Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:7257

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
11-12-2013
Datum publicatie
17-12-2013
Zaaknummer
846948 UC EXPL 12-20199
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Baggerwerkzaamheden Waterschap. Schadevergoeding als gevolg van onrechtmatige/rechtmatige daad overheid. Égalité-beginsel. Taakverdeling bestuursrechter en burgerlijke rechter

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 846948 UC EXPL 12-20199 GB/4333

Vonnis van 11 december 2013

inzake

[eiser],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

verder ook te noemen [eiser],

eisende partij,

gemachtigde: mr. J.A.F. Boor,

tegen:

de rechtspersoon naar publiek recht

Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden,

gevestigd te Houten,

verder ook te noemen het Waterschap,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. J.K. Nienhuis van Centraal Beheer Achmea.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 6 februari 2013, waarbij een comparitie van partijen is bepaald

  • -

    het proces-verbaal van de op 18 juni 2013 gehouden comparitie van partijen, waarvan mede aantekening is gehouden.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is eigenaar van percelen grenzend aan de watergang [naam] te [woonplaats]. Het beheer en onderhoud van de [naam] valt onder de verantwoordelijkheid van het Waterschap op grond van de sinds 22 december 2009 van kracht zijnde Waterwet.

2.2.

Het Waterschap heeft bij brief van 18 januari 2011 aan [eiser] bericht dat een aannemer namens hem vanaf 27 januari 2011 baggerwerkzaamheden zal uitvoeren in de [naam]. Bij dit werk zal circa 7.640 m3 verspreidbare bagger uit de wetering worden verwijderd en gedeponeerd op de aan de wetering grenzende percelen. Tevens zal er circa 360 m3 niet verspreidbare baggerspecie worden verwijderd en afgevoerd naar een baggerdepot.

2.3.

[eiser] heeft aangegeven dat hij geen medewerking wil verlenen aan de uitvoering van de baggerwerkzaamheden. Bij brief van 3 maart 2011 heeft het Waterschap aan [eiser] bericht dat [eiser] gehouden is die medewerking wel te verlenen. In die brief is tevens vermeld dat het Waterschap niet verplicht is aan [eiser] een vergoeding te geven voor het ontvangen van de vrijkomende baggerspecie, maar dat het Waterschap daarvoor wel een financiële tegemoetkoming hanteert. Daarvoor kan een keuze worden gemaakt uit drie opties.

2.4.

In het voorjaar van 2011 is een deel van de [naam] gebaggerd. Bij aangetekende brief van 4 november 2011 heeft het Waterschap aan [eiser] bericht dat de baggerwerkzaamheden op 10 november 2011 in de [naam] nabij/op de percelen van [eiser] zullen worden voortgezet.

2.5.

Bij brief van zijn gemachtigde van 9 november 2011 heeft [eiser] het Waterschap aansprakelijk gesteld voor de schade die hij als gevolg van de baggerwerkzaamheden zal lijden.

2.6.

Op 10 november 2011 zijn de baggerwerkzaamheden uitgevoerd, waarbij de baggerspecie op de percelen van [eiser] is gedeponeerd.

2.7.

Bij rapport van 27 december 2011 heeft registerexpert ing.[A] van Agro Expertiseburo te Delfgauw in opdracht van [eiser] de schade van [eiser] als gevolg van de baggerwerkzaamheden begroot op € 6.320,00 exclusief btw. De expertisekosten bedragen € 641,25 exclusief btw.

2.8.

[eiser] heeft het Waterschap bij brief van 29 december 2011 aansprakelijk gesteld voor de door hem als gevolg van de baggerwerkzaamheden geleden schade ten bedrage van € 10.339,99, gespecificeerd als volgt:

  • -

    herstelkosten € 6.320,00

  • -

    expertisekosten €  641,25

  • -

    juridische bijstand € 1.728,02

  • -

    btw over € 8.689,07 € 1.650,92.

2.9.

Het Waterschap heeft deze aansprakelijkheid bij brief van zijn gemachtigde van 25 september 2012 afgewezen.

3 De vordering en het verweer

3.1.

[eiser] vordert om het Waterschap bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen om aan hem te betalen € 10.339,99 of zoveel meer of minder als de kantonrechter in goede justitie oordelend redelijk of billijk mocht achten, kosten rechtens.

3.2.

Ter onderbouwing van die vordering stelt [eiser] dat hij niet behoefde te gedogen dat de baggerspecie op zijn percelen zou worden gedeponeerd, zodat het Waterschap jegens hem een onrechtmatige daad heeft gepleegd. Het Waterschap heeft een schade veroorzaakt van € 10.339,99. Voorts is [eiser] van mening dat het Waterschap ook voor die schade aansprakelijk is als het Waterschap rechtmatig zijn bevoegdheden zou hebben uitgeoefend.

3.3.

Het Waterschap betwist dat hij onrechtmatig heeft gehandeld. [eiser] is op grond van artikel 5.23 lid 2 Waterwet gehouden de baggerspecie op zijn percelen te ontvangen. Baggeren wordt gezien als regulier onderhoud in de zin van dat artikel. Voorts heeft het Waterschap aan de verplichting voldaan om de onderhoudswerkzaamheden ten minste 48 uren van tevoren bekend te maken. Het Waterschap betwist verder ieder oorzakelijk verband tussen de uitgevoerde werkzaamheden en de door [eiser] gestelde schade, het bestaan van de schade, de omvang van de schade en de samenstelling van de schade. Hij heeft vastgesteld dat de baggerspecie geen verontreinigingen bevat die het deponeren op het bouwland van [eiser] verhinderden. Het is aan de ontvanger van die specie om deze op zijn land te verspreiden of op te ruimen. Bij tijdige uitvoering hiervan levert dit geen schade op. [eiser] heeft nagelaten de baggerspecie direct te verwerken na het deponeren op zijn percelen. Deze nalatigheid is in strijd met de wettelijke schadebeperkingsplicht van [eiser].

Het Waterschap is verder van mening dat ook de argumenten van [eiser] voor een financiële tegemoetkoming wegens rechtmatig handelen van het Waterschap falen. Hoewel een verplichting om een tegemoetkoming te verstrekken ontbreekt, hanteert het Waterschap drie opties in het kader van de ontvangst en afzet van baggerspecie. [eiser] heeft echter alle door hem aangeboden financiële tegemoetkomingen afgewezen.

4 De beoordeling

4.1.

Het Waterschap ontleent de bevoegdheid tot het uitvoeren van baggerwerkzaamheden aan de Waterwet. Ter beoordeling van de vraag of het Waterschap ter zake van het uitvoeren van die werkzaamheden onrechtmatig heeft gehandeld, is het bepaalde in artikel 5.23 Waterwet van belang. Dat artikel luidt als volgt:

“1. Rechthebbenden ten aanzien van onroerende zaken zijn gehouden onderhouds- en herstelwerkzaamheden aan waterstaatswerken te gedogen, voorzover die werkzaamheden geschieden door of onder toezicht van de beheerder.

2. Rechthebbenden ten aanzien van gronden, gelegen aan of in een oppervlaktewaterlichaam waarvan het onderhoud geschiedt door of onder toezicht van een beheerder, zijn gehouden op die gronden specie en maaisel te ontvangen, die tot regulier onderhoud van dat oppervlaktewaterlichaam worden verwijderd.

3. De beheerder stelt de rechthebbenden ten minste achtenveertig uur van tevoren schriftelijk in kennis van de voorgenomen werkzaamheden.”

4.2.

Uit het eerste lid van artikel 5.23 Waterwet volgt dat [eiser] gehouden is de in opdracht van het Waterschap als beheerder uitgevoerde baggerwerkzaamheden in de [naam] te gedogen. Partijen verschillen met name van mening over de vraag of [eiser] gehouden is de baggerspecie uit de [naam] op zijn percelen te ontvangen. Dat spitst zich toe op de vraag of hier sprake is van regulier onderhoud. [eiser] meent dat dit niet het geval is omdat er gedurende 65 jaar niet is gebaggerd, zodat hij het onderhoud aanmerkt als achterstallig onderhoud. Regulier onderhoud is volgens hem jaarlijks onderhoud. Het Waterschap meent dat wel sprake is van regulier onderhoud, ook al erkent het Waterschap dat er extra veel bagger is weggehaald in verband met de achterstand in het onderhoud.

4.3.

In de Memorie van Toelichting bij artikel 5.23 Waterwet is vermeld dat onder reguliere onderhouds- en herstelwerkzaamheden aan waterstaatswerken onder meer vallen het herstellen van beschadigingen aan waterkeringen, het uitvoeren van onderhoudsbaggerwerkzaamheden om wateren op de vereiste leggerdiepte te houden of ter verbetering van de water(bodem)kwaliteit, het herstellen van oeverafschuivingen, het plegen van onderhoud en het verrichten van reparaties aan stuwen en gemalen. Naar het oordeel van de kantonrechter blijkt daaruit dat de term regulier onderhoud niet moet worden opgevat in de beperkte zin die [eiser] voorstaat. Dat betekent dat het Waterschap niet onrechtmatig heeft gehandeld door de uit de [naam] afkomstige baggerspecie te deponeren op de percelen van [eiser]. Voor zover de vordering op onrechtmatig handelen van het Waterschap is gebaseerd, moet de vordering dus worden afgewezen.

4.4.

Voor zover de vordering op rechtmatig handelen van het Waterschap is gebaseerd, wordt overwogen dat zich de situatie kan voordoen waarin het niet redelijk is de schade als gevolg van de behartiging van een zwaarder wegend algemeen belang door de overheid ten laste te laten van de burger die daarvan nadeel ondervindt. Dan kan er aanleiding zijn voor nadeelcompensatie door de overheid. De grondslag van deze compensatie wordt ontleend aan het beginsel van de gelijkheid van burgers voor de openbare lasten (égalité devant les charges publiques). Op grond van dat beginsel komt slechts abnormale, dat wil zeggen buiten het normale maatschappelijk risico of ondernemersrisico vallende, op een beperkte groep burgers of instellingen drukkende schade voor vergoeding in aanmerking.

4.5.

In artikel 7.14 Waterwet is specifiek in de mogelijkheid van nadeelcompensatie voorzien. Dat artikel luidt voor zover hier van belang als volgt:

“1. Aan degene die als gevolg van de rechtmatige uitoefening van een taak of bevoegdheid in het kader van het waterbeheer schade lijdt of zal lijden, wordt op zijn verzoek door het betrokken bestuursorgaan een vergoeding toegekend, voor zover de schade redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en voor zover de vergoeding niet of niet voldoende anderszins is verzekerd.

(…)

4. Het besluit inzake de toekenning van de vergoeding wordt genomen bij afzonderlijke beschikking.”

4.6.

[eiser] heeft het Waterschap om vergoeding van zijn schade verzocht maar niet verzocht om een financiële tegemoetkoming overeenkomstig de door het Waterschap gehanteerde financiële regeling. Het Waterschap heeft het verzoek van [eiser] niet opgevat als een verzoek in de zin van artikel 7.14 Waterwet en daarover ten onrechte niet bij afzonderlijke beschikking beslist. Het Waterschap zal dat alsnog moeten doen. In het kader van die bestuursrechtelijke procedure zal de door het Waterschap gehanteerde financiële regeling kunnen worden getoetst en zullen de gronden die [eiser] voor het overige in deze procedure naar voren heeft gebracht, kunnen worden beoordeeld.

4.7.

Voor de vordering van [eiser] op grond van rechtmatig handelen van het Waterschap staat dus een met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang open. Overeenkomstig vaste rechtspraak van de Hoge Raad, zoals de uitspraak van 28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC0256), is de bestuursrechter in dat geval bevoegd ter zake van de beoordeling van de schadeveroorzakende uitoefening van de publiekrechtelijke bevoegdheid. De taakverdeling tussen de burgerlijke rechter en de bestuursrechter brengt dan mee dat de burgerlijke rechter het oordeel of een belanghebbende op grond van het égalité-beginsel recht heeft op vergoeding van schade die hij heeft geleden als gevolg van de uitoefening van de bevoegdheid door het bestuursorgaan, dient over te laten aan de bestuursrechter. Hieruit vloeit voort dat [eiser] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering voor zover die is gebaseerd op rechtmatig handelen van het Waterschap.

4.8.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van het Waterschap worden begroot op:

- salaris gemachtigde: € 600,00 (2 punten x tarief € 300,00).

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

wijst de vordering af voor zover die is gebaseerd op een onrechtmatige daad van het Waterschap;

5.2.

verklaart [eiser] niet ontvankelijk in zijn vordering voor zover die is gebaseerd op een rechtmatige daad van het Waterschap;

5.3.

veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van het Waterschap, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 600,00 aan salaris gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. van Binsbergen, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 11 december 2013.