Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:6161

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
15-11-2013
Datum publicatie
09-12-2013
Zaaknummer
16-659712-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte tot 8 maanden gevangenisschap wegens het bedreigen van twee slachtoffers en het openlijk geweld plegen tegen één van hen. Verdachte heeft een wezenlijke bijdrage -in de vorm van het ingooien van een ruit en vervolgens naar binnen gaan in de woning met een medeverdachte- gehad aan het openlijke geweld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 16/659712-13 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 15 november 2013

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

verblijvende in de Penitentiaire Inrichting Almere.

1 HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het onderzoek heeft in het openbaar plaatsgevonden op 1 november 2013 te Lelystad, waarbij de verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. D.L.A.M. Pluijmakers, advocaat te Almere.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,

mr. H.J. Lambers, en van hetgeen door de raadsman van verdachte en verdachte naar voren is gebracht.

2 DE TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 13 augustus 2013 te Almere, althans in het arrondissement Midden-Nederland, met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, het [straatnaam], - onverholen en/of waarneembaar voor ter plaatse aanwezige personen - openlijk met verenigde krachten geweld heeft gepleegd tegen een ruit aan de voorzijde van de woning gelegen aan het[adres], welk geweld bestond uit het inslaan van die ruit;

althans, indien vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 13 augustus 2013 te Almere, althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk een ruit aan de voorzijde van de woning gelegen aan het[adres], in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt, door toen aldaar tezamen en in vereniging met zijn/haar mededader(s), althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk die

ruit in te slaan;

2.

hij op of omstreeks 13 augustus 2013 te Almere, althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [slachtoffer 3], heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) opzettelijk dreigend tegenover/bij die [slachtoffer 3] gestaan met een (groot) mes in de hand en/of (daarbij) meerdere malen, in ieder geval eenmaal dreigend de woorden geuit: "Steek hem", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

3.

hij op of omstreeks 13 augustus 2013 te Almere, althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 3]) meerdere malen, in ieder geval éénmaal (met kracht) heeft geslagen/gestompt op/tegen de rug en/of elders op/tegen het lichaam en/of op/tegen de neus en/of elders in/op/tegen het gezicht, waardoor voornoemde [slachtoffer 3] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

4.

hij op of omstreeks 13 augustus 2013 te Almere, althans in het arrondissement Midden-Nederland, [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers is/heeft verdachte opzettelijk dreigend met een (groot) mes in de hand (boven zijn hoofd) in de richting van die [slachtoffer 2] gerend en/of (vervolgens) die [slachtoffer 2] dreigend de woorden toegevoegd: ‘Wat ga je doen bitch?’, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of (vervolgens) met dat mes een stekende beweging naar die [slachtoffer 2] gemaakt.

3 DE VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 1 primair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat de verklaringen van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] onbetrouwbaar zijn en derhalve niet voor het bewijs kunnen worden gebezigd.

Feit 1

De raadsman heeft vrijspraak bepleit nu verdachte geen significante en wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het geweld.

Feit 2 en feit 3

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van de ten laste gelegde bedreiging en mishandeling. Hij heeft daartoe aangevoerd dat op basis van de gegeven signalementen niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte degene is geweest die zich in de woonkamer heeft bevonden en de handelingen heeft verricht zoals ten laste gelegd. Tevens bevinden zich in het dossier alleen de (onbetrouwbare) verklaringen van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] die niet ondersteund worden door andere bewijsmiddelen. Ten aanzien van de mishandeling heeft de raadsman nog aangevoerd dat er geen nauwe en bewuste samenwerking uit het dossier kan worden afgeleid.

Feit 4

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank 1

De rechtbank heeft kennisgenomen van de inhoud van de stukken van het onderliggende strafdossier en van hetgeen bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gebracht.

Op dinsdag 13 augustus 2013 bevond [getuige], agent van Politie Flevoland, zich in burger gekleed op de fiets op de Cecil B. de Millestraat, rijdend in de richting van het [straatnaam] in Almere. Ter hoogte van de busbaan hoorde hij glasgerinkel. Vervolgens zag hij voor een woning aan[adres] twee mannen staan. [getuige] omschreef de eerste man als een negroïde man, 1.80 meter lang, atletisch postuur, zwarte dreads bijeengebonden tot net boven de schouders en gekleed in een roze T-shirt en een blauwe spijkerbroek. Tevens had deze man een mes in zijn rechterhand. De tweede man was een blanke, lichte getinte man, 1.75 meter lang, normaal postuur, kort donker haar en een bol gezicht en hij droeg een lichtblauwe nylon jas met blauwe capuchon.

Hij zag dat deze mannen een ruit aan de voorzijde van een woning insloegen en daarna via het raam naar binnen gingen. Vanuit de woning hoorde hij ‘shoot, shoot, shoot’ en geschreeuw van een andere persoon. Na ongeveer twee minuten zag hij dat de mannen via het raam boven de voordeur op de eerste etage naar buiten klommen. Zij liepen naar de andere zijde van [straatnaam]. De eerste man liep met het mes nog in zijn rechterhand richting een vrouw die bij de busbaan stond. [getuige] hoorde dat de man iets naar de vrouw schreeuwde maar kon het niet verstaan. Wel zag hij dat de man met zijn rechterarm een stekende beweging richting de vrouw maakte. De beide mannen liepen daarna weg.2

[slachtoffer 1] deed op 13 augustus 2013 aangifte bij de politie. Zij verklaarde dat zij samen met haar man, [slachtoffer 3], aan het slapen was en dat zij op een gegeven moment wakker werd van veel lawaai. Kort daarna vloog een man die het zwart was gekleed door een raam en naast de koelkast stond een andere man. Eén van de mannen had een mes bij zich. Zij zag dat de man met het mes in zijn hand in een dreigende houding tegenover haar man ging staan. Man 1 zei daarop tegen man 2: ‘Steek hem, steek hem, steek hem.’ Aangeefster rende het huis uit op zoek naar hulp. Toen zij terug kwam, zag zij dat haar man ineengekrompen op zijn hurken tussen de bank en de koelkast in. Zij zag dat de mannen haar man aan het slaan en stompen waren.3

[slachtoffer 1] is nogmaals gehoord. Zij verklaarde aanvullend dat zij van haar dochter had gehoord dat er iemand op haar slaapkamer was geweest en dat dit een man was die rode kleren aanhad en bewegende haren had. Tevens verklaarde zij dat haar man de oom is van medeverdachte [medeverdachte ], de man die zij in haar aangifte als man 2 had omschreven.4

[slachtoffer 3] deed eveneens aangifte. Hij verklaarde dat hij op 13 augustus 2013 in de woning van zijn (ex)vriendin [slachtoffer 1] was aan het[adres] in Almere en dat hij omstreeks 5:00 uur ’s ochtends wakker werd van een harde klap en glasgerinkel. Hij zag dat de ruit aan de voorzijde van de woning was ingeslagen en dat er twee mannen door het raam naar binnen klommen. De eerste man was een Marokkaanse jongen van ongeveer 25 jaar oud, 190 cm lang en hij droeg een beige jas. De tweede man was een kleine negroïde man, tussen 23 en 24 jaar oud, gevlochten haar bovenop zijn hoofd en hij droeg donkere kleding. In zijn rechterhand had de tweede man een mes. Hij hoorde man 2 zeggen dat hij op de grond moest gaan liggen. Man 1 begon op een gegeven moment op hem in te slaan. Met kracht kreeg 20 à 30 keer een vuistslag in zijn gezicht. Terwijl hij werd geslagen, hield man 2 een mes op hem gericht. Hij ging op de bank liggen in de foetushouding maar het slaan ging door. De mannen vluchtten weg toen hij zei dat de politie eraan kwam. Hij zag dat de mannen door het ingegooide raam klommen en de weg overstaken. Onderweg kwam de mannen een vrouw tegen en man 2 maakte met het mes een stekende beweging naar haar. Er werd iets gezegd maar dat kon hij niet horen. De mannen wisten daarna te ontkomen.

Door het gebeuren had aangever pijn aan zijn rug, blauwe plekken op zijn gezicht en waren van verschillende tanden stukjes afgebroken.5

Ook [slachtoffer 3] is aanvullend gehoord en hij verklaarde dat medeverdachte [medeverdachte ], zijn neef, één van de mannen was geweest die op 13 augustus 2013 in de woning aan [adres] was geweest.6

[slachtoffer 2], de vrouw die door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] was omschreven als de vrouw die buiten bij de busbaan stond, deed eveneens aangifte bij de politie. Zij verklaarde dat zij op 13 augustus 2013 omstreeks 6:00 uur bij de bushalte bij [straatnaam] stond. Vanaf de andere kant van de weg hoorde zij ineens glasgerinkel. Zij zag dat een groot raam van de woning op nummer [nummer] stuk was. Er werd nog een tweede en derde keer tegen het raam geslagen. Een man in een blauw jasje sloeg het raam in en sprong daarna naar binnen. Een man in een roze shirt sprong door de kapotte ruit achter de man aan. Uit de richting van de woning hoorde zij dat er werd geroepen: ‘shoot, shoot, shoot.’ Zij belde intussen de politie. Kort daarna zag zij de twee mannen via het kapotte raam naar buiten springen. Een van de twee mannen, een donkere man, kwam op haar afgerend met een mes in zijn rechterhand dat hij op haar richtte. Hij zei tegen haar: ‘Wat ga je doen bitch?’ Tegelijkertijd maakte hij een stekende beweging met het mes. Zij kon het mes ontwijken en werd daardoor niet geraakt. Aangeefster was op dat moment erg bang dat de man haar iets zou aandoen.

De man met het mes werd door haar als volgt omschreven: donkere huidskleur, donkerbruin krullend haar in vlechtjes van 20 tot 30 cm, leeftijd tussen de 25 en 30 jaar en hij droeg een roze T-shirt en een zwart/grijze spijkerbroek. De tweede man die de woning in en uit was gesprongen was gekleed in een lichtblauw jasje, had een blanke huidskleur en was tussen de 20 en 25 jaar oud.7

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op 13 augustus 2013 door de kapotte ruit de woning aan [straatnaam] is binnengegaan, dat hij die woning even later heeft verlaten en dat hij die dag een rood/roze shirt droeg en dreads in zijn haar had.8

Betrouwbaarheid verklaringen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3]

De rechtbank acht de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] bij de politie voldoende betrouwbaar, nu die verklaringen in overwegende mate overeenkomen en er overigens in het dossier geen aanknopingspunten zijn die zouden kunnen leiden tot twijfel omtrent de geloofwaardigheid van die verklaringen. De rechtbank heeft bovendien in haar oordeel betrokken dat de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] worden ondersteund door de verklaringen van de onafhankelijke getuigen [getuige] en [slachtoffer 2].

Dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] aanvankelijk niet de naam van de medeverdachte en de familieband hebben genoemd bij de politie maakt evenmin dat de verklaringen onbetrouwbaar zijn nu niet valt uit te sluiten dat aangevers bang waren om de naam van de medeverdachte te noemen, of anderszins redenen hadden diens naam niet te noemen. Gelet op het voorgaande hecht de rechtbank - anders dan de raadsman - wel degelijk geloof aan de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] bij de politie en zijn die verklaringen om die reden ook bruikbaar voor het bewijs.

Nadere bewijsoverwegingen feit 1

Uit de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3], [getuige] en [slachtoffer 2] volgt dat verdachte op 13 augustus 2013 samen met medeverdachte [medeverdachte ] naar de woning aan [straatnaam] in Almere is gegaan en medeverdachte [medeverdachte ] daar een ruit aan de voorzijde van de woning heeft ingegooid, waarna beiden vlak na elkaar door de ruit naar binnen zijn gegaan.

De rechtbank is van oordeel dat het geweld, het ingooien van de ruit, aangemerkt dient te worden als openlijk geweld nu dit geweld plaats heeft gevonden in de openbare ruimte, te weten voor de woning aan [straatnaam] in Almere.

Verdachte heeft zich niet van deze geweldpleging gedistantieerd. Hij heeft juist een wezenlijke bijdrage aan dit geweld geleverd. Verdachte is immers met medeverdachte[medeverdachte ] naar de woning gegaan. Zij hebben ervoor gekozen om niet richting de voordeur te gaan, maar om een ruit in te gooien. Na het ingooien van de ruit, is verdachte direct achter medeverdachte [medeverdachte ] aan door de ruit gesprongen en de woning in gegaan.

Derhalve komen ook de niet door verdachte uitgevoerde handelingen van het openlijk geweld voor zijn rekening en verantwoordelijkheid.

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair onder 1 ten laste gelegde heeft begaan, te weten openlijke geweldpleging tegen goederen in vereniging.

Nadere bewijsoverwegingen feit 2

De rechtbank is, op basis van de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3], van oordeel dat verdachte degene is geweest die een mes op [slachtoffer 3] heeft gericht. Het door

[slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] gegeven signalement van de man die een mes in zijn handen had, past bij het signalement van verdachte. Dit gegeven in combinatie met de verklaring van verdachte ter terechtzitting dat hij op 13 augustus 2013 in de woning aan [straatnaam] in Almere is geweest, maakt dat de rechtbank van oordeel is dat verdachte [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door opzettelijk dreigend tegenover hem te gaan staan met een groot mes in zijn hand.

Deze bedreiging heeft verdachte tezamen en in vereniging gepleegd nu medeverdachte [slachtoffer 3] heeft geslagen/gestompt terwijl verdachte een mes op hem heeft gericht. De verdachte en medeverdachte hebben hierdoor beiden een bijdrage geleverd aan de bedreigende situatie en deze in stand gehouden.

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte en/of zijn medeverdachte daarbij de woorden ‘steek hem’ heeft/hebben gebezigd, nu alleen [slachtoffer 1] hierover heeft verklaard en deze verklaring niet wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen. De rechtbank zal verdachte derhalve partieel vrijspreken van dit onderdeel.

Nadere bewijsoverwegingen feit 3

Uit de verklaringen van [slachtoffer 1], [slachtoffer 3] en de verklaring van verdachte ter terechtzitting volgt dat de medeverdachte [slachtoffer 3] meerdere malen heeft geslagen/gestompt. Dat verdachte dit samen met medeverdachte [medeverdachte ] heeft gedaan volgt alleen uit de verklaring van [slachtoffer 1]. Deze verklaring vindt geen steun in andere bewijsmiddelen, zodat de rechtbank verdachte zal vrijspreken van het onder 3 ten laste gelegde.

Nadere bewijsoverwegingen feit 4

Uit de verklaringen van [getuige], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] volgt dat verdachte dreigend met een mes tegenover [slachtoffer 2] heeft gestaan en stekende bewegingen met dat mes heeft gemaakt en tegen haar heeft gezegd: ‘Wat ga je doen bitch?’. De rechtbank acht derhalve de ten laste gelegde bedreiging wettig en overtuigend bewezen.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat:

1 primair.

hij op 13 augustus 2013 te Almere, met een ander, op of aan de openbare weg, [straatnaam], - onverholen en waarneembaar voor ter plaatse aanwezige personen - openlijk met verenigde krachten geweld heeft gepleegd tegen een ruit aan de voorzijde van de woning gelegen aan het[adres], welk geweld bestond uit het inslaan van die ruit;

2.

hij op 13 augustus 2013 te Almere, tezamen en in vereniging met een ander, [slachtoffer 3], heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers hebben verdachte en zijn mededader opzettelijk dreigend tegenover die [slachtoffer 3] gestaan met een (groot) mes in de hand;

4.

hij op 13 augustus 2013 te Almere, [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend met een (groot) mes in de hand (boven zijn hoofd) in de richting van die [slachtoffer 2] gerend en (vervolgens) die [slachtoffer 2] dreigend de woorden toegevoegd: ‘Wat ga je doen bitch?’, en (vervolgens) met dat mes een stekende beweging naar die [slachtoffer 2] gemaakt.

6 KWALIFICATIE

Het bewezene levert op:

Feit 1 primair

Het openlijk in vereniging geweld plegen tegen goederen.

Feit 2

Medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Feit 4

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

7 STRAFBAARHEID

De feiten en verdachte zijn strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

8 STRAFOPLEGGING

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden onvoorwaardelijk, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht een straf op te leggen die gelijk is aan het voorarrest eventueel gecombineerd met een voorwaardelijke gevangenisstraf, nu verdachte zijn leven weer op de rit heeft en voor zijn gezin wil zorgen.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging, bedreiging en mishandeling. Verdachte is in de nachtelijke uren na het ingooien van een ruit een woning in gegaan, waar zich op dat moment ook kinderen bevonden, en heeft daar de bewoner bedreigd met een mes. De woning is bij uitstek de plaats waar men zich veilig en vrij dient te voelen. Daarnaast heeft verdachte een willekeurig persoon op straat bedreigd met een mes.

Dergelijke feiten tasten op grove wijze deze gevoelens van veiligheid aan. Er kan van uit worden gegaan dat de slachtoffers nog lange tijd de nadelige psychische gevolgen zullen ondervinden van hetgeen hen is overkomen. De rechtbank rekent dit verdachte ernstig aan.

Uit een de verdachte betreffend reclasseringsrapportage d.d. 30 oktober 2013 opgemaakt door P. Leek, reclasseringswerker, komt het volgende naar voren. Verdachte heeft in het verleden een PIJ-maatregel opgelegd gekregen en heeft zodoende in de periode 2003 tot 2008 in een residentiële voorziening verbleven. Hierna verbleef verdachte vanwege recidive in detentie in de periode 2010-2011. Verdachte is gediagnosticeerd met een licht verstandelijke handicap en daarnaast een persoonlijkheidsstoornis. Deze psychische problematiek uit zich in het gedrag van verdachte. Hij is onvoldoende in staat de consequenties van zijn gedrag te overzien en zichzelf staande te houden, is sterk beïnvloedbaar en vertoont meeloopgedrag en heeft een beperkte sociale redzaamheid. Daarnaast verliest verdachte door het drinken van alcohol grip op zichzelf. Uit referentenonderzoek is gebleken dat het leven van verdachte ingrijpend veranderd is door zijn huidige relatie en zijn vaderschap.

De onderhavige zaak lijkt vooral bepaald te zijn door het incidenteel overmatig drinken van alcohol en de beïnvloedbaarheid van verdachte. Geadviseerd wordt een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht en een gedragsinterventie.

De rechtbank heeft rekening gehouden met een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 24 september 2013, waaruit blijkt dat hij veelvuldig met politie en justitie in aanraking is gekomen.

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank eveneens aansluiting gezocht bij de straf die aan de medeverdachte is opgelegd.

Alles overwegend is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf voor de duur van 8 maanden noodzakelijk is, omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, gelet ook op het strafrechtelijk verleden van de verdachte, door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten voeren, acht de rechtbank niet aanwezig.

9 DE BENADEELDE PARTIJEN

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] toe te wijzen tot een bedrag van € 1.016,80, vermeerderd met wettelijke rente en aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen. Met betrekking tot de vordering van [slachtoffer 1] heeft de officier van justitie gevorderd deze vordering volledig niet-ontvankelijk te verklaren. De vordering van [slachtoffer 2] is tot een bedrag van € 500,00 toewijsbaar en voor het overige niet-ontvankelijk.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 3] en

[slachtoffer 1] niet-ontvankelijk te verklaren en de vordering van [slachtoffer 2] te matigen.

Het oordeel van de rechtbank

[slachtoffer 3]

De benadeelde partij [slachtoffer 3] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding van een bedrag van € 2.516,80 gevoegd in het strafproces, bestaande uit € 2.500,00 immateriële schade en € 16,80 reiskostenvergoeding.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering aangezien de behandeling van die vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De vordering is onvoldoende onderbouwd zodat behandeling niet past op een strafzitting.

De rechtbank zal bepalen dat de benadeelde partij de vordering desgewenst bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

[slachtoffer 1]

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding van een bedrag van € 4.682,05 gevoegd in het strafproces, bestaande uit € 3.682,05 aan materiële schade aan meubels en vloer en € 1.000,00 immateriële schade.

De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat de gevorderde materiële schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit. De gestelde schade aan meubels en de vloer zijn niet in de tenlastelegging opgenomen. Het is niet ondenkbaar dat schade is veroorzaakt ten gevolge van het breken van de ruit, maar het (causaal) verband tussen het strafbare feit en de gestelde schade is onvoldoende aangetoond. De rechtbank zal de vordering op dit punt niet-ontvankelijk verklaren.

Daarnaast zal de rechtbank de benadeelde partij voor wat betreft de immateriële schade eveneens niet-ontvankelijk verklaren in de vordering aangezien de behandeling van die vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De vordering is onvoldoende onderbouwd zodat behandeling niet past op een strafzitting.

De rechtbank zal bepalen dat de benadeelde partij de vordering desgewenst bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

[slachtoffer 2]

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding van een bedrag van € 1.000,00 gevoegd in het strafproces, bestaande uit immateriële schade.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij

[slachtoffer 2] rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van de onder 4 bewezen verklaarde feit.

De rechtbank bepaalt de vergoeding voor de immateriële schade ex aequo et bono op een bedrag van € 500,00. De rechtbank baseert zich daarbij op de hoogte van immateriële schadevergoedingen in vergelijkbare zaken.

De vordering van de benadeelde partij levert naar het oordeel van de rechtbank voor wat betreft het meer gevorderde een onevenredige belasting op van het strafgeding. De rechtbank zal derhalve bepalen dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] voor dat deel in haar vordering niet-ontvankelijk is en dat de vordering ter zake dit deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De rechtbank zal voorts aan de verdachte op de voet van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een geldsom van € 500,00 ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2].

10 TOEPASSELIJKHEID WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 10, 27, 36f, 57, 141 en 285 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart niet bewezen hetgeen onder 3 aan verdachte is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1 primair, 2 en 4 ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat hetgeen onder 1 primair, 2 en 4 meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart de bewezen verklaarde feiten strafbaar;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Benadeelde partijen

[slachtoffer 3]

- bepaalt dat de benadeelde partij in zijn vordering niet ontvankelijk is en dat hij zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

[slachtoffer 1]

- bepaalt dat de benadeelde partij in haar vordering niet ontvankelijk is en dat zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

[slachtoffer 2]

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van een bedrag van € 500,00 met veroordeling tevens van verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

- legt op aan verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 500,00 ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2], bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 dagen hechtenis;

- bepaalt dat, indien verdachte (gedeeltelijk) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] (in zoverre) komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte (gedeeltelijk) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2], daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat (in zoverre) komt te vervallen.

- bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] voor wat het meer gevorderde betreft in haar vordering niet-ontvankelijk is en dat zij haar vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit vonnis is gewezen door mr. G. Blomsma, voorzitter, mr. A. van Holten en

mr. R.C.J. Hamming, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.J. de Vries, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 november 2013.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer 2013059630, welke is genummerd van 1 tot en met 351.

2 Pagina 24 tot en met 26

3 Pagina 58 tot en met 62

4 Pagina 67 tot en met 69

5 Pagina 71 tot en met 73

6 Pagina 76

7 Pagina 82 tot en met 85

8 Proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 1 november 2013