Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:6136

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
11-12-2013
Datum publicatie
16-12-2013
Zaaknummer
847934
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

vraag of overwerkregeling van CAO Landbouwwerktuigen Exploiterende Ondernemingen van toepassing is op tussen werkgever en werknemer afgesproken 'tijd voor tijd-"regeling ter compensatie van een 40-urige werkweek in plaats van een 38-urige werkweek. Kantonrechter oordeelt dat de CAO de overeengekomen afwijking toestaat en wijst de vorderingen af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2013-1006

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

kantonrechter

locatie Amersfoort

zaaknummer: 847934 AC EXPL 13-140 MJ/4221

Vonnis van 11 december 2013

inzake

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

verder ook te noemen [eiseres],

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

gemachtigde: mr. D. Maats,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde],

gevestigd te [vestigingsplaats],

verder ook te noemen [gedaagde],

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

gemachtigde: mr. W. Brinkkemper.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 6 maart 2013

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 10 juni 2013.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] is op 18 september 1995 in dienst getreden bij [gedaagde], aanvankelijk voor 32 uur per week. Haar functie is die van administratief medewerkster. Op de arbeidsovereenkomst is de CAO Landbouwwerktuigen Exploiterende Ondernemingen (hierna kortweg: CAO LEO) van toepassing verklaard. [eiseres] had blijkens haar toelichting tijdens de comparitie aanspraak op 26 ATV dagen per jaar.

2.2.

Vanaf 1998 is [eiseres] op verzoek van [gedaagde] 40 uur per week (vijf werkdagen) gaan werken. [gedaagde] heeft daarbij ingestemd met de door [eiseres] daarvoor in een brief van 7 juni 1998 gestelde voorwaarden, waaronder:

“(…) Naar aanleiding van jullie verzoek om de vrijdag, dus 5 dagen in de week te gaan werken, wil ik dat doen onder de navolgende voorwaarden:

(…)

2. (…) denk ik dat het redelijk is dat mijn salaris ƒ 2.750,-= netto per 4 weken wordt.

(…)

4. Alle ATV-dagen behouden en naar eigen inzicht op te nemen.

5. Voordat het eventueel ingaat wil ik graag eerst een compleet overzicht van de nieuwe loonstrook hebben zodat ik kan zien wat mijn bruto loon wordt. (…)”

2.3.

Al het personeel werkt bij [gedaagde] 40 uur per week tegenover een salarisbetaling gebaseerd op 38 uur per week met daarbij een opbouw van twee uur verlof per week (‘tijd voor tijd’). Ook aan [eiseres] is vanaf 1998 iedere week twee uur verlof toegekend.

2.4.

Per 23 mei 2011 is [eiseres] 38 uur per week gaan werken. Zij ontvangt sedertdien hetzelfde salaris, maar bouwt niet langer twee uur verlof per week op.

3 Het geschil

In conventie

3.1.

[eiseres] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [gedaagde] haar verlofsaldo te verhogen met 165 uur dan wel met 82,5 uur met uitbetaling tevens van de geldelijke waarde van 82,5 uur en daarbij een deugdelijke loonspecificatie aan haar te verstrekken.

3.2.

Ter onderbouwing van die vordering stelt [eiseres] dat partijen in 1998 zijn overeengekomen dat [eiseres] 40 uur per week werkt en daarvoor een salaris ontvangt in geld behorend bij een werkweek van 38 uur en in vrije tijd door bijschrijving op haar verlofsaldo (‘tijd voor tijd’-regeling) van 2 uur verlof per week. Ingevolge de toepasselijke CAO LEO is de normale arbeidstijd echter 38 uur, zodat er dus sprake is van overwerk van 2 uur per week. De CAO bepaalt dat in dat geval een toeslag van 130% betaald moet worden. [eiseres] maakt aanspraak op die toeslag over de periode van 9 februari 2006 tot en met 23 mei 2011 in de vorm van vrije tijd, zodat [eiseres] nog aanspraak heeft op 165 verlofuren. In het geval de kantonrechter zal oordelen dat volgens de CAO jaarlijks tenminste de helft van het overwerk moet worden uitbetaald in geld, vordert [eiseres] toekenning van 82,5 verlofuren onder uitbetaling van 82,5 verlofuren.

3.3.

[gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering met als conclusie dat de kantonrechter deze zal afwijzen, met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

In reconventie

3.5.

[gedaagde] vordert - na vermindering van eis ter gelegenheid van de comparitie - de veroordeling van [eiseres] tot betaling aan [gedaagde] van de geldelijke waarde van 96,72 verlofuren in het geval de vordering van [eiseres] in conventie geheel of gedeeltelijk wordt toegewezen en voorts de veroordeling van [eiseres] om aan [gedaagde] te betalen € 3.349,70 netto, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 februari 2013 tot de dag der algehele voldoening.

3.6.

Ter onderbouwing van deze vorderingen stelt [gedaagde] dat in het geval [eiseres] aanspraak heeft op een vergoeding zij het aantal van 165 uur niet correct heeft berekend, omdat die toeslag alleen verschuldigd is over gewerkte uren en niet over vakantie- en ziekte uren. Op grond van haar overgelegde berekening stelt [gedaagde] dat [eiseres] juist 96,72 uur teveel heeft gekregen, zodat [gedaagde] aanspraak maakt op de geldelijke vergoeding daarvan door [eiseres]. Daarnaast stelt [gedaagde] dat [eiseres] na haar verhuizing slechts aanspraak had op een reiskostenvergoeding van € 1,62 per gewerkte dag, terwijl [gedaagde] telkens € 4,35 heeft betaald. [gedaagde] berekent dat zij 1227 dagen x € 2,73 = € 3.349,70 netto teveel heeft betaald aan [eiseres]. [gedaagde] verlangt betaling van dit bedrag door [eiseres].

3.7.

[eiseres] heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering met als conclusie dat de kantonrechter deze zal afwijzen, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3.8.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

In conventie

4.1.

De kern van het geschil tussen partijen betreft de vraag of [eiseres] op grond van de toepasselijke CAO LEO aanspraak heeft op toekenning van meer ‘tijd voor tijd’ uren dan het aantal dat partijen hadden afgesproken. Tussen partijen is immers niet in geschil dat [eiseres] sinds 1998 40 uur per week is gaan werken tegenover een salarisbetaling afgestemd op 38 uur per week en een toekenning van 2 uur per week ‘tijd voor tijd’. Die vergoeding van ‘tijd voor tijd’ dient in de ogen van [eiseres] te worden verhoogd met 30% omdat de meer dan 38 uur per week gewerkte uren volgens haar zijn te beschouwen als overwerk in de zin van de CAO LEO. DeCAO LEO kent voor overwerk een toeslag van 30% op het salaris.

4.2.

De kantonrechter oordeelt dat de afspraak tussen partijen inhoudt dat [eiseres] 40 uur per week werkzaam is. Door 40 uur per week te werken, zoals [eiseres] steeds heeft gedaan, is uiteraard geen sprake van overwerk.

4.3.

Het standpunt van [eiseres], dat toch van overwerk sprake is, baseert zij op het uitgangspunt in de CAO LEO dat de normale arbeidstijd 38 uur per week is. Een afspraak om structureel meer dan 38 uur te werken, leidt in de visie van [eiseres] tot de conclusie dat sprake is van overwerk.

4.3.1.

Dat standpunt, wat daar verder van zij, treft evenwel reeds geen doel op de grond dat de CAO LEO - zoals die van tijd tot tijd is aangepast in de ten deze relevante periode van februari 2006 tot en met mei 2011 - de mogelijkheid bood om een in het verleden afgesproken en van de CAO afwijkende arbeidsduur te handhaven voor werknemers die administratieve werkzaamheden verrichten. Deze uitzondering is op [eiseres] van toepassing nu zij is aangenomen en werkzaam is in de functie van administratief medewerkster. De afwijkende afspraak is tussen partijen in 1998 gemaakt en valt daarmee onder de toepassing van deze uitzonderingsbepaling in de CAO. Wel volgt uit de betreffende CAO bepaling dat partijen vanaf de inwerkingtreding van de CAO in 2003 afspraken dienden te maken dat de bepalingen uit de tussen hen vóór 2003 gesloten arbeidsovereenkomst van kracht blijven. [eiseres] heeft niet weersproken dat een dergelijke afspraak impliciet tussen hen is gemaakt gelet op de wijze waarop in de praktijk door partijen op dit onderdeel aan de oorspronkelijke overeenkomst gevolg is gegeven. Het sluit bovendien aan op de toelichting van [eiseres] ter zitting dat binnen de onderneming van [gedaagde] een onderscheid wordt gemaakt tussen de buitendienst (die wel een overwerktoeslag ontvangt bij werken boven de 38 uur) en de binnendienst (die die toeslag niet ontvangt).

4.3.2.

Hieruit volgt dat de vorderingen van [eiseres] worden afgewezen.

4.4.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- salaris gemachtigde € 300,00 (2 punten x tarief € 150,00)

Totaal € 300,00

In reconventie

4.5.

Nu de vordering tot veroordeling van [eiseres] tot betaling van de geldelijke waarde van 96,72 verlofuren blijkens de toelichting van [gedaagde] ter zitting slechts voorwaardelijk, voor het geval de vordering in conventie wordt toegewezen, is ingesteld behoeft dit onderdeel van de vorderingen geen behandeling meer. De voorwaarde daartoe is immers niet vervuld.

4.6.

De vordering tot terugbetaling van teveel ontvangen reiskostenvergoeding over de periode van 2007 tot en met 2011 is gebaseerd op de stelling dat [eiseres] voorafgaand aan die periode is verhuisd zodat haar op grond van de CAO LEO bestaande aanspraak op een reiskostenvergoeding is verlaagd van € 4,35 per gewerkte dag naar € 1,62 per gewerkte dag. [gedaagde] vordert het verschil van € 2,73 per gewerkte dag terug en berekent dit in totaal op een aanspraak van € 3.349,- netto.

4.7.

[eiseres] heeft allereerst betoogd dat zij in het verleden - voorafgaand aan haar verhuizing in 2005 - al een hogere vergoeding ontving dan uit de CAO LEO voortvloeit en dat dit is aan te merken als een afspraak tussen partijen. Zij wijst er op dat in een tweetal gevallen collega’s ook meer ontvingen dan hen volgens de CAO LEO toekwam en voorts dat een collega na verhuizing nog lange tijd zijn oorspronkelijke vergoeding behield. Een op 1 januari 2013 aangenomen collega heeft volgens [eiseres] ook een hogere dan de CAO vergoeding met [gedaagde] afgesproken. [eiseres] bestrijdt dat zij had moeten weten dat zij na haar verhuizing een te hoge vergoeding ontving.

4.8.

De kantonrechter overweegt dat [gedaagde] ter comparitie slechts heeft aangegeven dat zij zich niet bewust is van een afspraak met [eiseres] over de reiskostenvergoeding. [gedaagde] heeft evenwel niet bestreden dat zij een hogere vergoeding, dan uit de CAO LEO volgde, had toegekend aan [eiseres]. Feitelijk kende [gedaagde] derhalve betere arbeidsvoorwaarden dan uit de CAO LEO voortvloeide. Nu [gedaagde] zelf de CAO LEO niet volledig volgde, behoefde [eiseres] niet bedacht te zijn op het na haar verhuizing exact toepassen van de reiskostenvergoeding volgens de regels van de CAO LEO.In een dergelijke situatie ligt het toch vooral op de weg van [gedaagde] om aan te geven welke wijziging van het bedrag van de reiskostenvergoeding na de verhuizing van [eiseres] gaat plaatsvinden. Dit geldt temeer nu het gaat om een structureel automatisch, zonder voorafgaande declaratie, met het salaris uitgekeerde vergoeding. Onder deze omstandigheden komt aan [gedaagde] geen vordering tot vergoeding van in het verleden teveel uitbetaalde reiskostenvergoeding toe. De vordering wordt afgewezen.

4.9.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

- salaris gemachtigde € 87,50 (1 punt x 50% x tarief € 175,00)

Totaal € 87,50

5 De beslissing

De kantonrechter:

In conventie

5.1.

wijst de vordering af;

5.2.

veroordeelt [eiseres] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [gedaagde], tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 300,- aan salaris gemachtigde.

In reconventie

5.3.

verstaat dat de voorwaardelijke vordering tot betaling aan [gedaagde] van de geldelijke waarde van 96,72 verlofuren geen beoordeling behoeft;

5.4.

wijst de vordering voor het overige af;

5.5.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiseres], tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 87,50 aan salaris gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Slootweg, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 11 december 2013.