Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:7264

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
06-11-2013
Datum publicatie
12-12-2014
Zaaknummer
C-16-338803 - HA ZA 13-135
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bestuurdersaansprakelijkheid. Beklamel-norm. Persoonlijk ernstig verwijt. Financieel penibele situatie van vennootschap, beslagen en korte gedingen ten tijde van betalingstoezeggingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2014/968
OR-Updates.nl 2014-0451
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/338803 / HA ZA 13-135

Vonnis van 6 november 2013

in de zaak van

vennootschap naar het recht van het land van haar vestiging Italië

AUTOMOBILI LAMBORGHINI SPA,

gevestigd te Sant'Agata Bolognese (Bologna), Italië

eiseres,

advocaten: mr. L. Bryk en mr. J.W. de Groot, beiden te Amsterdam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat: mr. M.J.M. Derks te Utrecht.

Partijen zullen hierna Lamborghini en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 22 mei 2013;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 1 oktober 2013;

  • -

    de brief van de zijde van Lamborghini van 15 oktober 2013;

  • -

    de brief van de zijde van [gedaagde] van 21 oktober 2013.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Lamborghini is een Italiaanse autofabrikant die luxe sportauto’s produceert.

2.2.

[gedaagde] is bestuurder (geweest) van [gedaagde]'s Autobedrijven B.V., een bedrijf dat auto’s van – onder meer – de automerken Bentley, Bugatti, Lamborghini, Maserati en Rolls Royce verkocht.

2.3.

[gedaagde]'s Autobedrijven heeft op grond van overeenkomsten met Alcredis Finance B.V. (hierna: Alcredis) een pandrecht gevestigd op haar handelsvoorraad, bestaande uit diverse auto’s.

2.4.

Op 19 september 2011 heeft Alcredis conservatoir beslag gelegd op de handelsvoorraad van [gedaagde]'s Autobedrijven. Tussen – onder meer – [gedaagde]'s Autobedrijven, als eiseres, en Alcredis, als gedaagde, heeft op 26 september 2011 een kort geding plaatsgevonden bij de voorzieningenrechter van deze rechtbank. Tijdens de terechtzitting is tussen – onder meer – [gedaagde]'s Autobedrijven en Alcredis een schikking getroffen.

2.5.

Lamborghini heeft bij factuur van 26 september 2011 de kosten voor de levering van een Lamborghini Aventador bij [gedaagde]'s Autobedrijven in rekening gebracht voor een bedrag van € 246.300,00. Deze Lamborghini Aventador (met het door partijen gehanteerde kenmerk VIN185 en daarom hierna te noemen: de VIN185) was een zogenoemde demo car, waarvan de koopprijs binnen negentig dagen na factuurdatum diende te worden betaald. De VIN185 is kort na 26 september 2011 aan [gedaagde]'s Autobedrijven geleverd. [gedaagde]'s Autobedrijven heeft de koopprijs van de VIN185 niet betaald.

2.6.

Omdat niet aan alle voorwaarden van de op 26 september 2011 getroffen schikking was voldaan, vond op 4 november 2011 opnieuw een kort geding plaats tussen– onder meer – [gedaagde]'s Autobedrijven en Alcredis. Bij vonnis van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 18 november 2011 is de vordering van – onder meer – [gedaagde]'s Autobedrijven tot opheffing van het door Alcredis gelegde conservatoir beslag, afgewezen.

2.7.

Op 5 december 2011 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen Lamborghini, vertegenwoordigd door [A] (hierna: [A]), enerzijds en anderzijds [gedaagde]'s Autobedrijven, vertegenwoordigd door [gedaagde]. [A] is Regional manager North and East Europe van Lamborghini. Tijdens deze bespreking is de situatie besproken omtrent de door Alcredis op 19 september 2011 ten laste van [gedaagde]'s Autobedrijven gelegde beslagen en het kort geding op 26 september 2011 tot opheffing daarvan.

2.8.

Tijdens het bezoek van [A] aan [gedaagde]'s Autobedrijven op 5 december 2011 hebben Lamborghini en [gedaagde]'s Autobedrijven een overeenkomst gesloten met betrekking tot de koop van een Lamborghini Aventador (met het door partijen gehanteerde kenmerk VIN377 en daarom hierna te noemen: de VIN377) door [gedaagde]'s Autobedrijven. De koopprijs van deze auto bedroeg € 245.890,00.

2.9.

Bij e-mailbericht van 9 december 2011 schreef [gedaagde] aan Lamborghini – voor zover relevant – het volgende:

“(…)

As agreed last monday and during our phone conversation this morning [gedaagde] will pay the Aventador vin 0377 by next Monday. Automobili Lamborghini will deliver this car in Utrecht no later then Friday 16-12-2011.

[gedaagde] will pay no later then 23-12-2011 the 55.464,70 per statement 02-12-2011.

[gedaagde] will pay the Aventador vin 0185 as per due between 26-31 dec 2011.

(…)”

2.10.

[A] schreef bij e-mailbericht van 9 december 2011 aan [gedaagde] – onder meer – het volgende:

“Dear [gedaagde],

Thank you for your email. Can you please confirm that your company is not insolvent or in bankruptcy proceedings? This question will no doubt be asked on Monday when I try to clear up your points below. (…)”

2.11.

[gedaagde] heeft in reactie op het bericht van [A] bij e-mailbericht van eveneens 9 december 2011 het volgende geschreven:

“Dear [A] ( [A], rechtbank),

Our company is not insolvent and not bankrupt, also we are not in proceedings or what so ever.

Best regards

[gedaagde]”

2.12.

[gedaagde]'s Autobedrijven heeft op 15 december 2011 € 245.890,00, de koopprijs voor de VIN377, aan Lamborghini betaald.

2.13.

Op 4 januari 2012 is surseance van betaling verleend aan [gedaagde]'s Autobedrijven, waarna zij bij vonnis van deze rechtbank van 9 januari 2012 in staat van faillissement is verklaard.

3 Het geschil

3.1.

Lamborghini vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 246.300,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 juli 2012, althans vanaf de datum van de dagvaarding, tot de dag van algehele betaling, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten, de nakosten en de wettelijke rente over deze kosten.

3.2.

Lamborghini stelt dat [gedaagde] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld en legt aan deze stelling – samengevat – ten grondslag dat [gedaagde], als bestuurder van [gedaagde]'s Autobedrijven, namens deze vennootschap verplichtingen is aangegaan terwijl hij wist of behoorde te weten dat [gedaagde]'s Autobedrijven niet aan die verplichtingen zou kunnen voldoen. Voorts heeft [gedaagde] volgens Lamborghini onrechtmatig gehandeld door de verkoopopbrengst van de VIN377 aan [gedaagde] Holding toe te laten komen, terwijl hij met Lamborghini was overeengekomen dat de verkoopopbrengst ten goede zou komen aan Lamborghini ter delging van de schuld die [gedaagde]'s Autobedrijven aan Lamborghini had met betrekking tot de koopprijs van de VIN185. Omdat [gedaagde]'s Autobedrijven de verkoopopbrengst niet aan Lamborghini heeft betaald, terwijl zij wel over deze opbrengst beschikte, is volgens Lamborghini sprake van betalingsonwil, hetgeen onrechtmatig is jegens haar.

3.3.

[gedaagde] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Lamborghini in haar vorderingen, althans tot afwijzing daarvan.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Voor de goede orde overweegt de rechtbank – voorafgaand aan de beoordeling – met betrekking tot de door Lamborghini gemaakte aanmerkingen op het proces-verbaal van de comparitie dat de verklaring van Lamborghini onder 1k, dat uit de laatste pagina van het als productie 22c overgelegde bankafschrift blijkt dat een bedrag van € 59.000,00 door [gedaagde] aan [gedaagde] privé is betaald, moet worden begrepen als vermeld in de brief van 15 oktober 2013 van Lamborghini, in die zin dat door [gedaagde] privé een bedrag van € 59.000,00 aan [gedaagde] is betaald. De overige aanpassingen die worden voorgesteld, ook die door [gedaagde], worden niet door de rechtbank gevolgd omdat deze geen essentiële punten bevatten en het proces-verbaal een verkorte weergave bevat van het besprokene, dan wel omdat deze niet stroken met de aantekeningen van de rechtbank van het besprokene en deze aanpassingen niet leiden tot een ander oordeel.

4.2.

Ter beoordeling ligt – onder meer – voor de vraag of [gedaagde] (i) heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat [gedaagde]'s Autobedrijven haar contractuele verplichtingen jegens Lamborghini niet nakomt, zoals Lamborghini aan haar vordering ten grondslag legt. In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat [gedaagde] onrechtmatig jegens Lamborghini, als schuldeiser van [gedaagde]'s Autobedrijven, heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in artikel 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt (vgl. Hoge Raad 18 februari 2000, NJ 2000, 295; New Holland Belgium/Oosterhof). Anders gezegd kan [gedaagde] voor de schade die Lamborghini lijdt aansprakelijk worden gehouden, indien zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van Lamborghini – als schuldeiser van [gedaagde]'s Autobedrijven – in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is te achten dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt.

4.3.

Vooropgesteld wordt dat de enkele omstandigheid dat [gedaagde]'s Autobedrijven bedrijfsactiviteiten ontplooide terwijl haar financiële situatie niet rooskleurig was, geen grond vormt voor bestuurdersaansprakelijkheid en dat een dergelijke grond evenmin aanwezig omdat [gedaagde], als bestuurder, Lamborghini niet heeft gewaarschuwd voor de financieel penibele situatie waarin [gedaagde]'s Autobedrijven verkeerde of indien [gedaagde] er niet op heeft toegezien dat een concrete crediteur, zoals in dit geval Lamborghini, betaald zou worden. Dit kan anders zijn indien, zoals Lamborghini stelt, komt vast te staan dat [gedaagde] Lamborghini ertoe heeft bewogen de overeenkomst met betrekking tot de VIN377 te sluiten onder de voorwaarde dat de verkoopopbrengst die bij de verkoop van deze auto zou worden gegenereerd, ten goede zou komen van Lamborghini.

4.4.

Waar [gedaagde] betwist dat in december 2011 een tweede afspraak is gemaakt, doelt hij kennelijk op de door Lamborghini gestelde overeenkomst zoals deze volgens deze laatste op 5 december 2011 tussen partijen is gesloten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [gedaagde] met deze in algemene bewoordingen vervatte betwisting onvoldoende concreet en onvoldoende gemotiveerd weersproken dat Lamborghini en [gedaagde]'s Autobedrijven, naast de koopovereenkomst met betrekking tot de Lamborghini Aventador (de VIN377), een overeenkomst hebben gesloten met betrekking tot het aanwenden van de verkoopopbrengst van deze Lamborghini Aventador tot betaling van de VIN185.

4.5.

Dat [gedaagde] aan Lamborghini de mogelijkheid heeft ontnomen de VIN185 niet omstreeks 26 september 2011 te leveren, dan wel de op 14 december 2011 door [gedaagde]'s Autobedrijven aan Lamborghini betaalde koopprijs van € 245.890,00 aan te wenden voor de betaling van de VIN185, dan wel deze betaling toe te rekenen aan de verschuldigde koopprijs voor de VIN377 en de levering van de VIN377 op te schorten totdat betaling voor de VIN185 was verkregen, is onzorgvuldig van [gedaagde] jegens Lamborghini, maar niet in zodanige mate dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt.

4.6.

Dit is wel het geval waar Lamborghini stelt dat sprake is van selectieve betaling, dan wel van betalingsonwil. Hoewel de stelling van [gedaagde] juist is dat de vordering van Lamborghini met betrekking tot de VIN377 geen nieuwe verplichting is die onvoldaan is gebleven, kan deze stellingname [gedaagde] niet baten. [gedaagde] verliest uit het oog dat vast is komen te staan dat [gedaagde] op 5 december 2011 met [A] van Lamborghini is overeengekomen dat [gedaagde]'s Autobedrijven de verkoopopbrengst die met de verkoop van de VIN377 auto zou worden gegenereerd, aan Lamborghini zou doen toekomen, hetgeen niet is gebeurd. De totale verkoopopbrengst van de VIN377 is niet onder [gedaagde]'s Autobedrijven blijven rusten om te worden aangewend om de VIN185, al dan niet vervroegd, aan Lamborghini te betalen, maar is door [gedaagde] – in weerwil van de gemaakte afspraken – aan zichzelf betaald, waarna de behaalde verkoopmarge van € 59.000,00 door [gedaagde] aan [gedaagde] Holding is doorbetaald. Voor deze handelwijze is door [gedaagde] geen verklaring gegeven. Dit klemt omdat gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] een opeisbare vordering had op [gedaagde]'s Autobedrijven noch dat [gedaagde]'s Autobedrijven na betaling van € 305.000,00 aan [gedaagde] in privé over voldoende financiële middelen beschikte om aan Lamborghini een bedrag van € 246.300,00 ter zake van de VIN185 te betalen.

4.7.

Gelet op de financieel penibele situatie van [gedaagde]'s Autobedrijven ten tijde van de toezeggingen van [gedaagde], de beslagen die door Alcredis waren gelegd en de korte gedingen die werden gevoerd, had [gedaagde] redelijkerwijs behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van [gedaagde]'s Autobedrijven tot gevolg zou hebben dat [gedaagde]'s Autobedrijven haar verplichtingen jegens Lamborghini niet zou nakomen en zij ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg van deze handelwijze optredende schade van Lamborghini. Dit leidt de rechtbank tot het oordeel dat sprake is van zodanig onzorgvuldig handelen jegens Lamborghini dat [gedaagde] hiervan persoonlijk een zodanig ernstig verwijt kan worden gemaakt dat sprake is van onrechtmatig handelen van [gedaagde] jegens Lamborghini.

4.8.

Ten aanzien van de door Lamborghini gestelde schade wordt het volgende overwogen. Of [gedaagde]'s Autobedrijven de VIN185 voor december 2010 heeft besteld, zoals [gedaagde] stelt, doet niet ter zake. De schade die Lamborghini lijdt is gelijk aan de koopprijs van de VIN185 omdat als gevolg van het handelen of nalaten van [gedaagde], de verkoopopbrengst van de VIN377 van € 305.000,00 niet voor een bedrag van € 246.300,00 ten goede is gekomen aan Lamborghini. Indien dit wel het geval zou zijn geweest, zou Lamborghini de koopprijs voor de VIN185 hebben ontvangen en zou zij geen schade hebben geleden. Daarmee is het causaal verband tussen de door Lamborghini gestelde omvang van haar schade en het onrechtmatig handelen van [gedaagde] komen vast te staan en is [gedaagde] gehouden aan Lamborghini een schadevergoeding van € 246.300,00 te betalen.

4.9.

De wettelijke rente zal, als niet weersproken, worden toegewezen als gevorderd.

4.10.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Lamborghini worden begroot op:

- dagvaarding € 76,71

- griffierecht 3.715,00

- salaris advocaat 4.000,00 (2,0 punten × tarief € 2.000,00)

Totaal € 7.791,71

4.11.

De nakosten, waarvan Lamborghini betaling vordert, zullen op de in het dictum weergegeven wijze worden begroot.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan Lamborghini te betalen een bedrag van € 246.300,00 (tweehonderdzesenveertig duizenddriehonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag vanaf 9 juli 2012 tot de dag van volledige betaling,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van Lamborghini tot op heden begroot op € 7.791,71, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt [gedaagde], onder de voorwaarde dat hij niet binnen veertien dagen na aanschrijving door Lamborghini volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

  • -

    € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na aanschrijving,

  • -

    te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de exploitkosten van betekening van het vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na betekening tot de dag van volledige betaling,

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Gaertman en in het openbaar uitgesproken op 6 november 2013.1

1 type: CTH/4065 coll: SG/4371