Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:6254

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
06-12-2013
Datum publicatie
11-12-2013
Zaaknummer
07-993018-10 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte in de Urker visfraudezaak is door de rechtbank Midden-Nederland vrijgesproken van het plegen van valsheid in geschrift.

Verdachte werd ervan verdacht dat zij valse facturen had opgemaakt voor leveringen van vis aan veelal buitenlandse afnemers. De verdenking was dat feitelijk yellowfin sole of schar geleverd werd, terwijl op de facturen de (destijds) duurdere schol stond vermeld. De rechtbank is van oordeel dat het vermelden van schol op de factuur terwijl er YFS of schar geleverd werd een valsheid in de zin van artikel 225 Sr oplevert. Tevens is de rechtbank van oordeel dat verdachte, middels het toerekenen van opzet van de bestuurder, opzet daartoe gehad. De rechtbank acht het oogmerk tot misleiding echter niet bewezen en spreekt verdachte daarom vrij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Lelystad

Parketnummer: 07.993018-10 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 6 december 2013

in de strafzaak tegen

[verdachte],

gevestigd te[postcode] te [vestigingsplaats], [adres].

1 HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het onderzoek ter terechtzitting is aangevangen op 12 april 2011. Het onderzoek ter terechtzitting is hervat op 23 september 2011, waarna er op 6 oktober 2011 een tussenvonnis is gewezen. Verdachte is telkens verschenen, vertegenwoordigd door [A], bijgestaan door mr. V.L. Koppe, advocaat te Amsterdam. Op 21 november en 22 november 2013 is het onderzoek ter terechtzitting hervat, op welke data de inhoudelijke behandeling van de strafzaak heeft plaatsgevonden. Verdachte is wederom verschenen, vertegenwoordigd door [A], bijgestaan door mr. T.M.D. Buruma, advocaat te Amsterdam.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. W.H. Frank en van de standpunten door de raadsvrouw van verdachte naar voren gebracht.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

2 DE TENLASTELEGGING

De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking in de strafzaak komt er, kort en feitelijk weergegeven op neer dat verdachte:

tezamen en in vereniging met [bedrijf 1] en/of[B] en/of [A] en/of[C] en/of met (een) andere rechtsperso(o)nen en/of natuurlijke perso(o)nen in de periode van 1 december 2005 tot

18 februari 2008 te Urk en/of Nunspeet valsheid in geschrifte heeft gepleegd door valse facturen op te maken door in de facturen Schol/Scholfilet(s)/Scholle(nfillets)/ Rocksole/ Kutterschol op te nemen terwijl er Yellowfinsole dan wel Rocksole dan wel schar vermeld had moeten worden.

Ten gevolge van een kennelijke vergissing staat in de tenlastelegging in de eerste regel "[bedrijfsnaam]” in plaats van "[bedrijf 1]". De rechtbank herstelt deze vergissing door het laatste te lezen voor het eerste. Blijkens het onderzoek ter terechtzitting wordt de verdachte daardoor in de verdediging niet geschaad.

3 DE VOORVRAGEN

Geldigheid van de dagvaarding

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat de dagvaarding ten aanzien van het gedeelte met (een) andere rechtsperso(o)nen en/of natuurlijke perso(o)nen (partieel) nietig verklaard dient te worden Daartoe heeft zij aangevoerd dat deze bewoordingen onvoldoende specifiek zijn in de zin van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering, nu noch uit de tenlastelegging zelf, noch in samenhang met het dossier voldoende te begrijpen is welke natuurlijke personen en/of rechtspersonen hier zijn bedoeld.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft betoogd dat de tenlastelegging voldoende duidelijk is nu de tenlastelegging in samenhang met het dossier gelezen dient te worden.

Het oordeel van de rechtbank

De dagvaarding behelst de opgave van het feit dat ten laste wordt gelegd, aldus artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering. Die opgave heeft tot doel de verdachte ten behoeve van zijn verdediging kenbaar te maken welk voorval hem verweten wordt en de rechter onder meer in staat te stellen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting zijn bevoegdheid en de ontvankelijkheid van de officier van justitie te beoordelen.

De rechtbank is van oordeel dat de dagvaarding voor wat betreft het gedeelte met (een) andere rechtsperso(o)nen en/of natuurlijke perso(o)nen nietig verklaard dient te worden.

Zij overweegt daartoe dat het procesdossier zich niet beperkt tot de verdachten die vermeld zijn in het eindproces-verbaal. In de keten waarin het ten laste gelegde zich afspeelt, bevinden zich immers meer afnemers c.q. natuurlijke personen en rechtspersonen. Nu onvoldoende bepaald is welke andere natuurlijke- en rechtspersonen voorwerp van de tenlastelegging zijn, is niet duidelijk welk verwijt de rechtbank in zoverre dient te onderzoeken en tegen welk verwijt de verdediging zich in zoverre moet verdedigen. 

De rechtbank verklaart derhalve de dagvaarding op voornoemd punt nietig.

De rechtbank heeft voorts vastgesteld dat de dagvaarding voor wat betreft het overige geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

Inleiding

1) Uit een rapport van de Voedsel en Waren Autoriteit (hierna: VWA) d.d. 09-11-2005, getiteld ‘Impasse in de vissector’ is bekend geworden dat vanwege vangstbeperkende maatregelen en hoge exploitatiekosten vraag en aanbod van de reguliere vissoorten onder druk zijn komen te staan. Om deze problemen te ondervangen zou de vissector een goedkopere vissoort te verkopen voor een duurdere vissoort. Filets van de uit de wateren in Oostelijk Azië afkomstige Yellow Fin Sole (hierna: YFS) (Limanda Aspera) zou verkocht worden als een filet van schol (Pleuronectes Platessa).

2) Op 24 augustus 2005 is door VWA controleur [D] bij een controle bij [bedrijf 2] geconstateerd dat op de palletbonnen op de pallets met vis staat aangegeven dat het om scholfilet gaat, terwijl de pallets in werkelijkheid YFS bevatten. Voorts werden dozen met YFS, welke waren ingeslagen bij [bedrijf 2] als YFS, door [bedrijf 2] gestickerd als scholfilet. Het ging hierbij om vis die in opdracht van verdachte [bedrijf 3] is geglaceerd bij [bedrijf 1]

3) Op 26 september 2006 is door VWA controleur [E] tijdens een controle bij [bedrijf 1] vastgesteld dat YFS, bestemd voor [bedrijf 3] werd geglaceerd en verpakt in dozen. Voornoemde dozen werden op een pallet gezet en voorzien van een palletkaart met daarop de tekst ‘scholfilet 2 wit’. Onderaan de pallet stond met de hand geschreven de term ‘YF’.

4) Op 7 augustus 2007 is door VWA seniorcontroleur [F] een controle uitgevoerd bij het vrieshuis [bedrijf 2]. Tijdens deze controle zag hij dat op een aantal pallets met dozen met vis een palletsticker werd gestoken met daarop de aanduiding YFS DD Paneer alsmede de naam[bedrijf 3] Met betrekking tot één van voornoemde pallets werd op de dozen een sticker aangebracht waarop de naam Pleuronectes Platessa stond vermeld.

5) Door de FIOD is, in samenwerking met een Deense zusterdienst, in 2007 onderzoek gedaan waaruit bleek dat de feitelijk aan[bedrijf 3]geleverde YFS, in 2005, bij import onjuist is omschreven als Pleuronectes Platessa (scholfilet).

6) Op 24 januari 2008 werd op basis van heb bovenstaande besloten tot het openen van een onderzoek onder de naam ‘Kwets’ naar verschillende rechts- en natuurlijke personen, werkzaam in de vissector. Diverse afnemers in de vissector zijn als getuigen gehoord.

7) [bedrijf 4] is binnen het onderzoek Kwets als verdachte aangemerkt.

Deze rechtspersoon wordt echter niet vervolgd omdat zij sinds 1 september 2009 is opgehouden te bestaan. [verdachte] is gedagvaard als verdachte. Blijkens het uittreksel van de Kamer van Koophandel is [bedrijf 5] enig aandeelhouder en is [A] directeur.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft - blijkens een aan de rechtbank overlegd schriftelijk requisitoir - gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld. Daartoe heeft hij onder meer verwezen naar de uitgewerkte subdossiers met betrekking tot de facturen in het zaaksdossier. De officier van justitie heeft tevens gewezen op de zich in het dossier bevindende getuigenverklaringen van de Duitse afnemers van verdachte.

Voorts heeft de officier van justitie gesteld dat voor de handel in vis de EG-verordening 104/2000, de Warenwet, het Warenwetbesluit Visserijproducten en de Warenwetregeling Handelsbenamingen Vis van belang zijn. Uit deze regelgeving kan afgeleid worden dat op de dozen en de pallets de handelsnaam en/of wetenschappelijke naam vermeld moet worden.

Op de facturen dient zodoende ook de juiste benaming vermeld te worden. Op de facturen van verdachte werd schol opgenomen terwijl er ‘YFS’, Rocksole of schar geleverd werd. Van het feit dat er andere vis geleverd werd dan er gefactureerd werd, waren de afnemers niet op de hoogte. Zelfs indien zij hiervan wel op de hoogte waren dan nog is er sprake van misleiding van de consument nu niet kenbaar is welk proces het eindproduct heeft doorlopen. Uit de prijs kon niet afgeleid worden dat er geen schol geleverd werd, doet niet ter zake. In de handel kunnen vele andere factoren invloed hebben op de prijs.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft – blijkens een aan de rechtbank overlegde pleitnota- betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Daartoe heeft zij

primair gesteld dat de verkeerde rechtspersoon gedagvaard is. [bedrijf 6] is sinds

1 september 2009 opgegaan in [bedrijf 4] De werkzaamheden van het oude verkoopbedrijf[bedrijf 4] en [bedrijf 6] werden sindsdien uitgeoefend binnen [bedrijf 4] Verdachte[verdachte] is slechts de naamopvolger van het oude [bedrijf 4] Uit de bij de Kamer van Koophandel gedeponeerde taakomschrijving blijkt dat verdachte in vermogensbeheer doet en geen groothandel is. In werkelijkheid is verdachte een slapende B.V. Verdachte is dan ook niet de opvolgende rechtspersoon van [bedrijf 4] en [bedrijf 6]

Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat het enkele in strijd met een rechtsplicht nalaten van het vermelden van bepaalde gegevens onvoldoende is om valsheid in geschrifte aan te nemen. Beslissend is uiteindelijk of de werkelijkheid door het achterhouden van gegevens geweld is aangedaan.

Terminologie

[A] heeft consequent aangegeven dat de gebruikte terminologie de werkelijkheid weergaf. De regelgeving waarnaar de officier van justitie heeft verwezen, heeft bovendien slechts beperkte waarde nu deze niet toeziet op de facturering. Tevens is van belang dat de verordening niet van toepassing is op alle visproducten. De gebruikte termen op de facturen waren in het maatschappelijk verkeer aanvaard en klopten met de realiteit.

In dit verband heeft de raadsvrouw verwezen naar de biologische eigenschappen van de vissoorten, de algemene benaming van Pleuronectus voor scholachtigen, de literatuur en de verklaringen van de VWA medewerkers [D] en [G]. De termen werd derhalve niet gebruikt om te verhullen welke vis er geleverd werd.

Opzet / Oogmerk op misleiding

Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat er geen sprake is van opzet op de valsheid omdat [B] en [A] er van overtuigd waren dat zij de term ‘schol’ mochten gebruiken.

In de gevallen waarin YFS geleverd werd in plaats van Rocksole dachten zij dat zij daadwerkelijk Rocksole leverden. Voor wat betreft de levering van schar was [A] er van overtuigd dat hij schar als importschol mocht leveren. Daarnaast ontbreekt het oogmerk op misleiding omdat de afnemers wisten welke vis zij geleverd kregen. De afgesproken prijs stond ook op de factuur.

Verlaadfout

Met betrekking tot de laatste drie transacties op de tenlastelegging (levering van schar) heeft de raadsvrouw betoogd dat er een onderscheid gemaakt dient te worden tussen de leveringen aan [bedrijf 7], [bedrijf 8] en [bedrijf 9]. Bij de leveringen aan [bedrijf 7] en [bedrijf 8] is er namelijk sprake geweest van een laadfout.[B] en [A] hebben hier ook over verklaard. Bij deze laadfouten was er eveneens geen sprake van opzet op een valse factuur en oogmerk tot misleiding.

Voorts heeft de raadsvrouw aangevoerd dat niet voldoende is dat een valse factuur in een lade wordt weggestopt. Er dient gelet op de jurisprudentie1 gebruik gemaakt te worden van de valse factuur. Bovendien waren de facturen alleen van belang voor de administratie van de verschillende B.V.’s, maar vervulden zij tegenover derden (controleurs, belastingdienst) geen beslissende rol.

Periode

Met betrekking tot de periode heeft de raadsvrouw aangevoerd dat er in de tenlastelegging negen facturen opgesomd zijn die dateren uit de periode van 2007 tot en met begin 2008.

De ten laste gelegde periode ziet echter op 2005-2008. Van de periode van 2005 tot en met 2006 dient vrijspraak te volgen.

Het oordeel van de rechtbank

Alvorens in te gaan op het ten laste gelegde valselijk opmaken van facturen ziet de rechtbank zich voor de vraag geplaatst of de officier van justitie de juiste rechtspersoon gedagvaard heeft.

De rechtbank leidt uit het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting, in het bijzonder de verklaring van [A], af dat [bedrijf 6] in 2009 voortgezet is onder de naam [bedrijf 4] En dat het bedrijf dat op dat moment reeds uitgeoefend werd door de bestaande vennootschap [bedrijf 4] in die nieuwe vennootschap ondergebracht is. De voor 2009 reeds bestaande vennootschap [bedrijf 4] is in 2009 voortgezet onder de naam [verdachte] Dit betekent dat [verdachte] dezelfde vennootschap is als het oude [bedrijf 4] Derhalve kan deze vennootschap vervolgd worden ter zake van feiten die door [bedrijf 4] (oud) gepleegd zouden zijn. Daaraan doet niet af dat het bedrijf dat destijds door [bedrijf 4] uitgeoefend werd thans niet meer binnen[verdachte] uitgeoefend wordt.

Ten aanzien van het ten laste gelegde

De rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte tezamen en in vereniging met [bedrijf 1] en/of [A] en/of [B] en/of [C] in de periode van 1 december 2005 tot 18 februari 2008 valselijk facturen heeft opgemaakt, met het oogmerk om deze als echt en onvervalst te gebruiken. Daartoe overweegt zij het navolgende.

Ingevolge artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) is voor een bewezenverklaring vereist dat het een vals geschrift betreft dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen. Een factuur is dergelijk geschrift. Een factuur bevat immers een opgave van - i.c. - geleverde goederen en heeft in het maatschappelijk verkeer mede de functie tegenover degene die betaling verschuldigd is aannemelijk te maken dat deze aldus zijn geleverd teneinde op grond daarvan betaling te verkrijgen.

Vals in de zin van artikel 225 Sr betekent dat het “opzettelijk in strijd met de waarheid is”. Dit dient beoordeeld te worden naar het tijdstip van het opmaken van het geschrift.

In casu wordt er niet betwist dat op de in de tenlastelegging vermelde facturen scholfilet/scholfilet (Pleuronectes Platessa)/SF (Pleuronectes Platessa) stond, terwijl Yellow Finsole, Rocksole en schar werd geleverd. Betwist wordt echter dat voornoemde benamingen vals zouden zijn, alsmede dat sprake zou zijn van het oogmerk tot misleiding.

De rechtbank ziet zich zodoende allereerst voor de vraag gesteld of voornoemde benamingen vals zijn in de zin van artikel 225 Sr.

Terminologie

De vissoorten die relevant zijn binnen het onderzoek Kwets zijn in te delen in taxonomische rangen. Uit het dossier valt af te leiden dat binnen de orde van platvissen (Pleuronectiformes) de familie schollen (Pleuronectidae) bestaat. Binnen deze familie van schollen bestaan meerdere geslachten. Het geslacht Pleuronectes dat vervolgens, voor zover van belang in deze zaak, onderverdeeld kan worden in de soort Pleuronectes platessa (schol, pladijs) en het geslacht Limanda. Dit laatste geslacht wordt onderverdeeld in de soorten Limanda Aspera (Japanse schar) en Limanda Limanda (Schar). Daarnaast bestaat binnen de familie schollen ook het geslacht Lepidopsetta. Dit geslacht kent onder meer de onderverdeling naar de soort Lepidopsetta Billineata (Pacifische schol).

In de bijlage bij de EG verordening nr. 2065/2001 zijn onder meer de vangstgebieden voor de diverse vissoorten genoemd. Het vangstgebied in het Noordoostelijke deel Atlantische Oceaan is afgebakend als FAO2-gebied 27. Het vangstgebied in de Stille Oceaan is afgebakend als FAO-gebied 61, 67, 71, 77, 81 en 87.

Schol / Yellow Finsole (YFS)

Onder ad a, aa, b, bb, c, cc, dd, ee en ff is ten laste gelegd dat op de factuur schol vermeld is terwijl er – gelet op de geleverde vis -YFS op had moeten staan. Uit de stukken in het dossier dient geconcludeerd te worden dat schol niet dezelfde vissoort is YFS. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

De heer [G], VWA controleur heeft met betrekking tot de term YFS op 17 februari 2009 verklaard, zakelijk weergegeven:

“…De Pleuronectes Platessa komt uit het Noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan, ook wel aangeduid als FAO 27. Deze vissoort heeft in Nederland de (handels)naam schol of pladijs.

…De Limanda Aspera wordt gevangen in FAO 61 en 67. De Stille Oceaan. De naam Japanse schar geldt voor deze vissoort”.

…De Engelse benaming van Limanda Aspera is Yellow Fin Sole. Ik zie dit als een handelsbenaming uit het internationale handelsverkeer.

…U vraagt mij naar de term Schollenfilet. Ik kan mij voorstellen dat dit uit de Pacific afkomstig is. Het wordt pas een probleem als de term Platessa of Noordzeeschol wordt gehanteerd”.

Tijdens zijn verhoor bij de rechter-commissaris op 29 maart 2012 heeft [G] voorgaande verklaring herhaald en aangevuld met de stelling dat het verschil tussen YFS en schol betrekkelijk eenvoudig is te constateren.

De heer [H], projectleider NVWA heeft op 21 mei 2012 met betrekking tot de term YFS bij de rechter-commissaris verklaard, zakelijk weergegeven:

“…Uit het onderzoek is gebleken dat Yellow Fin Sole in Chinese wateren gevangen wordt. Dit staat helemaal los van het gebied waar de schol gevangen wordt. De schol is een unieke vissoort met een beschermde naam. De bevindingen van AID zijn nog steeds dat Yellow Fin Sole geen schol is.

…de familienaam is dezelfde als die van de schol…

…Het vangstgebied van schol is FAO 27. Het vangstgebied van de Yellow Fin Sole verschilt van het vangstgebied van de schol”.

De rechtbank stelt op grond van het bovenstaande vast dat de term YFS dient om de vissoort Japanse schar aan te duiden. Voorts blijkt uit voornoemde bewijsmiddelen dat schol niet dezelfde vis is als YFS. Weliswaar behoren schol en YFS tot dezelfde familie van Pleuronectidae, maar zij verschillen, gelet op de taxonomie, in geslacht. De rechtbank baseert deze conclusie op de hiervoor aangehaalde verklaringen en taxonomie maar ook op de verklaringen van de bestuurder van verdachte. [A] heeft verklaard dat schol (Pleuronectes platessa) is en dat YFS Limanda Aspera is. De rechtbank constateert op grond van het bovenstaande dat binnen de viswereld het verschil wordt erkend tussen schol enerzijds en YFS anderzijds en dat de bestuurder van verdachte van dat verschil op de hoogte was.

Voornoemd verschil tussen schol en YFS bestaat in Duitsland ook. Uit de tabel waarin diverse handelsnamen genoemd worden, blijkt dat in Duitsland voor Pleuronectes platessa (schol) de benaming Scholle of Goldbutt gebruikt wordt. Limanda Aspera (Japanse schar / YFS) wordt aangeduid met Pazifische Kliesche dan wel Raue Klische. Nu op de factuur schol/scholle/scholfilet(s) vermeld is, is dit een intellectuele valsheid in de zin van artikel 225 Sr omdat dit niet hetzelfde is als YFS.

Rocksole / Yellow Fin sole

Onder ad d, e en f is ten laste gelegd dat op de factuur Rocksole vermeld is terwijl er – gelet op de geleverde vis -YFS op had moeten staan. Uit de stukken in het dossier dient geconcludeerd te worden dat Rocksole niet dezelfde vissoort is YFS. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Uit de hiervoor onder het kopje terminologie opgenomen overwegingen met betrekking tot Rocksole en YFS blijkt dat beide vissoorten behoren tot de familie van schollen. Er blijkt echter verschil te bestaan in de geslachten waartoe zij behoren. Rocksole behoort immers tot het geslacht Lepidopsetta en YFS tot het geslacht Limanda. Derhalve is de rechtbank van oordeel dat Rocksole en YFS niet hetzelfde is. De rechtbank baseert deze conclusie op de hiervoor aangehaalde taxonomie maar ook op de verklaring van de bestuurder van verdachte. Hij heeft verklaard dat verklaard dat YFS Limanda Aspera is en dat zij voor Rocksole de benaming Pacifische schol gebruiken. Hiermee bevestigt verdachte dat er binnen de viswereld verschil bestaat tussen YFS enerzijds en Rocksole anderzijds.

Voornoemd verschil tussen YFS en Rocksole bestaat in Duitsland ook. Uit de tabel waarin diverse handelsnamen genoemd worden, blijkt dat in Duitsland Limanda Aspera (Japanse schar / YFS) wordt aangeduid met Pazifische Kliesche dan wel Raue Klische. De Duitse benaming voor Pacifische Schol (Rocksole) is Pazifische Scholle. Nu op de factuur Rocksole vermeld is, is dit een intellectuele valsheid in de zin van artikel 225 Sr omdat dit niet hetzelfde is als YFS.

Schol / Schar

Onder ad g, gg, h, hh, i en ii is ten laste gelegd dat op de factuur schol/scholfilet(s)/scholle/scholrollen/kutterschol vermeld is terwijl er – gelet op de geleverde vis – schar op had moeten staan. Uit de stukken behorende tot het dossier dient geconcludeerd te worden dat schol niet dezelfde vissoort is als schar. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Uit de hiervoor onder het kopje terminologie opgenomen overwegingen met betrekking tot schol en schar blijkt dat beide vissoorten behoren tot de familie van schollen. Zij behoren echter tot verschillende geslachten. Schol behoort tot het geslacht Pleuroneces en schar tot het geslacht Limanda. De rechtbank stelt vast dat schol en schar niet dezelfde vis is.

De rechtbank baseert deze conclusie op de hiervoor aangehaalde taxonomie maar ook op de verklaringen van de bestuurder van verdachte. De bestuurder van verdachte heeft verklaard dat voor schar de benaming Limanda gebruikt wordt. Daarnaast heeft hij ook verklaard dat de handelsbenaming die gebruikt wordt voor schar als dit geëxporteerd wordt naar Duitsland Kliesenfilet is. De rechtbank constateert op grond van het bovenstaande dat binnen de viswereld het verschil wordt erkend tussen schol enerzijds en schar anderzijds en dat de bestuurder van verdachte van dat verschil op de hoogte was.

Het feit dat op de factuur scholfilet, scholfilet (Pleuronectes Platessa)/SF (Pleuronectes Platessa) vermeld is en schar geleverd is, betreft een zogeheten intellectuele valsheid is in de zin van artikel 225 Sr, omdat de inhoud van de factuur niet overeenkomt met de werkelijkheid.

Uit de hiervoor aangehaalde taxonomie maar ook op de verklaring van de bestuurder van verdachte. Hij heeft verklaard dat voor schar de benaming Limanda gebruikt wordt. Hij heeft daarnaast ook verklaard dat de handelsbenaming die gebruikt wordt voor schar als zij dit geëxporteerd wordt naar Duitsland limandafilet is. Hiermee bevestigt hij dat er binnen de viswereld verschil bestaat tussen schol enerzijds en schar anderzijds.

Voornoemd verschil tussen schol en schar bestaat in Duitsland ook. Uit de tabel waarin diverse handelsnamen genoemd worden, blijkt dat in Duitsland Limanda Limanda (schar) wordt aangeduid met Kliesche dan wel Scharbe. De Duitse benaming voor Pleuronectes platessa (schol) is Scholle of Goldbutt. Nu op de factuur scholle/scholfilet(s)/ scholrollen/kutterschol vermeld is, is dit een intellectuele valsheid in de zin van artikel 225 Sr omdat dit niet hetzelfde is als schar.

Opzet

Voor bewezenverklaring van het valselijk opmaken van de ten laste gelegde facturen is opzet vereist. Nu het gaat om een intellectuele valsheid is dus vereist dat degene die het geschrift heeft opgemaakt wist dat de inhoud onjuist was, althans dat hij daarop voorwaardelijk opzet heeft gehad.

Nu verdachte geen onderneming is die gericht is op het plegen van strafbare feiten moet worden nagegaan of het opzet van een of meer individuele personen toegerekend kan worden aan verdachte.

Blijkens de inleiding is [bedrijf 5] enig aandeelhouder van verdachte en is [A] de bestuurder. Hij heeft op 16 maart 2009 verklaard, zakelijk weergegeven:

”…Door de afdeling expeditie wordt de betreffende bestelling klaar gemaakt en door mij wordt de verkoopfactuur van [bedrijf 4] aan [bedrijf 6] geprint. De gegevens op de factuur worden ontleend aan de gegevens zoals die door mij in Poseidon zijn ingevoerd”.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat [A] verantwoordelijk was voor de facturen die binnen verdachte opgemaakt werden

Facturen van verdachte aan [bedrijf 6] en aan [bedrijf 10]

Onder ad a, b, c, dd, ff, g, h en i staan de facturen vermeld die opgemaakt zijn door verdachte. Deze facturen zien op de leveringen van YFS en schar door verdachte aan [bedrijf 6] en aan [bedrijf 10]. Voor deze leveringen zijn facturen opgemaakt waarop schol/scholle/scholfilet(s)/kutterschol stond terwijl er in werkelijkheid YFS of schar of een andere vissoort is geleverd. Hiervoor is reeds besproken dat dit een intellectuele valsheid betreft. De vraag is nu of het (opzettelijk) opmaken van deze valse facturen (nummer 2008234, nummer 20080274, nummer 2008285, nummer 27175, nummer 27102, nummer 63, nummer 27308, nummer 27556 en nummer 27421) toegerekend kan worden aan verdachte.

YFS leveringen

De rechtbank is van oordeel dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het vals opmaken van facturen die zien op de YFS leveringen. Ten aanzien van voorwaardelijk opzet overweegt de rechtbank dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – in casu het opmaken van valse facturen– aanwezig is indien verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedragingen van verdachte de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht.

De bestuurder van verdachte, [A], was uit hoofde van zijn functie als bestuurder verantwoordelijk voor het opmaken van de facturen van verdachte. [A] heeft – zoals hiervoor beschreven is onder het kopje terminologie - verklaard dat hij weet dat Noordzeeschol en YFS niet dezelfde vissoorten zijn. Door vervolgens aan te nemen dat YFS als scholle vermeld mocht worden op de facturen, terwijl er YFS geleverd werd, heeft

[A] bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de opgemaakte facturen vals waren.

Het opzet van hem, als formeel bestuurder en tevens verantwoordelijke voor de facturen dient te worden toegerekend aan verdachte.

Scharleveringen

De rechtbank is eveneens van oordeel dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het vals opmaken van de facturen die zien op de scharleveringen.

[A] heeft ter terechtzitting op 21 november 2013 verklaard, zakelijk weergegeven:

”…YFS ook schol werd genoemd. De wetenschappelijke benaming voor YFS is Limanda Aspera of Pleuronectus Aspera. Schar is Limanda Limanda. Ik veronderstelde dat dat hetzelfde was. Het prijsniveau was ook hetzelfde. Zo rond de € 3,- per kilo. Schar was soms iets duurder”.

De bestuurder van verdachte heeft aldus verklaard dat hij dacht dat YFS dezelfde vis was als schar. Dat doet in casu echter niet ter zake. Hij heeft immers - zoals hiervoor onder het kopje terminologie is beschreven- verklaard dat Noordzeeschol en schar niet dezelfde vissoorten zijn. Door vervolgens schar als scholle te vermelden op de facturen, terwijl er geen schol geleverd werd, heeft [A] minst genomen bewust de aanmerkelijk kans aanvaard dat de opgemaakte facturen vals waren.

Het opzet van hem, als formeel bestuurder en tevens verantwoordelijke voor de facturen dient te worden toegerekend aan verdachte.

Oogmerk tot misleiding

Daarnaast is voor een bewezenverklaring vereist dat verdachte het oogmerk had tot misleiding. Als uitgangspunt heeft dan te gelden dat er bij het opzettelijk valselijk opmaken of vervalsen tevens sprake is van de bedoeling dat het geschrift in het maatschappelijk verkeer een rol gaat vervullen en het als zodanig een gebruiksfunctie verkrijgt. Voorwaardelijk opzet is daarbij niet toereikend.

De rechtbank is niet tot de overtuiging gekomen dat er bij verdachte sprake is geweest van oogmerk tot misleiding. De rechtbank overweegt daartoe het navolgende.

Zoals hiervoor is besproken heeft de bestuurder van verdachte [A] ter terechtzitting op 21 november 2013 verklaard dat hij verantwoordelijk was voor de facturering binnen [bedrijf 4] Hij heeft echter tevens verklaard dat hij dacht dat de namen op de facturen toegestaan waren voor de geleverde vis,.“Het was voor ons allemaal importschol. De klant wilde ook importschol.” Het is volgens [A] nooit de bedoeling geweest om te verhullen wat daadwerkelijk geleverd werd.

Op grond van het procesdossier en het verhandelde ter zitting kan er niet vastgesteld worden dat verdachte de bedoeling had om de facturen aan [bedrijf 6] als echt en onvervalst te gebruiken of te doen gebruiken. In de ogen van de rechtbank is onvoldoende vast komen te staan dat deze afnemer bij het ontvangen van de facturen op het verkeerde been is gezet door verdachte met betrekking tot de geleverde vissoort. Dat verdachte wellicht een onderzoeksplicht had ten aanzien van de te leveren vis doet daar niet aan af gelet het op het oogmerkvereiste.

Nu het oogmerk niet bewezen kan worden, zal de rechtbank verdachte zodoende vrijspreken van het valselijk opmaken van de facturen genoemd onder ad a, b, c, dd, ee, ff, g, h en i.

De facturen opgemaakt door [bedrijf 1] en [bedrijf 6]

De overige facturen die in de tenlastelegging opgenomen zijn, zijn vervaardigd door [bedrijf 1] en [bedrijf 6].

Voor medeplegen zoals ten laste gelegd is een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en de andere in de tenlastelegging opgenomen (rechts)personen, vereist. Om van een dergelijke samenwerking te kunnen spreken is het niet noodzakelijk dat de verdachte zelf enige uitvoeringshandelingen met betrekking tot de facturen opgemaakt door[bedrijf 1] en [bedrijf 6] heeft verricht. Zij moet echter wel een bijdrage hebben geleverd aan de valsheid in de facturen. Een bewuste en nauwe samenwerking kan onder meer blijken uit voorafgaande en/of stilzwijgende afspraken, taakverdelingen en het zich niet distantiëren van het strafbare feit, waarbij moet worden opgemerkt dat het enkele zich niet distantiëren op zichzelf geen medeplegen kan opleveren, maar eerder aantoont dat men is blijven meedoen. Het zich niet distantiëren, dient in combinatie met een blijkende betrokkenheid te bestaan.

Op basis van het procesdossier kan niet worden vastgesteld dat verdachte een bijdrage heeft geleverd aan het opstellen van de facturen door [bedrijf 1]en[bedrijf 6] en/of anderen en waaruit die bijdrage zou hebben bestaan.

De rechtbank spreekt verdachte eveneens vrij van het medeplegen van het valselijk opmaken van de facturen opgesomd onder ad aa, bb, cc, d, e, f, gg, hh en ii.

5 BESLISSING

De rechtbank:

Partiële nietigheid dagvaarding

- verklaart de dagvaarding voor wat betreft met gedeelte met (een) andere rechtsperso(o)nen en//of natuurlijke perso(o)nen nietig;

Vrijspraak

- verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte is ten laste gelegd en spreekt haar daarvan vrij;

Dit vonnis is gewezen door mr. C.A. de Beaufort, voorzitter, mr. drs. S.M. van Lieshout en mr. R.C.J. Elte-Hamming, rechters, in tegenwoordigheid van mrs. J.J. Arends en J.E. Doornwaard, griffiers, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 december 2013.

Mr. Hamming, voornoemd, is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 HR 20 november 1984 NK 985/272 en HR 21 december 2004 LJN AR4886.

2 Een door de Food & Agricultural Organization van de Verenigde Naties vastgesteld vangstgebied voor bepaalde vissoorten.