub 2 s. in reconventie: opslag [naam]

4.47.

[gedaagde] vordert dat door hem gemaakte kosten ten behoeve van opslag van archief en materialen van de maatschap, in de verdeling worden betrokken.

4.48.

[eiser] heeft geen ander verweer gevoerd dan het in algemene termen verwoorde verweer dat is vermeld in 4.1-4, dat op dit onderdeel in zijn algemeenheid niet volstaat. Bij deze stand van zaken ligt deze vordering van [gedaagde] voor toewijzing gereed.

vordering 4 in reconventie: verdeling

4.49.

Afgezien van financiële aanspraken tussen [eiser] en [gedaagde] onderling, dienen de volgende goederen te worden verdeeld: [adres] en [adres], de banksaldi, de kunstcollectie, de inventaris en de twee oldtimers.

4.50.

[adres] en [adres]. [gedaagde] vraagt om toedeling van [adres] aan hemzelf, en van [adres] aan [eiser], en voor het geval of de verdeling niet aldus wordt vastgesteld, verkoop van beide panden en verdeling van de opbrengst. De rechtbank ziet geen reden om [gedaagde] in diens primaire vordering op dit punt te volgen, gegeven dat [eiser] op het door het [gedaagde] aan hem toegedachte deel geen prijs stelt, terwijl gesteld noch gebleken is dat de panden ongeschikt zijn voor verkoop. [eiser] vraagt primair om openbare verkoop van de panden, subsidiair bepaling van de wijze van verkoop door de rechtbank, meer subsidiair verdeling door de rechtbank. De rechtbank begrijpt de primaire en subsidiaire vorderingen aldus dat [eiser] vraagt om het gelasten van verkoop met verdeling (of verrekening) van de netto-opbrengst als wijze van verdeling (artikel 3:185 lid 2 sub c BW). Partijen zijn het er aldus over eens – gegeven dat de rechtbank niet zal verdelen zoals [gedaagde] primair vordert – dat de beide panden moeten worden verkocht. De rechtbank zal deze gelasten. Dit neemt vanzelfsprekend niet weg dat ieder van partijen zich als gegadigde kan melden in het te gelasten verkoopproces en eventueel aldus kan kopen dan wel, indien een dergelijke koop zou kunnen plaatsvinden, de rechtbank alsnog kan verzoeken om de te verkopen zaak aan hem toe te delen conform de geboden koopprijs.

4.51.

[eiser] licht niet toe wat hij precies met openbare verkoop bedoelt. Voor zover hij doelt op verkoop ter veiling, licht hij niet toe dat dat – tussen partijen – de meest geëigende wijze van verkoop zou zijn en de rechtbank ziet dit voorshands ook niet in. Het ligt naar het voorlopig oordeel van de rechtbank voor de hand dat zij partijen opdraagt om een makelaar te benoemen, die in (al dan niet: gedwongen) opdracht van partijen de onderhandse verkoop ter hand neemt. De rechtbank zal de zaak naar de rol verwijzen om partijen gelegenheid te geven zich desgewenst over het volgende uit te laten:

- de eventuele kwalificaties waaraan de verkopend makelaar dient te voldoen;

- de te hanteren vraag- en laatprijzen, en/of of de te benoemen makelaar deze bij wege van bindend advies mag vaststellen, of hoe deze anderszins dienen te worden vastgesteld;

- kwesties waarover eventueel nadere aanwijzingen moeten worden gegeven, zoals de vraag of beide partijen, steeds slechts één van hen, dan wel geen van beide bij bezichtigingen aanwezig zullen zijn (dit kan eventueel per pand verschillen), of inzake bijvoorbeeld de door beide partijen gevorderde voorzieningen voor reële executie;

- of een partij eventueel, met het oog op de te geven opdracht, bezwaren heeft tegen bepaalde makelaars in Nieuwegein, met opgaaf van redenen;

- indien partijen het eens zijn over de te benoemen makelaar: diens NAW-gegevens;

- of de verkoopopbrengsten reeds tussen partijen kunnen worden verdeeld, dan wel of deze vooralsnog, in verband met de aanspraken van partijen over een weer waaromtrent in dit vonnis nog geen beslissing wordt genomen, in depot dienen te worden gesteld in afwachting van nadere of finale verdeling.

4.52.

kunstcollectie, inventaris en oldtimers. Partijen zullen zich er ook over moeten uitlaten aan welke vorm van verdeling van elk van deze posten zij de voorkeur geven, bijvoorbeeld:

  • -

    onderhandse verkoop of verkoop ter veiling;

  • -

    biedingen door partijen op de kunstcollectie, de inventaris respectievelijk de oldtimerverzameling als geheel, met steeds toedeling aan de hoogste bieder;

  • -

    biedingen door partijen per onderdeel of lot;

  • -

    taxatie per onderdeel of lot, met ombeurt uitkiezen en toedeling conform taxatiewaarde;

  • -

    anders (en zo ja hoe).

4.53.

Voor het geval dat de rechtbank mocht beslissen dat dient te worden verkocht, moeten partijen ook ingaan op de volgende vragen:

- ingeval van onderhandse verkoop: aan welke kwalificaties de persoon of organisatie die de verkoop ter hand moet nemen (hierna: de executeur) dient te voldoen (desgewenst uitgesplitst per post);

- de te hanteren vraag- en laatprijzen, en/of, in het geval van onderhandse verkoop, of de te benoemen executeur deze bij wege van bindend advies mag vaststellen;

- kwesties waarover eventueel nadere aanwijzingen moeten worden gegeven (bijvoorbeeld inzake door beide partijen gevorderde voorzieningen voor reële executie);

- of een partij eventueel, met het oog op de te geven opdracht, bezwaren heeft tegen bepaalde executeurs of bepaalde veilinghuizen in Nederland, met opgaaf van redenen;

- indien partijen het eens zijn over de te benoemen executeur(s) en/of veilinghui(s)(zen) de betreffende NAW-gegevens;

- of de verkoopopbrengsten reeds tussen partijen kunnen worden verdeeld, dan wel of deze vooralsnog, in verband met de aanspraken van partijen over een weer waaromtrent in dit vonnis nog geen beslissing wordt genomen, in depot dienen te worden gesteld in afwachting van nadere of finale verdeling.

4.54.

banksaldi. Indien deze saldi inmiddels zijn overgeboekt, conform het voornemen van partijen ter comparitie, op een andere (rentedragende) rekening, dienen partijen (of de meest gerede partij) hiervan opgave te doen.

vordering 4 in reconventie: benoeming deskundige tot vaststelling maatschaps- en liquidatiebalans

4.55.

[gedaagde] stelt niet dat (en waarom) hij jegens [eiser] aanspraak heeft op benoeming van een deskundige die (bindend voor partijen?) een maatschapsbalans 2012 en een liquidatiebalans opstelt. Kennelijk bedoelt [gedaagde] een voorstel te doen voor een interlocutoire uitspraak door de rechtbank tot benoeming van een deskundige met het oog op vaststelling – door de rechtbank – van de verdeling. Dit is in elk geval thans nog niet aan de orde.

4.56.

Wel ligt het voor de hand dat [gedaagde], die verlangt dat (het verschil tussen de) kapitaalstanden van [gedaagde] en [eiser] in de maatschap per ultimo 2000 in de verdeling worden betrokken, [eiser] – die de juistheid van de door [gedaagde] overgelegde jaarrekening 2000 betwist – inzage verschaft in de boekhouding die aan de jaarrekening ten grondslag ligt, en die van de voorliggende jaren vanaf het jaar na de laatstelijk door partijen gezamenlijk geaccordeerde jaarrekening, zodat [eiser] zich daarover desgewenst kan uitlaten ter onderbouwing van zijn verweer op dit punt. Bij gebreke van dergelijke inzageverschaffing dient naar het voorlopig oordeel van de rechtbank de betreffende vordering, voor zover die strekt tot verdeling van het saldo per ultimo 2000, te worden afgewezen. Overigens spreekt voor zichzelf dat indien het saldo per ultimo 2000 (of enige andere datum) verdeelbaar mocht worden geoordeeld, de vorderingen met betrekking tot individuele posten van vóór die datum, die in dat saldo zijn verwerkt, niet ook los van dat saldo (nog een keer) voor verdeling in aanmerking komen.

vorderingen sub 5 in conventie en sub 6 in reconventie: (reële) executie

4.57.

Beslissingen hierover houdt de rechtbank aan.

recapitulatie; verder procesverloop

4.58.

De rechtbank zal een comparitie van partijen gelasten om partijen gelegenheid te geven nadere inlichtingen te verschaffen en om, al dan niet op onderdelen, een schikking te beproeven. Op die comparitie dienen partijen aktes te nemen, die zij uiterlijk vier weken voorafgaand aan de comparitie aan de rechtbank en aan elkaar dienen toe te zenden, waarbij [eiser] zich in elk geval dient uit te laten over en uitvoering dient te geven aan hetgeen is vermeld in 4.22, 4.41, 4.44, 4.46, 4.51, 4.52, 4.53 en 4.54, en [gedaagde] zich in elk geval dient uit te laten over en uitvoering dient te geven aan hetgeen is vermeld in 4.17, 4.23, 4.33, 4.41, 4.43, 4.44, 4.46, 4.51, 4.52, 4.53 en 4.54. Ter comparitie zullen partijen op elkaars aktes mogen reageren. Partijen dienen op de comparitie in persoon aanwezig te zijn.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

beveelt een verschijning van partijen, bijgestaan door hun advocaten, voor het geven van inlichtingen en ter beproeving van een minnelijke regeling op de terechtzitting van mr. J.W. Frieling in het gerechtsgebouw te Utrecht aan Vrouwe Justitiaplein 1 op een door de rechtbank vast te stellen datum en tijd,

5.2.

bepaalt dat partijen dan in persoon aanwezig moeten zijn,

5.3.

bepaalt dat partijen op de comparitie aktes dienen te nemen als vermeld in 4.58, die zij uiterlijk vier weken voorafgaande aan de comparitie aan de rechtbank en aan elkaar dienen toe te zenden,

5.4.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 15 januari 2014 voor het opgeven van de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de vier maanden vanaf de opgave, bij welke opgave zij ten minste vijftien dagdelen vrij dienen te laten waarop de comparitie zou kunnen plaatsvinden, waarna dag en uur van de comparitie zullen worden bepaald,

5.5.

bepaalt dat bij gebreke van de gevraagde opgave(n) de rechtbank het tijdstip van de comparitie zelfstandig zal bepalen,

5.6.

bepaalt dat na vaststelling van het tijdstip van de comparitie, dit in beginsel niet zal worden gewijzigd,

5.7.

wijst partijen er op, dat voor de zitting een dagdeel zal worden uitgetrokken,

5.8.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.W. Frieling en in het openbaar uitgesproken op 30 december 2013.1

1 type: JW (4231)coll: NIG 4123