Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:7018

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
09-10-2013
Datum publicatie
20-02-2014
Zaaknummer
C-16-321727 - HA ZA 12-573
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vermogensadviesrelatie. Is de adviseur niet tekortgeschoten in zijn advisering. Adviseur meldt niet zijn plaatsingsvergoeding: geen causaal verband met beslissing te investeren. Geen bewijsopdracht of verzwegen is dat de adviseur zelf ook in het fonds investeerde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2014, afl. 3, p. 148
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/321727 / HA ZA 12-573

Vonnis van 9 oktober 2013

in de zaak van

1 [eiser sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. [eiser sub 2],

wonende te [woonplaats],

3. [eiser sub 3],

wonende te [woonplaats],

eisers,

advocaat mr. G.J.G. Bolderman,

tegen

naamloze vennootschap

VAN LIESHOUT & PARTNERS N.V.,

gevestigd te Utrecht,

gedaagde,

advocaat mr. M.L. Laumen.

Partijen zullen hierna [eisers] c.s. (in het meervoud) en VLP genoemd worden.[eisers] c.s. zullen afzonderlijk met hun voornaam worden aangeduid, dus [eiser sub 1], [eiser sub 2] respectievelijk [eiser sub 3].

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 23 mei 2012,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 29 november 2012

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eisers] c.s. zijn ondernemers in de meubelbranche. Door (mede) de nalatenschap van hun vader beschikten en beschikken zij over te beleggen vermogen.

2.2.

VLP legt zich onder meer toe op vermogensbeheer voor en vermogensadvies aan derden.

2.3.

Tussen partijen is in 2003 een overeenkomst van vermogensbeheer gesloten, na een ‘intake’ en een beleggingsvoorstel door VLP aan [eisers] c.s. van 4 september 2003. Deze overeenkomst is onder dezelfde voorwaarden in 2008 opnieuw gesloten, omdat de relatie met de betrokken depotbank werd beëindigd en een effectenrekening bij een nieuwe bank werd geopend. Het beheerde depot kwam in een gelijke verhouding aan [eiser sub 1], [eiser sub 2] en [eiser sub 3] toe.

2.4.

De intakeformulieren van 1 september 2003 zijn door [eiser sub 1], [eiser sub 2] en [eiser sub 3] afzonderlijk ingevuld. De door hen op die intakeformulieren opgegeven privévermogens tellen op tot 8,3 miljoen euro, waar tegenover zij een schuldenlast opgaven van opgeteld ongeveer 1,3 miljoen euro. Van hun vermogen hebben [eisers] c.s. circa 2,6 miljoen euro gezamenlijk in beheer gegeven aan VLP.

2.5.

Als beleggingsdoelstelling is op alle drie intakeformulieren ‘vermogensgroei op lange termijn’ opgegeven. Steeds is vermeld dat er geen ervaring bestond met beleggen. Uit zes opties is door [eisers] c.s. gekozen voor het beleggingsprofiel ‘gematigd offensief’ (drie opties waren defensiever, twee offensiever). Een en ander is door VLP conform overgenomen in het beleggingsvoorstel en/of (via bijlagen) in de overeenkomst van vermogensbeheer.

2.6.

In de vermogensbeheerovereenkomst gaven [eisers] c.s. aan VLP de opdracht en volmacht om vrij te beschikken over het beheerd vermogen, zij het binnen de beleggingsdoelstelling en volgens het risicoprofiel. Door middel van een ‘vermogensbeheerrapportage’ verplichtte VLP zich tegenover [eisers] c.s. per kalenderkwartaal inzicht te geven in de waarde en samenstelling van het beheerd vermogen. In de praktijk gaf VLP uitvoering aan haar beheer door [eisers] c.s. ook regelmatig bij te praten en tevoren van adviezen te voorzien. Voor haar werk is een aan VLP toekomende beheervergoeding overeengekomen van 0,125% per kwartaal over het beheerde vermogen.

2.7.

In de beheerovereenkomst is in art. 6 vastgelegd dat VLP bij het beheer ‘de nodige zorgvuldigheid’ in acht zal nemen en dat zij daarbij ‘naar beste kunnen’ met de belangen van [eisers] c.s. rekening zal houden. ‘Bij het uitvoeren van opdrachten zal (VLP) voorrang verlenen aan de belangen van ([eisers] c.s.) boven haar eigen belang.’

VLP heeft in art. 15 van de beheerovereenkomst de verplichting tegenover [eisers] c.s. op zich genomen om belangentegenstellingen zoveel mogelijk te voorkomen, waarbij verwezen wordt naar bijlage VI bij die overeenkomst, die volgens art. 18 net zoals de andere bijlagen integraal onderdeel vormt van de overeenkomst.

2.8.

In deze bijlage VI is (in paragraaf V) te lezen dat VLP bij een gerezen belangentegenstelling [eisers] c.s. meteen op passende wijze en voldoende gedetailleerd informeert. Verder is in deze bijlage VI (in paragraaf VI) vermeld dat het kan voorkomen dat VLP bij de uitgifte van een financieel product een plaatsingsvergoeding ontvangt van de uitgevende instelling. ‘In het geval een plaatsingsvergoeding verkregen kan worden, wordt u hiervan bij het aanbod op de hoogte gesteld.’

2.9.

In juni 2006 besloten [eisers] c.s. op advies van VLP te investeren in een project van de Schild groep, die onroerende zaken exploiteerde en ontwikkelde in Duitsland. Het ging om een kortlopende financiering (geldlening) voor de aankoop van onroerende zaken, ter overbrugging van de periode die daarna nodig was om de uitgifte op de markt te bewerkstellingen van obligaties in het desbetreffende onroerendgoedproject door de Schild groep, verder ook brugfinanciering genoemd. Deze brugfinanciering zou een looptijd hebben van 6 maanden, maar dat werden er achttien. De renteopbrengst voor [eisers] c.s. was 16,5%. In juli 2006 volgde een tweede brugfinanciering van appartementen in Bonn (BRD), wederom ten behoeve van de Schild groep. Het project ging niet door, waardoor [eisers] c.s. al snel een volledige aflossing verkregen, met een rente die een hoog rendement opleverde. Een derde brugfinanciering volgde in oktober 2008, weer ten behoeve van de Schild groep, voor een project van een woon- en winkelcomplex in Remscheid (BRD) met een looptijd van 6 maanden. Weer ging iets fout met het project en na een jaar kregen [eisers] c.s. 25% afgelost en 75% na anderhalf jaar. Hun rendement was 19%. Eind maart 2009 hebben [eisers] c.s. afgezien van de mogelijkheid opnieuw op vergelijkbare wijze te investeren in de Schild groep. [eiser sub 3] schreef aan VLP op 27 maart 2009, ook namens haar broers, dat zij deze keer niet meededen en dat zij nog druk bezig waren om zich erin te verdiepen. ‘Deelname van onze kant zou nu te ad hoc zijn, wellicht volgende keer.’

2.10.

Kennelijk op basis van de van 13 november 2009 genomen beslissing te investeren, stond begin 2010 van [eisers] c.s. gezamenlijk € 130.000,- uit als brugfinanciering in tranche 2 van de uitgifte van obligaties van de Stichting Schild Duitsland Vastgoed (verder te noemen het Winkelfonds). Net zoals de andere brugfinancieringen in de Schild groep stond dit bedrag niet op de depotrekening die door VLP werd beheerd.

2.11.

[eiser sub 2] besloot al eerder extra fondsen van hemzelf aan VLP in beheer te geven ter hoogte van oorspronkelijk ongeveer 1,7 miljoen euro, buiten het toenmalige door [eisers] c.s. gezamenlijk in beheer gegeven depot. Op 30 oktober 2009 heeft [eiser sub 2] hierover met VLP gesproken. Op 16 november 2009 heeft VLP aan [eiser sub 2] dit gesprek bevestigd in de vorm van een beleggingsvoorstel, waarin sprake is van onder meer een verdeling van dit vermogen, aldus: ‘€ 1,4 miljoen euro in een goed gespreide obligatieportefeuille, € 100.000,- in vastgoed overbruggingsfinancieringen en € 200.000,- risicodragend’. Dit voorstel is tussen [eiser sub 2] en VLP op 11 december 2009 besproken. Op die datum is door [eiser sub 2] ook een nieuw cliëntenprofiel ingevuld, waarin hij zijn ervaring met beleggen in vastgoedfondsen en obligaties omschrijft als ‘matig’, zijn risicoprofiel als ‘neutraal’ en hij een beleggingshorizon opgeeft van ongeveer 20 jaar.

[eiser sub 2] gaf te kennen dat hij een half miljoen euro wilde investeren in de Schild groep. Kennelijk is VLP niet volledig deze wens gevolgd, want in een nieuw beleggingsvoorstel van VLP op 14 december 2009 is het genoemde bedrag van € 100.000,- als te investeren in ‘vastgoed overbruggingsfinancieringen’ verhoogd naar € 200.000,-, waarbij het totale in beheer te geven extra vermogen was verlaagd tot 1,2 miljoen euro.

Op 11 december 2009 heeft [eiser sub 2] ingeschreven voor zes obligaties van nominaal

€ 50.000,- tegen een uitgiftekoers van 65% in het Winkelfonds. Het door hem ingelegde bedrag was aldus € 195.000,-.

2.12.

Eind 2009/begin 2010 deed zich weer een mogelijkheid voor te investeren in een project van de Schild groep, meer in het bijzonder in tranche 3 van de uitgifte van obligaties van de Stichting Schild Duitsland Residentie Obligatiefonds (verder te noemen het Residentiefonds). VLP adviseerde in een mail van 14 januari 2010 aan [eiser sub 2] € 100.000,- te investeren in ‘het woningenfonds’, waarmee kennelijk het Residentiefonds is bedoeld. Uit de woordkeus (‘jullie’) in de mail is af te leiden dat deze bedoeld was voor [eisers] c.s. en niet alleen voor [eiser sub 2].

De mail houdt in dat VLP het object in kwestie heeft bezocht en van haar indrukken en waarnemingen verslag doet. Voorts wordt meegedeeld dat tegen 65% van de nominale waarde van de obligaties wordt gekocht en dat Schild na een jaar ook tegen dit percentage terugkoopt. Het effectieve rendement is daardoor 10,8%, schrijft VLP. Als Schild nog een jaar later terugkoopt, zal dat tegen 70% van de nominale waarde zijn, waardoor het effectieve rendement oploopt naar bijna 20%. VLP noemt het een interessante belegging en wijst erop dat het rendement ‘op gewone obligaties’ het afgelopen jaar fors is teruggelopen. De mail sluit af met: ‘Gegeven de omvang van jullie portefeuille en jullie eerdere deelname vinden wij een investering van €100.000,- zonder meer verantwoord’.

2.13.

[eisers] c.s. konden niet tot een gezamenlijk besluit komen. [eiser sub 1] wilde niet meedoen, [eiser sub 2] wilde meedoen voor een hoger bedrag dan € 100.000,- en [eiser sub 3] wilde meedoen voor een lager bedrag. [eisers] c.s. besloten daarop om de gezamenlijke depotrekening bij VLP te beëindigen; ieder van hen liet de eigen (ontvlochten) portefeuille verder door VLP beheren. Kennelijk is na de ontvlechting van het gezamenlijke depot het aan [eiser sub 2] toegescheiden deel samengevoegd met zijn extra fondsen, genoemd in 2.11.

2.14.

Op 14 januari 2010 heeft [eiser sub 2] ingeschreven voor 61 obligaties van € 5.000,- nominaal in het Residentiefonds, tegen een uitgiftekoers van 65%, aldus inleggend een bedrag van € 198.250,-. Op 20 januari 2010 heeft [eiser sub 3] ingeschreven voor vijf dezelfde obligaties, aldus inleggend € 16.250,-. [eiser sub 1] heeft niet ingeschreven.

2.15.

Na 20 januari 2010 waren de posities aldus dat [eisers] c.s. € 130.000,- gezamenlijk hadden ingelegd in het Winkelfonds, dat [eiser sub 2] daarnaast € 195.000,- had ingelegd in het Winkelfonds en nog eens € 198.250,- in het Residentiefonds en [eiser sub 3] daarnaast € 16.250,- in het Residentiefonds. Alle inschrijvingen verliepen via VLP. Voor iedere inschrijving ontving VLP een eenmalige plaatsingscommissie van de Schild groep ter hoogte van 2,5%. Dat is niet bekend gemaakt door VLP aan [eisers] c.s. VLP nam zelf ook deel in brugfinancieringen van de Schild groep.

2.16.

Op de door[eisers] c.s. (of ieder van hen afzonderlijk) ingevulde en ondertekende inschrijvingsformulieren voor het Winkelfonds en het Residentiefonds, voorzover in deze procedure overgelegd, is steeds voorgedrukt dat ondergetekende het gehele prospectus heeft ontvangen en van de volledige inhoud heeft kennis genomen. De prospectussen die in deze procedure zijn overgelegd richten zich niet op de brugfinanciering waar [eisers] c.s. steeds aan deelnamen, nodig voor de aankoop van de onroerende zaken door de Schild groep, maar op de eindfinanciering door de uitgifte op de markt van obligaties na aankoop van de onroerende zaken. Eventuele risico’s specifiek verbonden aan de brugfinanciering staan niet afzonderlijk beschreven in deze prospectussen.

2.17.

In de eerste helft van 2010 raakte de Schild groep in financiële moeilijkheden. Het bleek niet doenlijk om de eindfinanciering van het Winkelfonds en het Residentiefonds door uitgifte van obligaties te bewerkstelligen. Op de brugfinanciering van beide fondsen werd sindsdien geen rente meer betaald en de brugfinanciering is tot nu toe niet afgelost.

3 Het geschil

3.1.

[eisers] c.s. vorderen dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, verklaart voor recht dat VLP toerekenbaar tekortgeschoten is, of onzorgvuldig of onrechtmatig heeft gehandeld en schadeplichtig is tegenover [eisers] c.s., of een of meer van hen afzonderlijk, met veroordeling van VLP in de proceskosten, met inbegrip van de nakosten.

3.2.

VLP voert verweer en concludeert tot afwijzing van het gevorderde, met veroordeling van [eisers] c.s. in de proceskosten en de nakosten, uitvoerbaar bij voorraad en te vermeerderen met wettelijke rente vanaf dag 15 na het vonnis met de proceskostenveroordeling, indien niet is betaald.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

4 De beoordeling

Ontvankelijkheid

4.1.

De rechtbank staat voor de vraag of [eisers] c.s. in hun vordering ontvankelijk zijn. Zij hebben uitsluitend een verklaring voor recht gevorderd, zonder eis tot schadevergoeding al dan niet op te maken bij staat. De rechtbank wijst op jurisprudentie, ook van hogere rechtscolleges, waarin bij gebrek aan in de procedure gesubstantieerd belang een dergelijke eis niet-ontvankelijk is verklaard. De rechtbank zal dat niet doen, omdat [eisers] c.s. wel een buiten-processuele verbinding met geleden (maar deels nog niet te begroten) schade hebben gelegd (dagvaarding 1.2), terwijl een ontvankelijkheidsverweer door VLP niet is aangevoerd

De verschillende relaties tussen partijen

4.2.

Uit de feiten volgt dat tussen [eisers] c.s. en VLP weliswaar een vermogensbeheerrelatie bestaat – neergelegd in de bij de dagvaarding horende akte overgelegde productie 2 en door de rechtbank onder meer vermeld in 2.3, 2.6, 2.7 en 2.8 – maar dat de gezamenlijke brugfinancieringen in de Schild groep daarbuiten vielen. Onweersproken heeft VLP immers gesteld dat de desbetreffende gelden niet tot het vermogensdepot behoorden dat zij voor [eisers] c.s. beheerde en dat zij ook de beheervergoeding niet in rekening bracht over de gelden die [eisers] c.s. in de brugfinancieringen investeerden. Tussen partijen bestaat ter zake deze investeringen slechts een adviesrelatie.

4.3.

Uit de adviesrelatie tussen partijen volgt dat niet VLP behoorde te beslissen, maar dat het aan [eisers] c.s. zelf was om te beslissen of en hoeveel zij zouden investeren in de Schild groep. Voorts blijkt uit de feiten dat ook binnen de beheerrelatie tussen VLP en [eiser sub 2] niet door VLP zelfstandig en naar eigen inzicht werd belegd in het Residentiefonds en het Winkelfonds. Integendeel, VLP heeft [eiser sub 2] eerst geadviseerd – in het kader van het advies over de spreiding binnen de naar verwachting te beheren extra portefeuille – te investeren tot € 100.000,- in ‘vastgoed overbruggingsfinancieringen’ binnen een extra beheerd vermogen van naar verwachting 1,7 miljoen euro en later tot € 200.000,- binnen een extra beheerd vermogen van naar verwachting 1,2 miljoen euro. Uit de feiten blijkt dat [eiser sub 2] en VLP toen al uitdrukkelijk over het Winkelfonds en het Residentiefonds spraken, zodat het ervoor gehouden moet worden dat het spreidingsadvies is gegeven en verkregen met die fondsen, in ieder geval op de korte termijn, voor ogen.

De adviesrelatie betreffende de investeringen van € 130.000,- en € 16.250,-

4.4.

In het kader van de adviesrelatie is de vraag of een naar redelijke maatstaven bekwaam en redelijk handelend adviseur het advies had mogen geven aan [eisers] c.s. (€ 130.000,-) en aan [eiser sub 3] (€ 16.250,-) als VLP heeft gedaan. Deze vraag moet worden beantwoord in het licht van de omstandigheden van het geval. De omstandigheden waarmee de rechtbank rekening houdt, zijn de volgende.

[eisers] c.s. beschikten over een vermogen van 8,3 miljoen euro in 2003, toen de (beheer)relatie met VLP ontstond. Daarvan is toen 2,6 miljoen euro (waarvan in 2009/2010 2,5 miljoen euro restte) in beheer gegeven bij VLP, welk deel als volledig vrij vermogen had te gelden, in die zin dat [eisers] c.s. dat vermogen niet hadden bestemd voor enig ander concreet doel dan vermogensvermeerdering op de lange termijn. Hun beleggingshorizon was dus ook lang. Het risicoprofiel waarvoor in 2003 [eisers] c.s. binnen de beheerrelatie kozen was ‘gematigd offensief’ en dat bleef sindsdien ongewijzigd. In 2009/2010 hadden [eisers] c.s. intussen drie keer belegd in de Schild groep met brugfinancieringen. De rendementen waren steeds hoog. [eisers] c.s. hebben – kennelijk na beraad: ‘deelname (…) zou nu te ad hoc zijn’ – in 2009 een investeringsgelegenheid overgeslagen. Ten tijde van de adviezen van VLP die onderwerp van dit geschil zijn, hadden [eisers] c.s. geen positie meer in de Schild groep. Het advies eind 2009 hield kennelijk in om €130.000,- gezamenlijk te investeren in het Winkelfonds en het advies begin 2010 hield in om € 100.000,- gezamenlijk te investeren in het Residentiefonds. VLP heeft het project bezocht waarin het Residentiefonds zou investeren en heeft daarvan verslag gedaan aan [eisers] c.s.

De rechtbank gaat er verder van uit dat [eisers] c.s. beschikten over de prospectussen betreffende alle objecten/projecten waarin zij investeerden. Zij hebben voor de ontvangst en kennisname van de volledige inhoud van de prospectussen getekend. Hun stelling dat deze prospectussen niet in hun bezit waren, hebben zij ingetrokken op de comparitie. Zij hebben zich toen op het standpunt gesteld dat zij niet meer wisten welke prospectussen zij ontvangen hebben, maar dat die van de derde tranche van het Residentiefonds daar niet bijzat. Gelet op de genoemde ondertekening is (dwingend) bewezen dat [eisers] c.s. de prospectussen hebben ontvangen en hun stellingen betreffende het tegendeel zijn te mager, te vaag en te wisselend om tot de conclusie te kunnen voeren dat dit misschien toch anders is geweest. Aan een bewijsopdracht aan [eisers] c.s. op dit punt komt de rechtbank dus niet toe.

4.5.

De rechtbank gaat eerst in op de vraag of de gegeven adviezen van VLP als naar redelijke maatstaven bekwaam beschouwd kunnen worden.

De stelling van [eisers] c.s. dat deze investeringen niet pasten bij hun beleggingsdoel gaat niet op, want anders dan vermogensvermeerdering op de lange termijn, was er geen concreet beleggingsdoel. Dat de onderhavige fondsen niet konden bijdragen aan vermogensvermeerdering op de lange termijn, is in strijd met de feiten. Eerder zijn er hoge rendementen behaald. Dat de looptijd van de brugfinancieringen niet als ‘lange termijn’ gekenschetst kan worden, is niet van belang. Het is immers heel wel mogelijk vermogensvermeerdering op de lange termijn na te streven en te bereiken louter met (elkaar opvolgende) beleggingen met een korte looptijd.

4.6.

De stelling van [eisers] c.s. dat deze investeringen niet pasten bij hun cliëntprofiel gaat evenmin op. De rechtbank volgt [eisers] c.s. in hun impliciete stelling dat dit profiel, hoewel gemaakt in verband met de vermogensbeheerrelatie, ook van toepassing is op hun overige beleggingen in de adviesrelatie. Het had op de weg van VLP gelegen het tegendeel te betogen, maar dat heeft VLP niet gedaan.

De rechtbank begrijpt deze stelling van [eisers] c.s. aldus dat deze beleggingen door [eisers] c.s. in strijd worden geacht met vooral hun risicoprofiel. De beleggingen waren zeer waarschijnlijk meer risicovol dan ‘gematigd offensief’, maar in verhouding tot het totale belegde vermogen van [eisers] c.s. – voorzover VLP dat kon overzien – vormde deze investering maar een klein tot heel klein deel, waardoor de stelling van [eisers] c.s. dat er in strijd met hun risicoprofiel is belegd veel meer toelichting in het licht van hun totale beleggingsportefeuille nodig heeft. Die toelichting ontbreekt, waardoor de stelling als onvoldoende onderbouwd door de rechtbank wordt gepasseerd.

Voorzover [eisers] c.s. ook willen betogen dat de brugfinancieringen niet passen bij hun beleggingservaring, gaat de rechtbank daaraan voorbij. Uit de feiten blijkt dat zij intussen specifieke ervaring hadden met deze brugfinancieringen, dat zij zich terzake lieten voorlichten en bijpraten door VLP en dat zij zich ook verdiepten in deze brugfinancieringen, waardoor zij de adviezen van VLP tot belegging niet steeds volgden (zie 2.9 slot). Gegeven deze feiten en omstandigheden had het op de weg van [eisers] c.s. gelegen meer toe te lichten op dit punt dan door te stellen dat hun beleggingservaring in 2003 ontbrak en dat deze sindsdien niet is toegenomen omdat zij alleen belegden via VLP. Die extra toelichting ontbreekt echter.

De conclusie luidt dat de advisering van VLP voldoet aan de norm van een naar redelijke maatstaven bekwaam vermogensadvies/vermogensadviseur.

4.7.

Bij het geven van het advies moet VLP ook redelijk gehandeld hebben.

[eisers] c.s. beschikten weliswaar over de prospectussen, maar het staat vast dat specifieke risico’s die samenhangen met de brugfinanciering niet in deze prospectussen staan. Gegeven echter de eerdere drie investeringen door [eisers] c.s. in brugfinancieringen van de Schild groep, het beraad van [eisers] c.s. toen zij een vierde mogelijkheid tot investering in brugfinancieringen niet benutten, de ontvangst van de prospectussen, het (kunnen) kennisnemen van de volledige inhoud van die prospectussen, en het algemeen bekende feit dat rendement en risico rechtevenredig plegen samen te hangen, terwijl het rendement op de eerste drie brugfinancieringen hoog was, mocht VLP de risico’s van deze brugfinancieringen bij [eisers] c.s. bekend veronderstellen en behoefde VLP eind 2009 en begin 2010 niet verder te gaan in haar advisering dan zij deed. Dat geldt evenzeer op het punt van de trustverhoudingen. Die trustvoorwaarden zitten als bijlagen bij de prospectussen waarvan door [eisers] c.s. is erkend dat die door hen zijn ontvangen. De desbetreffende voorwaarde staat duidelijk onder het vetgedrukte kopje ‘Exclusieve bevoegdheid Trustee’ in die trustvoorwaarden. Dat er een trustverhouding was blijkt ook voldoende duidelijk uit de hoofdteksten van de prospectussen. Dat [eisers] c.s. nu niets meer zelf tegen de Schild groep of de stichtingen kunnen ondernemen, omdat de bevoegdheid daartoe bij de trustee berust, kan dan ook niet aan VLP worden toegerekend.

4.8.

Het staat vast dat VLP bij iedere plaatsing van obligaties voor de brugfinanciering een eenmalig rendement kreeg van 2,5% van (naar de rechtbank aanneemt) het ingelegde bedrag. Verder staat vast dat VLP daarop [eisers] c.s. niet heeft gewezen, hoewel de inschrijving op deze obligaties door [eisers] c.s. via VLP als lasthebber liep. Deze handelwijze is in strijd met art. 7:418 BW en aldus een tekortkoming van VLP tegenover [eisers] c.s. respectievelijk [eiser sub 3]. Echter is door [eisers] c.s. geen enkele stelling ontwikkeld, althans onderbouwd, omtrent het causaal verband tussen dit nalaten van VLP en schade aan de zijde van [eisers] c.s. Een concrete reactie van [eisers] c.s. op het verweer van VLP dat zij de transacties ook zouden zijn aangegaan als zij van de vergoeding aan VLP hadden geweten en dat [eisers] c.s. andere goede redenen hadden om de transacties aan te gaan, ontbreekt. Daardoor beschouwt de rechtbank dit verweer als geslaagd en ontbreekt het causaal verband. Bij een verklaring voor recht op dit punt hebben [eisers] c.s. daardoor geen processueel belang meer.

4.9.

Het staat verder vast dat VLP ook zelf in de onderhavige fondsen had geïnvesteerd. Dat kan een tegenstrijdig belang opleveren. VLP kon er immers belang bij hebben dat ook anderen een positie namen in de desbetreffende obligaties en deze dus uit eigen belang adviseren. Dat tegenstrijdige belang had VLP moeten melden aan [eisers] c.s. Een dergelijke melding is als verplichting van VLP opgenomen in de vermogensbeheerrelatie tussen partijen, maar de verplichting daartoe volgt ook uit de aard van de adviesrelatie. Partijen verschillen van opvatting of VLP dit feit heeft gemeld. Bij gebrek aan een concreet processueel vormgegeven schadebelang, ziet de rechtbank geen reden een van partijen op dit punt tot bewijslevering toe te laten. Dat moet maar gebeuren in de eventuele procedure die [eisers] c.s. nog beginnen tegen VLP over vergoeding van hun schade, indien het processuele debat in die procedure daar tenminste aanleiding toe zou geven. Tot het geven van een verklaring voor recht dat VLP op dit punt tegenover [eisers] c.s. en [eiser sub 3] is tekortgeschoten, gaat de rechtbank dus niet over, omdat een en ander niet vaststaat en een concreet processueel belang in deze procedure bij [eisers] c.s. en [eiser sub 3] ontbreekt.

4.10.

De stelling van [eisers] c.s. dat zij twijfelen of een goed onderzoek door VLP heeft plaatsgevonden naar het desbetreffende project in het Residentiefonds, is te vaag en te weinig onderbouwd. Die stelling is vooral gebaseerd op de constatering achteraf dat het niet goed ging met de Schild groep, maar dat zegt niet dat dit voor VLP op basis van de door haar te verkrijgen informatie was te voorzien. Hetzelfde geldt voor de door [eisers] c.s. in twijfel getrokken moraliteit van het bestuur van de Schild groep, althans van de stichtingen die de onderhavige fondsen beheren. De stelling over het niet verkrijgen van een tweede hypotheek, gaat uit van de impliciete veronderstelling dat VLP die had kunnen verkrijgen voor [eisers] c.s., wat zodanig twijfelachtig is dat een stevige extra toelichting van [eisers] c.s. op dit punt nodig is. Er is echter niets toegelicht, reden om aan dit verwijt voorbij te gaan.

4.11.

Ook het verwijt dat de mail van 14 januari 2010 van VLP over het Residentiefonds aan [eisers] c.s. onzorgvuldig was, gaat niet op. In die mail staan geen fouten. Dat geldt ook voor de tekst over het oplopen van de terugkooppercentage naar 70% in het tweede jaar. Er staat niet dat in dat jaar per se zal worden teruggekocht en ook niet dat de Schild groep daartoe verplicht was. De inschrijvingsformulieren zijn bovendien op dit punt glashelder. [eisers] c.s. zijn aldus niet misleid en voldoende voorgelicht.

4.12.

Verdere stellingen over het handelen van VLP in de adviesrelatie tussen haar en [eisers] c.s. en tussen haar en [eiser sub 3] zijn door [eisers] c.s. niet geponeerd, zodat de rechtbank binnen deze relaties geen verder oordeel hoeft te geven.

De relatie met tussen VLP en [eiser sub 2]

4.13.

Of tussen [eiser sub 2] en VLP daadwerkelijk een vermogensbeheerovereenkomst voor een extra bedrag van 1,2 miljoen euro is aangegaan en tegen welke voorwaarden, is niet in deze procedure gebleken. Wel begrijpt de rechtbank dat het hele bedrag vrij vermogen is geweest, in die zin dat het niet bestemd was voor enig concreet doel de eerste 20 jaar na het aangaan van deze overeenkomst. De rechtbank wordt daarin gesterkt door de onweersproken stelling van VLP dat [eiser sub 2] eerst 1,7 miljoen in beheer had willen geven, maar in tweede instantie besloot een half miljoen ‘cash te houden voor andere leuke voorbijkomende investeringsopportunities’.

Ongeacht of sprake is van een relatie van vermogensbeheer of van een adviesrelatie geldt het volgende. Uit de feiten blijkt dat VLP [eiser sub 2] heeft geadviseerd over een portefeuilleverdeling binnen het extra te beheren vermogen. Dit advies hield in tweede instantie in dat [eiser sub 2] van de genoemde 1,2 miljoen euro € 200.000,- zou bestemmen voor investeringen als in de Schild groep. Het was toen al duidelijk dat [eiser sub 2] méér wilde investeren in de Schild groep, namelijk een half miljoen euro. Hij liet dat weten in reactie op het eerste advies van VLP over een portefeuilleverdeling, zijnde € 100.000,- voor investeringen als in de Schild groep binnen een te verwachten beheerportefeuille van (toen nog) 1,7 miljoen euro. Het advies van VLP is getuigt niet van onbekwaamheid, gelet op de omstandigheden van het geval, met name op het grote vermogen dat [eiser sub 2] vrij kon beleggen (€ 930.000,- als zijn afgesplitste deel uit het eerder gezamenlijke depot en 1,7 miljoen extra), ook in relatie met het ‘neutrale’ risicoprofiel dat [eiser sub 2] koos. Wat betreft haar handelwijze kan VLP verweten worden dat zij haar plaatsingscommissie niet heeft vermeld, zoals ook al genoemd in 4.8, wat niet tot de gevraagde verklaring voor recht kan leiden op de daar genoemde gronden. Ook zou VLP het nemen van eigen posities aan [eiser sub 2] hebben moeten melden, waarbij de rechtbank in deze procedure, op dezelfde gronden als vermeld in 4.9, in het midden laat of dat is gebeurd.

Maar in wezen doet het er ten aanzien van [eiser sub 2] niet toe of VLP een naar redelijke maatstaven bekwaam en redelijk handelend vermogensbeheerder of adviseur is geweest. Uit de feiten rijst het massieve beeld op dat [eiser sub 2] vast van plan was tot een substantieel grotere investering in de Schild groep dan VLP in eerste en in tweede instantie adviseerde. Veelzeggend acht de rechtbank dat [eiser sub 2] na een investering in het Winkelfonds op 11 december 2009 van bijna € 200.000,-, op 14 januari 2010 – de dag dat de mogelijkheid van een investering in het Residentiefonds aan [eisers] c.s. was bekendgemaakt door VLP – nog eens € 200.000,- in dat Residentiefonds heeft geïnvesteerd. [eiser sub 2] trok zijn eigen plan en liet zich niet anders adviseren. Dat is zijn goed recht, maar daarbij past niet dat hij vervolgens aan VLP verkeerde advisering verwijt. [eiser sub 2] luisterde niet naar VLP, dus is er geen verband tussen het advies en handelen van VLP – goed of fout – en de beslissingen van [eiser sub 2] en evenmin een verband tussen het advies en de schade die [eiser sub 2] mogelijk zal leiden en heeft geleden.

Voorzover [eisers] c.s. betogen dat op VLP de plicht rustte met meer nadruk en inspanningen [eiser sub 2] van zijn voornemen af te houden, dan vindt dat betoog geen grondslag in het recht. [eiser sub 2] handelde met vrij vermogen, waarvan zijn financiële bestaan niet afhing of afhangt. Dan rust op VLP als adviseur of vermogensbeheerder van [eiser sub 2] niet de plicht hem van zijn vaste voornemen te doen afzien of aan de uitvoering daarvan haar medewerking te weigeren.

4.14.

De rechtbank acht het zodanig onwaarschijnlijk dat [eiser sub 2] zich van zijn voornemens had laten afhouden als hij had geweten dat VLP een plaatsingsvergoeding kreeg (zie 4.8) respectievelijk (indien al daadwerkelijk onbekend bij [eiser sub 2]) dat VLP ook een eigen positie had genomen in deze fondsen (zie 4.9), dat zij geen causaal verband aanneemt tussen deze verwijten aan het adres van VLP en de eventueel door [eiser sub 2] geleden schade. Dat betekent dat [eiser sub 2] geen belang heeft bij de door hem voor gevraagde verklaring voor recht dat VLP jegens hem toerekenbaar is tekortgeschoten, of onzorgvuldig dan wel onrechtmatig heeft gehandeld. Deze verklaring voor recht zal de rechtbank niet geven, ook waar het [eiser sub 2] afzonderlijk betreft.

Slotsom en kosten

4.15.

Uit het voorgaande volgt dat [eisers] c.s. in hun eis tot het geven van een verklaring voor recht niet-ontvankelijk zijn wegens het ontbreken van in deze procedure gesubstantieerd processueel belang waar sprake is van tekortschieten door VLP (4.8 en 4.9) respectievelijk dat deze verklaring voor recht aan hen voor het overige zal worden ontzegd, omdat niet is komen vast te staan dat VLP fouten heeft gemaakt en daardoor toerekenbaar tekort geschoten is tegenover [eisers] c.s. of een van hen. Voorzover de eis tot een verklaring voor recht omvat dat VLP onrechtmatig tegenover [eisers] c.s. heeft gehandeld, treft deze eis op dezelfde gronden hetzelfde lot. De slotsom is dus dat het gevorderde wordt afgewezen.

4.16.

[eisers] c.s. worden veroordeeld in de proceskosten, die aan de zijde van VLP worden begroot op € 267,- aan verschotten (griffierecht) en op € 904,- aan salaris (2 punten volgens tarief II, dat hoort bij zaken van onbepaalde waarde).

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst het gevorderde af,

5.2.

veroordeelt [eisers] c.s. in de proceskosten, aan de zijde van VLP begroot op

€ 1.171,-.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Verschoof, mr. G.A. Bos en mr. J.W. Frieling en in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2013.1

1 type: RV (4237)