Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:6230

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
11-12-2013
Datum publicatie
11-12-2013
Zaaknummer
07-993015-10 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte in de Urker visfraudezaak is door de rechtbank Midden-Nederland vrijgesproken van het plegen van valsheid in geschrift.

Verdachte werd ervan verdacht dat hij valse facturen had opgemaakt voor leveringen van vis aan veelal buitenlandse afnemers. De verdenking was dat feitelijk yellowfin sole, rocksole, of schar geleverd werd, terwijl op de facturen de (destijds) duurdere schol stond vermeld.

De rechtbank stelde vast dat verdachte niet betrokken was bij de opmaak van de (valse) facturen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Lelystad

Parketnummer: 07.993015-10 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 6 december 2013

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende [postcode] te [woonplaats], [adres].

1 HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het onderzoek ter terechtzitting is aangevangen op 12 april 2011. Het onderzoek ter terechtzitting is hervat op 23 september 2011, waarna er op 6 oktober 2011 een tussenvonnis is gewezen. Verdachte is telkens verschenen, bijgestaan door mr. V.L. Koppe, advocaat te Amsterdam. Op 21 november en 22 november 2013 is het onderzoek ter terechtzitting hervat, op welke data de inhoudelijke behandeling van de strafzaak heeft plaatsgevonden. Verdachte is wederom verschenen, bijgestaan door mr. T.M.D. Buruma, advocaat te Amsterdam.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. W.H. Frank en van de standpunten door de raadsvrouw van verdachte naar voren gebracht.

2 DE TENLASTELEGGING

De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking in de strafzaak komt er, kort en feitelijk weergegeven op neer dat verdachte:

Primair:

opdracht dan wel feitelijk leiding heeft gegeven aan [bedrijf 1] terwijl zij tezamen en in vereniging met [bedrijf 2] en/of [bedrijf 3] en/of

met (een) andere rechtsperso(o)nen en/of natuurlijke perso(o)nen in de periode 1 december 2005 tot 18 februari 2008 te Urk en/of Nunspeet valsheid in geschrifte heeft gepleegd door valse facturen op te maken door in de facturen Schol/Scholfilet(s)/

Scholle(nfillets)/Rocksole/Kutterschol op te nemen terwijl er Yellowfinsole dan wel Rocksole dan wel schar vermeld had moeten staan.

Subsidiair:

tezamen en in vereniging met[bedrijf 1]. en/of [bedrijf 2] en/of [bedrijf 3] en/of [medeverdachte 1] en/of[medeverdachte 2] en/of met (een) andere rechtsperso(o)nen en/of natuurlijke perso(o)nen in de periode van 1 december 2005 tot 18 februari 2008 te Urk en/of Nunspeet valsheid in geschrifte heeft gepleegd door valse facturen op te maken door in de facturen Schol/Scholfilet(s)/Scholle(nfillets)/ Rocksole/ Kutterschol op te nemen terwijl er Yellowfinsole dan wel Rocksole dan wel schar vermeld had moeten worden.

Ten gevolge van een kennelijke vergissing staat in de tenlastelegging onder het primair ten laste gelegde in de eerste regel "[bedrijfsnaam]” in plaats van "[bedrijf 1]". De rechtbank herstelt deze vergissing door het laatste te lezen voor het eerste. Blijkens het onderzoek ter terechtzitting wordt de verdachte daardoor in de verdediging niet geschaad.

3 DE VOORVRAGEN

Geldigheid van de dagvaarding

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat de dagvaarding ten aanzien van het gedeelte met (een) andere rechtsperso(o)nen en/of natuurlijke perso(o)nen (partieel) nietig verklaard dient te worden Daartoe heeft zij aangevoerd dat deze bewoordingen onvoldoende specifiek zijn in de zin van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering, nu noch uit de tenlastelegging zelf, noch in samenhang met het dossier voldoende te begrijpen is welke natuurlijke personen en/of rechtspersonen hier zijn bedoeld.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft betoogd dat de tenlastelegging voldoende duidelijk is nu de tenlastelegging in samenhang met het dossier gelezen dient te worden.

Het oordeel van de rechtbank

De dagvaarding behelst de opgave van het feit dat ten laste wordt gelegd, aldus artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering. Die opgave heeft tot doel de verdachte ten behoeve van zijn verdediging kenbaar te maken welk voorval hem verweten wordt en de rechter onder meer in staat te stellen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting zijn bevoegdheid en de ontvankelijkheid van de officier van justitie te beoordelen.

De rechtbank is van oordeel dat de dagvaarding voor wat betreft het gedeelte met (een) andere rechtsperso(o)nen en/of natuurlijke perso(o)nen nietig verklaard dient te worden.

Zij overweegt daartoe dat het procesdossier zich niet beperkt tot de verdachten die vermeld zijn in het eindproces-verbaal. In de keten waarin het ten laste gelegde zich afspeelt, bevinden zich immers meer afnemers c.q. natuurlijke personen en rechtspersonen. Nu onvoldoende bepaald is welke andere natuurlijke- en rechtspersonen voorwerp van de tenlastelegging zijn, is niet duidelijk welk verwijt de rechtbank in zoverre dient te onderzoeken en tegen welk verwijt de verdediging zich in zoverre moet verdedigen. 

De rechtbank heeft voorts vastgesteld dat de dagvaarding voor wat betreft het overige geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

Inleiding

1) Uit een rapport van de Voedsel en Waren Autoriteit (hierna: VWA) d.d. 09-11-2005, getiteld ‘Impasse in de vissector’ is bekend geworden dat vanwege vangstbeperkende maatregelen en hoge exploitatiekosten vraag en aanbod van de reguliere vissoorten onder druk zijn komen te staan. Om deze problemen te ondervangen zou de vissector een goedkopere vissoort te verkopen voor een duurdere vissoort. Filets van de uit de wateren in Oostelijk Azië afkomstige Yellow Fin Sole (hierna: YFS) (Limanda Aspera) zou verkocht worden als een filet van schol (Pleuronectes Platessa).

2) Op 24 augustus 2005 is door VWA controleur [A] bij een controle bij [bedrijf 4] geconstateerd dat op de palletbonnen op de pallets met vis staat aangegeven dat het om scholfilet gaat, terwijl de pallets in werkelijkheid YFS bevatten. Voorts werden dozen met YFS, welke waren ingeslagen bij [bedrijf 4] als YFS, door [bedrijf 4] gestickerd als scholfilet. Het ging hierbij om vis die in opdracht van verdachte [bedrijf 5] is geglaceerd bij [bedrijf 1]

3) Op 26 september 2006 is door VWA controleur [B] tijdens een controle bij[bedrijf 1] vastgesteld dat YFS, bestemd voor [bedrijf 5] werd geglaceerd en verpakt in dozen. Voornoemde dozen werden op een pallet gezet en voorzien van een palletkaart met daarop de tekst ‘scholfilet 2 wit’. Onderaan de pallet stond met de hand geschreven de term ‘YF’.

4) Op 7 augustus 2007 is door VWA seniorcontroleur [C] een controle uitgevoerd bij het vrieshuis [bedrijf 4] Tijdens deze controle zag hij dat op een aantal pallets met dozen met vis een palletsticker werd gestoken met daarop de aanduiding YFS DD Paneer alsmede de naam [bedrijf 5] Met betrekking tot één van voornoemde pallets werd op de dozen een sticker aangebracht waarop de naam Pleuronectus Platessa stond vermeld.

5) Door de FIOD is, in samenwerking met een Deense zusterdienst, in 2007 onderzoek gedaan waaruit bleek dat de feitelijk aan[bedrijf 5] geleverde YFS, in 2005, bij import onjuist is omschreven als Pleuronectes Platessa (scholfilet).

6) Op 24 januari 2008 werd op basis van heb bovenstaande besloten tot het openen van een onderzoek onder de naam ‘Kwets’ naar verschillende rechts- en natuurlijke personen, werkzaam in de vissector. Diverse afnemers in de vissector zijn als getuigen gehoord.

7) [verdachte] is binnen het onderzoek Kwets als verdachte aangemerkt. Hij ontkent iedere betrokkenheid bij het ten laste gelegde.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft - blijkens een aan de rechtbank overlegd schriftelijk requisitoir - gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld. Daartoe heeft hij onder meer verwezen naar de uitgewerkte subdossiers met betrekking tot de facturen in het zaaksdossier. De officier van justitie heeft tevens gewezen op de zich in het dossier bevindende getuigenverklaringen van de Duitse afnemers van verdachte.

Voorts heeft de officier van justitie gesteld dat voor de handel in vis de EG-verordening 104/2000, de Warenwet, het Warenwetbesluit Visserijproducten en de Warenwetregeling Handelsbenamingen Vis van belang zijn. Uit deze regelgeving kan afgeleid worden dat op de dozen en de pallets de handelsnaam en/of wetenschappelijke naam vermeld moet worden. Op de facturen dient zodoende ook de juiste benaming vermeld te worden. Op de facturen van verdachte werd schol opgenomen terwijl er ‘YFS’, Rocksole of schar geleverd werd. Van het feit dat er andere vis geleverd werd dan er gefactureerd werd, waren de afnemers niet op de hoogte. Zelfs indien zij hiervan wel op de hoogte waren dan nog is er sprake van misleiding van de consument nu niet kenbaar is welk proces het eindproduct heeft doorlopen. Uit de prijs kon niet afgeleid worden dat er geen schol geleverd werd. In de handel kunnen vele andere factoren van invloed zijn op de prijs.

Met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte heeft de officier van justitie gewezen op een verhoor van verdachte waarin hij verklaard heeft : “Ik heb volledig vertrouwen in mijn broer en wat hij verklaart, zal ik wel achter staan” en de verklaring van [medeverdachte 1] dat hij en zijn broer samen de algehele leiding hebben en alles van elkaar weten.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft - blijkens een aan de rechtbank overlegde pleitnota- betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde. Daartoe heeft zij primair aangevoerd dat het enkele in strijd met een rechtsplicht nalaten van het vermelden van bepaalde gegevens onvoldoende is om valsheid in geschrifte aan te nemen. Beslissend is uiteindelijk of de werkelijkheid door het achterhouden van gegevens geweld is aangedaan.

Terminologie

De regelgeving waarnaar de officier van justitie heeft verwezen, heeft slechts beperkte waarde nu deze niet toeziet op de facturering. Tevens is van belang dat de verordening niet van toepassing is op alle visproducten. De gebruikte termen op de facturen waren in het maatschappelijk verkeer aanvaard en klopten met de realiteit. In dit verband heeft de raadsvrouw verwezen naar de biologische eigenschappen van de vissoorten, de algemene benaming van Pleuronectes voor scholachtigen, de literatuur en de verklaringen van de VWA medewerkers [A] en [D]. De termen werd niet gebruikt om te verhullen welke vis er geleverd werd.

Opzet / Oogmerk op misleiding

Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat er geen sprake is van opzet op de valsheid omdat verdachte er van overtuigd was dat de term schol/Rocksole mocht worden gebruikt. In het geval van de Rocksole leveringen dacht hij dat er door [bedrijf 1] daadwerkelijk Rocksole geleverd werd. Daarnaast ontbreekt het oogmerk op misleiding omdat de afnemers wisten welke vis zij geleverd kregen. De afgesproken prijs stond ook op de factuur.

Verlaadfout

Met betrekking tot de laatste drie transactie op de tenlastelegging (levering van schar) heeft de raadsvrouw betoogd dat er een onderscheid gemaakt dient te worden tussen de leveringen aan [bedrijf 6], [bedrijf 7] en [bedrijf 8]. Bij de leveringen aan [bedrijf 6] en [bedrijf 7] is er namelijk sprake geweest van een laadfout. Verdachte heeft hier ook over verklaard. Bij deze laadfouten was er eveneens geen sprake van opzet op een valse factuur en oogmerk tot misleiding.

Voorts heeft de raadsvrouw aangevoerd dat niet voldoende is dat een valse factuur in een lade wordt weggestopt. Er dient gelet op de jurisprudentie gebruik gemaakt te worden van de valse factuur. Bovendien waren de facturen alleen van belang voor de administratie van de verschillende B.V.’s, maar vervulden zij tegenover derden (controleurs, belastingdienst) geen beslissende rol.

Taakverdeling

Meer subsidiair heeft de raadsvrouw betoogd dat verdachte de leiding heeft over de werkvloer binnen [bedrijf 1] en dat hij feitelijk verantwoordelijk is voor het paneren, glaceren en inpakken van vis. Verdachte heeft geen zeggenschap over de administratieve kant van [bedrijf 1] en is daardoor nooit betrokken geweest bij de facturering. Tevens heeft verdachte zich nooit bemoeid met de naamgeving. Van een nauwe en bewuste samenwerking op het opmaken van de facturen is dan ook geen sprake.

Periode

Met betrekking tot de periode heeft de raadsvrouw aangevoerd dat er in de tenlastelegging negen facturen opgesomd zijn die dateren uit de periode van 2007 tot en met begin 2008.

De ten laste gelegde periode ziet echter op 2005-2008. Van de periode van 2005 tot en met 2006 dient vrijspraak te volgen.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte opdracht heeft gegeven dan wel feitelijk heeft leiding gegeven aan [bedrijf 1] terwijl zij tezamen en in vereniging met [bedrijf 2] en/ of [bedrijf 3], althans alleen, in de periode van 1 december 2005 tot 18 februari 2008 valselijk facturen heeft opgemaakt, met het oogmerk om deze als echt en onvervalst te gebruiken. Daartoe overweegt zij het navolgende.

Ingevolge artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) is voor een bewezenverklaring vereist dat het een vals geschrift betreft dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen. Een factuur is een dergelijk geschrift. Een factuur bevat immers een opgave van - i.c. - geleverde goederen en heeft in het maatschappelijk verkeer mede de functie tegenover degene die betaling verschuldigd is aannemelijk te maken dat deze aldus zijn geleverd teneinde op grond daarvan betaling te verkrijgen. Vals in de zin van artikel 225 Sr betekent dat het “opzettelijk in strijd met de waarheid is”. Dit dient beoordeeld te worden naar het tijdstip van het opmaken van het geschrift.

In casu wordt niet betwist dat op de in de tenlastelegging vermelde facturen schol/scholle/scholfilet(s) of Rocksole of Kutterschol stond, terwijl Yellow Finsole, Rocksole en schar werd geleverd. Betwist wordt echter dat voornoemde benamingen vals zouden zijn.

De rechtbank ziet zich zodoende allereerst voor de vraag gesteld of voornoemde benamingen vals zijn in de zin van artikel 225 Sr.

Terminologie

De rechtbank overweegt dat de vissoorten die relevant zijn binnen het Kwetsonderzoek in te delen zijn in taxonomische rangen. Uit het dossier valt af te leiden dat binnen de orde van platvissen (Pleuronectiformes) de familie schollen (Pleuronectidae) bestaat. Binnen deze familie van schollen bestaan meerdere geslachten. Het geslacht Pleuronectes dat vervolgens, voor zover van belang in deze zaak onderverdeeld kan worden in de soort Pleuronectes platessa (schol, pladijs) en het geslacht Limanda. Dit laatste geslacht wordt onderverdeeld in de geslachten Limanda Aspera (Japanse schar) en Limanda Limanda (Schar).

In de bijlage bij de EG verordening nr. 2065/2001 zijn onder meer de vangstgebieden voor de diverse vissoorten genoemd. Het vangstgebied in het Noordoostelijke deel van de Atlantische Oceaan is afgebakend als FAO1-gebied 27. Het vangstgebied in de Stille Oceaan is afgebakend als FAO-gebied 61, 67, 71, 77, 81 en 87.

Schol / Yellow Finsole (YFS)

Onder ad a, aa, b, bb, c, cc, dd, ee en ff is ten laste gelegd dat op de factuur schol vermeld is terwijl er – gelet op de geleverde vis -YFS op had moeten staan. Uit de stukken in het dossier dient geconcludeerd te worden dat schol niet dezelfde vissoort is YFS. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

De heer [D], VWA controleur heeft met betrekking tot de term YFS op 17 februari 2009 verklaard, zakelijk weergegeven:

“…De Pleuronectes Platessa komt uit het Noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan, ook wel aangeduid als FAO 27. Deze vissoort heeft in Nederland de (handels)naam schol of pladijs.

…De Limanda Aspera wordt gevangen in FAO 61 en 67. De Stille Oceaan. De naam Japanse schar geldt voor deze vissoort”.

…De Engelse benaming van Limanda Aspera is Yellow Fin Sole. Ik zie dit als een handelsbenaming uit het internationale handelsverkeer.

…U vraagt mij naar de term Schollenfilet. Ik kan mij voorstellen dat dit uit de Pacific afkomstig is. Het wordt pas een probleem als de term Platessa of Noordzeeschol wordt gehanteerd”.

Tijdens zijn verhoor bij de rechter-commissaris op 29 maart 2012 heeft [D] voorgaande verklaring herhaald en aangevuld met de stelling dat het verschil tussen YFS en schol betrekkelijk eenvoudig is te constateren.

De heer [E], projectleider NVWA heeft op 21 mei 2012 met betrekking tot de term YFS bij de rechter-commissaris verklaard, zakelijk weergegeven:

“…Uit het onderzoek is gebleken dat Yellow Fin Sole in Chinese wateren gevangen wordt. Dit staat helemaal los van het gebied waar de schol gevangen wordt. De schol is een unieke vissoort met een beschermde naam. De bevindingen van AID zijn nog steeds dat Yellow Fin Sole geen schol is.

…de familienaam is dezelfde als die van de schol…

…Het vangstgebied van schol is FAO 27. Het vangstgebied van de Yellow Fin Sole verschilt van het vangstgebied van de schol”.

De rechtbank stelt op grond van het bovenstaande vast dat de term YFS wordt gebruikt om de vissoort Japanse schar aan te duiden. Voorts blijkt uit voornoemde bewijsmiddelen dat schol niet dezelfde vis is als YFS. Weliswaar behoren schol en YFS tot dezelfde familie van schollen, maar zij verschillen, gelet op de taxonomie, in geslacht. De rechtbank baseert deze conclusie op de hiervoor aangehaalde verklaringen en taxonomie maar ook op de verklaringen van de bestuurders van verdachte. [verdachte] en [medeverdachte 1] hebben beiden verklaard dat Noordzee schol Pleuronectes Platessa is en YFS Limanda Aspera. Hiermee bevestigen de bestuurders van verdachte dat er binnen de viswereld verschil bestaat tussen schol enerzijds en YFS anderzijds.

Voornoemd verschil tussen schol en YFS bestaat in Duitsland ook. Uit de tabel waarin diverse handelsnamen genoemd worden, blijkt dat in Duitsland voor Pleuronectus platessa (schol) de benaming Scholle of Goldbutt gebruikt wordt. Limanda Aspera (Japanse schar / YFS) wordt aangeduid met Pazifische Kliesche dan wel Raue Klische. Nu er op de factuur schol/scholle/scholfilet(s) vermeld is, is dit een zogeheten intellectuele valsheid in de zin van artikel 225 Sr omdat de inhoud van de factuur niet overeenstemt met de werkelijkheid.

Rocksole / Yellow Fin sole

Onder ad d, e en f is ten laste gelegd dat op de factuur Rocksole vermeld is terwijl er – gelet op de geleverde vis -YFS op had moeten staan. Uit de stukken in het dossier dient geconcludeerd te worden dat Rocksole niet dezelfde vissoort is YFS. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Uit de hiervoor onder het kopje terminologie opgenomen overwegingen met betrekking tot Rocksole en YFS blijkt dat beide vissoorten behoren tot de familie van schollen. Er blijkt echter verschil te bestaan in de geslachten waartoe zij behoren. Rocksole behoort immers tot het geslacht Lepidopsetta en YFS tot het geslacht Limanda. Derhalve is de rechtbank van oordeel dat Rocksole en YFS niet hetzelfde is. De rechtbank baseert deze conclusie op de hiervoor aangehaalde taxonomie maar ook op de verklaringen van verdachte en [medeverdachte 1]. Zij hebben beiden verklaard dat YFS Limanda Aspera is en dat zij voor Rocksole de benaming Pacifische schol gebruiken. Hiermee bevestigen zij dat er binnen de viswereld verschil bestaat tussen YFS enerzijds en Rocksole anderzijds.

Voornoemd verschil tussen YFS en Rocksole bestaat in Duitsland ook. Uit de tabel waarin diverse handelsnamen genoemd worden, blijkt dat in Duitsland Limanda Aspera (Japanse schar / YFS) wordt aangeduid met Pazifische Kliesche dan wel Raue Klische. De Duitse benaming voor Pacifische Schol (Rocksole) is Pazifische Scholle. Nu er op de factuur Rocksole vermeld is, is dit een intellectuele valsheid in de zin van artikel 225 Sr omdat dit niet hetzelfde is als YFS.

Schol / Schar

Onder ad g, gg, h, hh, i en ii is ten laste gelegd dat op de factuur schol/scholfilet(s)/scholle/scholrollen/kutterschol vermeld is terwijl er – gelet op de geleverde vis – schar op had moeten staan. Uit de stukken behorende tot het dossier dient geconcludeerd te worden dat schol niet dezelfde vissoort is als schar. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Uit de hiervoor onder het kopje terminologie opgenomen overwegingen met betrekking tot schol en schar blijkt dat beide vissoorten behoren tot de familie van schollen. Er blijkt echter verschil te bestaan in de geslachten waartoe zij behoren. Schol behoort immers tot het geslacht Pleuronectes en schar tot het geslacht Limanda. Derhalve is de rechtbank van oordeel dat schol en schar niet hetzelfde is. De rechtbank baseert deze conclusie op de hiervoor aangehaalde taxonomie maar ook op de verklaringen van verdachte en [medeverdachte 1]. Zij hebben beiden verklaard dat voor schar de benaming Limanda gebruikt wordt. [medeverdachte 1] heeft daarnaast ook verklaard dat de handelsbenaming die gebruikt wordt voor schar als zij dit geëxporteerd wordt naar Duitsland Kliesenfilet is. Hiermee bevestigen zij dat er binnen de viswereld duidelijk een verschil bestaat tussen schol enerzijds en schar anderzijds.

Voornoemd verschil tussen schol en schar bestaat in Duitsland ook. Uit de tabel waarin diverse handelsnamen genoemd worden, blijkt dat in Duitsland Limanda Limanda (schar) wordt aangeduid met Kliesche dan wel Scharbe. De Duitse benaming voor Pleuronectus platessa (schol) is Scholle of Goldbutt. Nu er op de factuur scholle/scholfilet(s)/ scholrollen/kutterschol vermeld is, is dit een intellectuele valsheid in de zin van artikel 225 Sr omdat dit niet hetzelfde is als schar.

De rechtbank overweegt dat de handelsbenamingen van schol en YFS wellicht interessant zijn voor kwesties betreffende andere wetgeving maar voor valsheid in de zin van artikel 225 Sr niet relevant is.

Opzet / Feitelijk leidinggeven

Het valselijk opmaken van de ten laste gelegde facturen impliceert opzet. In casu is er sprake van een intellectuele valsheid. Degene die het geschrift heeft opgemaakt moest derhalve weten dat de inhoud onjuist was, althans daar voorwaardelijk opzet op hebben gehad.

[verdachte] heeft ter terechtzitting op 21 november 2013 verklaard dat hij weliswaar via [bedrijf 9] aandeelhouder en formeel bestuurder is van [bedrijf 1], maar dat zijn zeggenschap zich niet uitstrekt over de administratieve kant van deze B.V. Hij is nooit betrokken geweest bij de opmaak van de facturen. Zijn broer [medeverdachte 1] is betrokken bij het opmaken van de facturen.

[medeverdachte 1] heeft hierover op 20 februari 2008 verklaard, zakelijk weergegeven:

”…[verdachte] mijn broer werkt in de productie. Hij heeft de volledige productieleiding op de vloer. Samen met mij heeft hij de dagelijkse leiding. Ik doe het administratieve werk op het kantoor, de inkoop, verkoop, verwerking. Ik zit specifiek op de productstroom. Samen met mijn broer heb ik de algehele leiding”.

[medeverdachte 2], exportmanager bij [bedrijf 3] heeft op 10 maart 2009 verklaard, zakelijk weergegeven:

”…De laadlijsten worden per fax gestuurd naar [bedrijf 1], bureau van[medeverdachte 1] en naar de transporteur. Door de transporteur worden de vrachtbrieven (CMR’s) per klant opgehaald bij [bedrijf 3]. [naam 1] of [naam 2] maken deze CMR’s/vrachtbrieven via een computerprogramma. Hierin worden eigenlijk de gegevens gebruikt van het intern orderformulier. Het computerprogramma maakt ook de verkoopfactuur. Een factuur gaat naar de klant en een kopie gaat naar [bedrijf 1]”.

Uit voorgaande verklaringen blijkt dat er een duidelijke taakverdeling was binnen het bedrijf en dat verdachte geen enkele bemoeienis had met de administratie c.q. facturering van

[bedrijf 1] Zowel verdachte als[medeverdachte 2] als [medeverdachte 1] zelf heeft verklaard dat [medeverdachte 1] de verantwoordelijke persoon is voor de facturen die opgemaakt zijn door [bedrijf 1].

De rechtbank is dan ook van oordeel dat[medeverdachte 1] verantwoordelijk was voor de facturen die binnen [bedrijf 1] opgemaakt werden. Nu verdachte geen enkele bemoeienis heeft gehad met het vals (doen) opmaken van facturen zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het primair ten laste gelegde.

Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde

De rechtbank is van oordeel dat evenmin wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte tezamen en in vereniging met [bedrijf 1], [bedrijf 2] en/of [bedrijf 3]en/of [medeverdachte 1] valse facturen heeft opgemaakt in de periode van 1 december 2005 tot 18 februari 2008. De rechtbank verwijst hiervoor naar hetgeen besproken is ten aanzien van het primair ten laste gelegde. Verdachte heeft immers geen opzet gehad op het valselijk opmaken van de facturen.

Voor medeplegen zoals ten laste gelegd is een bewuste en nauwe samenwerking met de andere in de tenlastelegging genoemde verdachten. Om van een dergelijke samenwerking te kunnen spreken is het niet noodzakelijk dat de verdachte zelf enige uitvoeringshandeling met betrekking tot de facturen heeft verricht. Hij moet echter wel een bijdrage hebben geleverd aan de valsheid in de facturen. Een bewuste en nauwe samenwerking kan onder meer blijken uit voorafgaande en/of stilzwijgende afspraken, taakverdelingen en het zich niet distantiëren van het strafbare feit, waarbij moet worden opgemerkt dat het enkele zich niet distantiëren op zichzelf geen medeplegen kan opleveren, maar eerder aantoont dat men is blijven meedoen. Het zich niet distantiëren dient in combinatie met een blijkende betrokkenheid te bestaan

Op basis van het procesdossier kan niet worden vastgesteld dat verdachte een bijdrage heeft geleverd aan het opstellen van de facturen door een van voornoemde verdachten en waaruit die bijdrage zou hebben bestaan.

Op die grond spreekt de rechtbank verdachte vrij van het medeplegen van het valselijk opmaken van de facturen zoals ten laste gelegd.

De rechtbank zal verdachte derhalve eveneens vrijspreken van het subsidiair ten laste gelegde.

5 BESLISSING

De rechtbank:

Partiële nietigheid dagvaarding

- verklaart de dagvaarding voor wat betreft met gedeelte met (een) andere rechtsperso(o)nen en//of natuurlijke perso(o)nen nietig;

Vrijspraak

- verklaart niet bewezen hetgeen primair en subsidiair aan verdachte is ten laste gelegd en spreekt haar daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.A. de Beaufort, voorzitter, drs. mr. S.M. van Lieshout en mr. R.C.J. Elte-Hamming, rechters, in tegenwoordigheid van mrs. J.J. Arends en J.E. Doornwaard, griffiers, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 december 2013.

Mr. Hamming, voornoemd, is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Een door de Food & Agricultural Organization van de Verenigde Naties vastgesteld vangstgebied voor bepaalde vissoorten.