Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:6216

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
11-12-2013
Datum publicatie
16-12-2013
Zaaknummer
860853
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

eindvonnis na op de voet van artikel 7:629a lid 5 BW verkregen toelichting van de verzekeringsgeneeskundige van het UWV. Standpunt verzekeringsarts dat werknemer op de peildatum arbeidsongeschikt was steunt onder meer op door de werknemer aan hem getoonde foto van de aandoening. Uit de thans verkregen gegevens blijkt echter dat zowel huisarts als bedrijfsarts op de peildatum geen zichtbare aandoening hebben waargenomen. Werknemer heeft ook niet voldaan aan de hem bij mondeling vonnis verstrekte instructie om de foto aan de huisarts te tonen. Volgt afwijzing van de loonvordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2013-1002
RAR 2014/43

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

kantonrechter

zittinghoudende te Utrecht

zaaknummer: 860853 UC EXPL 13-4085 MJ/4221

Vonnis van 11 december 2013

inzake

[eiser] ,

wonende te [woonplaats],

verder ook te noemen [eiser],

eisende partij,

gemachtigde: mr. B.C.S.J. van den Berg verbonden aan

DAS Nederlandse Rechtsbijstand N.V.,

tegen:

de besloten vennootschap

Terberg-Benschop B.V.,

gevestigd te Benschop,

verder ook te noemen Terberg,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. J.J. Degenaar

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 12 juni 2013;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie en van mondeling vonnis van 23 september 2013;

  • -

    de brief van mr. Van den Berg voornoemd van 25 oktober 2013 aan verzekeringsarts [A] van het UWV Utrecht;

  • -

    het deskundigenbericht van verzekeringsarts [A] voornoemd van 28 november 2013;

  • -

    de brief van mr. Van den Berg voornoemd van 2 december 2013 met bijgevoegd de bijlagen behorend bij haar brief van 25 oktober 2013 aan verzekeringsarts [A];

  • -

    het e-mailbericht van bedrijfsarts[B] van ArboVitale van 2 december 2013;

  • -

    het proces-verbaal van voortzetting van de comparitie van 3 december 2013.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is op 1 juni 2011 in dienst getreden van Terberg in de functie van assemblagemedewerker voor de bepaalde tijd van één jaar. Deze overeenkomst is verlengd voor de duur van 6 maanden en is op 1 december 2012 van rechtswege geëindigd. Het laatstgenoten loon bedroeg € 1.981,93 bruto per vier weken exclusief vakantiebijslag. Op de arbeidsovereenkomst is de CAO voor Metaal en Technische bedrijfstakken van toepassing.

2.2.

Op 24 oktober 2012 heeft [eiser] zich in verband met lichamelijke klachten ziek gemeld. Op 30 oktober 2012 heeft de bedrijfsarts van Terberg geoordeeld dat [eiser] op 1 november 2012 zijn werkzaamheden kan hervatten.

Op 1 november 2012 heeft [eiser] zijn werkzaamheden hervat, maar hij is in de loop van de ochtend naar huis gegaan. Hij heeft op 1 en 2 november 2012 verlof opgenomen. [eiser] heeft tot op 5 november 2012 aangepaste werkzaamheden verricht. In de loop van 5 november 2012 heeft hij zich ziek gemeld. De bedrijfsarts heeft na onderzoek van [eiser] op 8 november 2012 geoordeeld dat [eiser] “onveranderd arbeidsgeschikt voor zijn eigen werk” was. Terberg heeft daarop [eiser] opgeroepen om zijn werkzaamheden op 12 november 2012 te hervatten. Zij heeft [eiser] gewezen op de mogelijkheid een deskundig advies bij het UWV in te winnen.

2.3.

[eiser] heeft op 8 november 2012 een deskundigenoordeel aangevraagd bij het UWV. Hij heeft daartoe op 5 december 2012 een gesprek gehad met verzekeringsarts [A] van het UWV. In het deskundigenoordeel van 11 december 2012 concludeert deze verzekeringsarts dat op/rond de bestreden datum van 8 november 2012 wel sprake was van een te objectiveren medische aandoening die wel leidt tot beperkingen ten aanzien van het functioneren van [eiser] in zijn arbeid en wel zodanig dat [eiser] op 8 november 2012 ten onrechte volledig arbeidsgeschikt is verklaard voor de bedongen arbeid.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van Terberg om aan hem te voldoen:

  1. een bedrag van € 2.461,22 bruto, althans het netto equivalent, terzake onterecht ingehouden verlofuren over de periode 10 tot en met 12 van 2012;

  2. een bedrag van € 777,51 bruto, althans het netto equivalent, terzake het aan [eiser] toekomende vakantiegeld over 2012;

  3. de wettelijke verhoging van 50% over het verschuldigde, althans een zodanig percentage als door de kantonrechter in goede justitie te bepalen;

  4. e wettelijke rente over de onder a. en b. genoemde kosten vanaf het opeisbaar worden van die bedragen tot het moment der algehele voldoening;

  5. de kosten van de procedure.

3.2.

Ter onderbouwing van die vordering stelt [eiser] dat Terberg ten onrechte een bedrag van € 2.461,22 aan niet genoten verlofuren heeft verrekend met het salaris over periode 10 tot en met 12 van 2012: uit de door Terberg verstrekte loonstroken blijkt dat Terberg over die periode (die loopt van 10 september 2012 tot en met 2 december 2012) ten onrechte verlofuren op het verlofsaldo van [eiser] in mindering heeft gebracht en het daardoor ontstane negatieve verlofsaldo met het aan [eiser] toekomende salaris heeft verrekend. Terberg is daartoe overgegaan nadat haar bedrijfsarts had geoordeeld dat [eiser] op 8 november 2012 arbeidsgeschikt is voor het eigen werk en [eiser] desalniettemin zijn werkzaamheden niet had hervat. [eiser] heeft een deskundigenoordeel aangevraagd bij het UWV, welk oordeel op 11 december 2012 is verkregen. De verzekeringsarts heeft geoordeeld dat [eiser] op 8 november 2012 niet in staat was zijn werk te verrichten. Terberg had na kennisneming van dit deskundigenoordeel alsnog het salaris vanaf 8 november 2012 moeten uitkeren gelet op het volledig onpartijdig onderzoek door de verzekeringsarts van het UWV, het beleid van de huisarts en de dermatoloog en de door [eiser] aan de verzekeringsarts getoonde foto’s waarbij een ontsteking duidelijk zichtbaar was. [eiser] vordert uitbetaling van het achterstallig salaris en van het hem toekomende vakantiegeld.

3.3.

Terberg heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering met als conclusie dat de kantonrechter deze zal afwijzen, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Het vakantiegeld

4.1.

Terberg heeft er op gewezen dat de betaling van het vakantiegeld is verwerkt in de door [eiser] overgelegde salarisspecificatie week 45-48. [eiser] heeft niet bestreden dat hem het salaris overeenkomstig deze specificatie is uitbetaald, zodat de vordering die ziet op betaling van het achterstallig vakantiegeld zal worden afgewezen.

Uitbetaling salaris

4.2.

De kern van het resterende geschil tussen partijen betreft de vraag of Terberg wegens de in haar ogen onterechte ziekmelding van [eiser] op diens salaris had mogen korten wegens niet gewerkte uren (door partijen berekend op een bedrag van € 2.461,22 bruto).

4.2.1.

Terberg baseert haar standpunt op het advies van de bedrijfsarts, die [eiser] met ingang van 1 november 2012 arbeidsgeschikt heeft geoordeeld en die - naar aanleiding van diens hernieuwde ziekmelding op 1 november 2012 wegens dezelfde klachten - op 8 november 2012 wederom constateerde dat [eiser] onveranderd arbeidsgeschikt was.

4.2.2.

[eiser] heeft zich daartegenover beroepen op het door hem verzochte deskundigenoordeel dat op 11 december 2012 is verkregen. De verzekeringsarts concludeert dat er op 8 november 2012 sprake was van beperkingen in het functioneren van [eiser] in diens arbeid zodat de bedrijfsarts [eiser] ten onrechte op die datum volledig arbeidsgeschikt heeft verklaard.

4.3.

De kantonrechter stelt vast dat de verzekeringsarts tot de in het deskundigenoordeel getrokken conclusie is gekomen op grond van het door huisarts en dermatoloog (voor de behandeling van de door [eiser] genoemde huidklachten) ingestelde beleid en op grond van een door [eiser] aan de verzekeringsarts getoonde foto, waarop de gestelde ontsteking volgens de verzekeringsarts duidelijk zichtbaar is.

4.3.1.

Uit de inmiddels door de bedrijfsarts met instemming van [eiser] verstrekte toelichting (op verzoek van Terberg na de comparitie verzonden brief van de bedrijfsarts aan de verzekeringsarts) blijkt dat [eiser] op 1 november 2012 niet heeft meegewerkt aan een lichamelijk onderzoek door de bedrijfsarts naar zijn klachten en zichzelf daarop weer arbeidsgeschikt heeft gemeld en dat [eiser] zich na een nieuwe ziekmelding alsnog, op 8 november 2012, lichamelijk heeft laten onderzoeken. De bedrijfsarts rapporteert dat zij bij dat onderzoek een volkomen normale huid heeft gezien waarna zij heeft geconcludeerd dat er geen objectiveerbare medische aandoeningen waren die de klachten van [eiser] zouden kunnen verklaren.

4.3.2.

Uit het overgelegde gedeelte van het door de huisarts van [eiser] bijgehouden medisch dossier blijkt dat [eiser] op 1 november 2012 telefonisch overleg met de huisarts heeft gehad over door hem ervaren pijn en irritatieklachten waarbij de huisarts onder meer heeft aangetekend:

“P ongebruikelijk voor dit soort aandoeningen, graag zsm beoordeling op spreekuur.”

Het medisch dossier maakt vervolgens melding van een raadpleging van de huisarts op

6 november 2012:

“S aan de (…) geen klachten meer, wel nog bij de (…)

O geen duidelijke afwijkingen waarneembaar (…)

P daktacort continueren”

En op 8 november 2012:

“S tussen (…) wordt het steeds erger, komt vocht uit, vriendin ziet ook dat het steeds erger wordt

O opnieuw geen afwijkingen waarneembaar in (…) al waar patiënt aangeeft dat het pijn doet, zelfs geen roodheid en geen zwelling.

P eenmalig consult dermatotoog. Afspraak ‘regulier’ gemaakt bij Dermatologie (…) Reden: verwijsreden niet gespecificeerd/ overig (…)”

4.3.3.

De kantonrechter concludeert dat de huisarts evenmin als de bedrijfsarts afwijkingen heeft waargenomen op de plaats waar [eiser] pijnklachten ervaart.

4.3.4.

[eiser] heeft ter gelegenheid van de voortzetting van de comparitie geen verklaring kunnen geven voor het feit dat hij aan de verzekeringsarts een foto heeft kunnen laten zien van zijn getroffen huidgebied, waarop blijkens het hiervoor (overweging 4.3) genoemde verslag van de verzekeringsarts (en in tegenstelling tot de bevindingen van huisarts en bedrijfsarts) de gestelde ontsteking volgens de verzekeringsarts duidelijk zichtbaar was. [eiser] heeft evenmin - maar gelet op het overgelegde verslag van de huisarts niet onbegrijpelijk - voldaan aan door de kantonrechter aan hem verstrekte instructie om de door hem genoemde en aan de verzekeringsarts getoonde foto te laten zien aan zijn huisarts met het verzoek te verklaren of het beeld op die foto overeenkomt met de lichamelijke klachten waarvoor [eiser] zich tot een dermatoloog heeft gewend.

4.3.5.

De kantonrechter concludeert dat er niet voldoende zekerheid is verkregen dat de door [eiser] aan de verzekeringsarts getoonde foto een foto is geweest van het huidgebied waar zijn klachten op zagen. Uit de verklaring van de huisarts moet - zonder verdere toelichting, die echter ontbreekt - veeleer worden aangenomen dat die foto juist niet van het betreffende huidgebied was genomen. De huisarts komt immers onafhankelijk van de bedrijfsarts tot dezelfde conclusie als de bedrijfsarts: er is op het betreffende huidgebied niets afwijkends waar te nemen. Reeds op deze grond kan niet langer voldoende betekenis aan het deskundigenoordeel van de verzekeringsarts worden toegekend, nu dat oordeel was gebaseerd op door [eiser] aangereikte maar niet met de gegevens van huisarts en bedrijfsarts sporende en verder niet te verifiëren informatie.

4.3.6.

Het enkele feit dat de huisarts een behandeling tegen de klachten van [eiser] heeft ingezet, is verder onvoldoende overtuigend. De behandeling van de huisarts bestond blijkens het overgelegde medisch dossier op 6 november 2012 uit “daktacort continueren” ondanks het ontbreken van waarneembare afwijkingen. Die behandeling was blijkens het medisch dossier echter al 13 september 2012 ingezet, toen nog wel lichte roodheid en lichte zwelling was waargenomen. Op 8 november 2012 heeft de huisarts [eiser] vanwege diens aanhoudende klachten zonder waarneembare afwijkingen naar de dermatoloog verwezen, overigens zonder opgave van een specifieke verwijsreden. Uit deze informatie komt een beeld naar voren dat de door [eiser] ervaren klachten niet te verklaren zijn en dat vanwege de melding door [eiser] van aanhoudende klachten specialistische beoordeling daarvan noodzakelijk is. Dit is nog zeker geen bevestiging van een objectiveerbare aandoening van [eiser].

4.3.7.

De dermatoloog schrijft in diens overgelegde brief van 28 maart 2013 dat hij [eiser] op 12 november 2012 heeft gezien met een dermatitis (ontsteking van de huid) die theoretisch kan resulteren in jeuk en branderigheid en die door de dermatoloog is behandeld met lokale corticosteroiden en emolliens gevolgd door een duidelijke verbetering van de klinische symptomen tijdens het vervolgbezoek van [eiser] aan de dermatoloog op 29 november 2012. Hoewel deze brief zonder voorbehoud spreekt van een “dermatitis” maakt de brief niet duidelijk of en op welke wijze die aandoening is vastgesteld dan wel of die aandoening op grond van de subjectieve klachten van [eiser] ‘slechts’ voor waarschijnlijk is gehouden. De kantonrechter is geen medicus en het had op de weg van [eiser] gelegen op dit punt gerichte informatie te geven. Zijn vordering is bij gebreke daarvan thans onvoldoende onderbouwd. Daar komt bij dat ook in het geval de aandoening dermatitis objectief is vastgesteld, daarmee nog niet is gezegd dat die aandoening in het geval van [eiser] tot diens arbeidsongeschiktheid op en na 1 november 2012 heeft geleid. Het deskundigenoordeel dat daarvan sprake was, steunt daarvoor teveel op de door [eiser] aan de verzekeringsarts getoonde foto, die echter – als hiervoor is uiteengezet – daarvoor geen basis biedt.

4.4.

De conclusie is dat [eiser] onvoldoende heeft onderbouwd dat hij door ziekte of gebrek niet in staat was de overeengekomen werkzaamheden te verrichten op en na 1 november 2012 tot 1 december 2012 (de overeengekomen einddatum van het dienstverband). Dit alles leidt tot afwijzing van de vorderingen van [eiser].

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Terberg worden begroot op:

- salaris gemachtigde € 525,00 (3 punten x tarief € 175,00)

Totaal € 525,00

5 De beslissing

De kantonrechter:

wijst de vorderingen af;

veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van Terberg, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 525,- aan salaris gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Slootweg, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 11 december 2013.