Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:7089

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
31-10-2013
Datum publicatie
07-07-2014
Zaaknummer
AWB-13_2556
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2014:2770, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Mondelinge uitspraak inzake een wob-verzoek. Beroep ongegrond. Bewerkingsplicht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Lelystad

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 13/2556

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

31 oktober 2013 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. K.A. Faber),

en

de gemeenteraad van de gemeente Noordoostpolder, verweerder

(gemachtigde: mr. D. Kattenberg).

Procesverloop

Bij besluit van 13 juli 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser om verstrekking op grond van de Wet openbaarmaking van bestuur (Wob) van een tekstbestand van het gesprokene in de raad- en commissievergaderingen vanaf 1 januari 2012 tot heden, afgewezen.

Bij besluit van 24 januari 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2013. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en door zijn vader, [A]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De griffier van de gemeenteraad, [B], is ter zitting verschenen en gehoord.

Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1.

De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.

2.

Eiser voert aan dat zijn verzoek om informatie ten onrechte is afgewezen. Volgens eiser bestaat er op grond van artikel 23, vierde lid, van de Gemeentewet een wettelijke verplichting om schriftelijk verslag te leggen van de raadsvergaderingen, welk verslag voor een ieder openbaar behoort te zijn. Eiser stelt dat de raadsvergaderingen zijn gefilmd. Eiser wenst wat tijdens de raadsvergaderingen is besproken echter niet op film te bekijken, maar wil de informatie (woordelijk) op schrift. De raad heeft niet aannemelijk gemaakt dat er bezwaren zijn tegen het verstrekken van de gegevens op schrift. Eiser beroept zich op artikel 7, tweede lid, van de Wob en stelt dat op grond van de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 1 december 2011(AWB 11/1431) rekening gehouden dient te worden met de voorkeur van de verzoeker. Tegenwoordig kunnen mondelinge verslagen met een computer eenvoudig worden omgezet in een schriftelijk verslag. De stand van de techniek maakt omzetting op schrift heel goed mogelijk. Eiser beroept zich op een uitspraak van de rechtbank Assen van 14 juli 2009 (ECLI:NL:RBASS:2009:BJ8461), waarin is geoordeeld dat het doorzoeken van 600 personeelsdossiers naar tuchtrechtelijke besluiten geen reden is om het Wob-verzoek af te wijzen wegens onredelijke werklast. In dit geval zal de werklast zeker geringer zijn dan de werklast in die uitspraak. Om deze reden had het verzoek toegewezen dienen te worden. Eiser is van mening dat informatie op film niet valt te kwalificeren als voor het publiek toegankelijk maken van informatie, omdat daardoor bepaalde personen (bijvoorbeeld doven) worden uitgesloten van kennisname van de beraadslagingen van de gemeenteraad.

3.

Verweerder stelt zich hierover op het standpunt dat hij terecht besloten heeft tot afwijzing van het Wob-verzoek van eiser en dat er voor verweerder in dit geval geen bewerkingsplicht bestaat.

4.

Partijen verschillen van mening over de vraag hoe de informatie verstrekt moet worden. Eiser wil de informatie in woordelijke verslagen aangeleverd krijgen. Verweerder daarentegen stelt dat de informatie door middel van video-opnames van de raadsvergaderingen, te beluisteren via de gemeentelijke website, openbaar is gemaakt. De rechtbank overweegt dat er geen wettelijke verplichting bestaat om woordelijke verslagen te maken van raadsvergaderingen. Een dergelijke verplichting kan, anders dan eiser meent, niet worden opgemaakt uit artikel 23 van de Gemeentewet. Daarnaast is de gemeenteraad niet gehouden de informatie die op een geluiddragend document beschikbaar is om te zetten in een schriftelijk document. Uit de memorie van toelichting van de Wob komt naar voren dat er in het algemeen geen bewerkingsplicht bestaat van al openbaar gemaakte gegevens. De omstandigheid dat het besprokene tijdens de raadsvergadering openbaar is in de vorm van een geluidsopname laat onverlet dat een burger kan vragen om verstrekking van die informatie in een andere vorm. Het bestuursorgaan heeft bij verzoeken om informatie(verstrekking) de keuze tussen verschillende mogelijkheden. Daarbij is de voorkeur van de verzoeker mede bepalend. Dit houdt in dat, tenzij de vlotte voortgang der werkzaamheden bij het bestuursorgaan zou worden verstoord, aan een verzoeker de informatie uit een document op de wijze waarnaar zijn voorkeur uitgaat niet mag worden onthouden. Dit betekent dat in dit geval door verweerder moet worden aangetoond dat in verband met een vlotte voortgang van de werkzaamheden problemen kunnen rijzen wanneer eiser de notulen van de raadsvergaderingen woordelijk uitgetypt zou ontvangen. Verweerder heeft aangegeven dat het woordelijk uittypen van bandopnames een zeer tijdrovende aangelegenheid is. Ook heeft verweerder aangegeven dat er wellicht software op de markt is die transcriptie mogelijk maakt, maar dat zij daar niet over beschikt. Bovendien heeft de raad navraag gedaan bij de leverancier van het audio-videosysteem GemeenteOplossingen en is hieruit naar voren gekomen dat de software de videobestanden omzet met een foutmarge van 60% waardoor een intensieve nabewerking noodzakelijk is. Dit kan niet van de raad worden verwacht. Uit de brief van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 28 juni 2013 over de Webrichtlijnen en het rapport “Toegankelijkheid voor iedereen”, waarnaar eiser verwijst, blijkt niet dat het standpunt van verweerder onjuist is. De rechtbank komt dit standpunt van verweerder dan ook niet onredelijk voor en oordeelt dat qua tijdsbelasting en de daarmee gemoeide kosten er geen gehoudenheid is om de geluidsbanden om te zetten in woordelijke verslagen. De rechtbank voelt zich hierin gesteund door de uitspraken van de ABRvS van 14 maart 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BV8749) en van 5 juni 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:CA2102). Om deze reden kan het beroep van eiser op de uitspraak van de rechtbank Assen van

14 juli 2009 (ECLI:NL:RBASS:2009:BJ8461) niet slagen. Bovendien is er reeds een andere, voor eiser gemakkelijk toegankelijke openbare vorm van informatieverstrekking beschikbaar, namelijk de video-opnames van de raadsvergaderingen, te beluisteren op de gemeentelijke website. Door eiser is erop gewezen dat bepaalde mensen (bijvoorbeeld doven) zijn uitgesloten van de video-opnames van de raadsvergaderingen op de gemeentelijke website en dat daarom een beroep op artikel 7, tweede lid, onder b van de Wob niet opgaat. Echter op grond van genoemd artikel moet het gaan om een voor verzoeker gemakkelijk toegankelijke vorm. In dit geval zijn dat de video-opnames op de gemeentelijke website, nu door eiser niet is gesteld dat hij doof is of dat hij anderszins de video-opnames van de raadsvergaderingen niet kan beluisteren. Het door eiser ingeroepen belang om voor bepaalde groepen van personen (bijvoorbeeld doven) kennis te verkrijgen van wat besproken is in raadsvergaderingen maakt niet dat verweerder tot openbaarmaking van de gevraagde informatie in de vorm van woordelijke verslagen had moeten overgaan, nu die belangen voldoende zijn gewaarborgd met de al openbaar gemaakte gegevens in de vorm van video-opnames van de raadsvergaderingen. De rechtbank overweegt dat in dit geval niet gezegd kan worden dat met het weigeren van de gevraagde woordelijke verslagen van de raadsvergaderingen de bevordering van de goede en democratische bestuursvoering door transparantie van overheidshandelen in het gedrang komt.

5.

Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.C. Michon, rechter, in aanwezigheid van

mr. K. Janssens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 oktober 2013.

griffier rechter

De griffier is verhinderd dit proces-verbaal te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.