Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:6129

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
11-12-2013
Datum publicatie
16-12-2013
Zaaknummer
2066507
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Opheffing conservatoir beslag op onroerend goed, artikel 22 lid 3 EEX-Vo (geldigheid inschrijving registers).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 2066507 UC EXPL 13-7294 JW/4231

Vonnis van 11 december 2013

inzake

de vennootschap naar Frans recht

ING Lease France S.A.,

gevestigd te Le Havre, Frankrijk,

verder ook te noemen ING Lease,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie

verwerende partij in het incident tot het treffen van een voorlopige voorziening

eisende partij in de bevoegdheidsincidenten

gemachtigde: mr. J. Blussé van Oud-Alblas,

tegen:

[verweerder],

wonende te[woonplaats],

verder ook te noemen [verweerder],

verwerende partij in conventie,

eisende partij in reconventie

eisende partij in het incident tot het treffen van een voorlopige voorziening

verwerende partij in de bevoegdheidsincidenten

gemachtigde: mr. M.H.J. Langerak.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het vonnis van 29 mei 2013

  • -

    de beslissing van de kantonrechter van 7 augustus 2013

  • -

    het vonnis van 18 september 2013

  • -

    de incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid en niet-ontvankelijkheid op de provisionele eis, tevens akte uitlating producties in conventie

  • -

    de faxbrief van 20 september 2013 aan de rechtbank van mr. J. Blussé van Oud-Alblas

  • -

    de brieven van de rechtbank aan de gemachtigden van 23 september 2013

  • -

    de incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid en niet-ontvankelijkheid in reconventie van 25 september 2013

  • -

    de mondelinge behandeling van 12 november 2013 en het daarvan opgemaakte proces-verbaal

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

ING Lease en [verweerder] hebben op 27 augustus en 18 oktober 2008 een overeenkomst gesloten van lease met koopoptie met betrekking tot een schip (hierna: de leaseovereenkomst). Nadat [verweerder] in verzuim was komen te verkeren ter zake van zijn betalingsverplichtingen uit deze leaseovereenkomst, heeft ING Lease op 26 april 2012 ter verzekering van haar aanspraken ten laste van [verweerder] conservatoir beslag doen leggen (door inschrijving van een “voorlopige gerechtelijke hypotheek” naar Frans recht) op een aan [verweerder] in eigendom toebehorende onroerende zaak in Frankrijk.

2.2.

Op 12 en 21 december 2012 hebben partijen een vaststellingsovereenkomst gesloten, op grond waarvan [verweerder] € 1 miljoen aan ING Lease diende te betalen, in twee gelijke termijnen op uiterlijk 31 december 2012 en 31 mei 2013, ter kwijting van de schuld van [verweerder] aan ING Lease uit de leaseovereenkomst. Op deze vaststellingsovereenkomst hebben partijen Nederlands recht van toepassing verklaard.

2.3.

Op 22 januari 2013 heeft ING Lease aan [verweerder] het volgende geschreven, voor zover van belang:

“As requested by your lawyers, we accepted to give you more time for the payment of the first instalment of
€ 500.000. This sum must be paid ultimately on 31 January 2013, i.e. 31 days more compared to the provisions of the settlement agreement.

Please confirm that the payment will be effectuated within this period.”

2.4.

Hierop heeft [verweerder] niet vóór of op 31 januari 2013 gereageerd, noch heeft hij betaald.

3 Het geschil

3.1.

In conventie vordert ING Lease, na wijziging van eis, veroordeling van [verweerder] tot betaling aan haar van € 1 miljoen, vermeerderd met de wettelijke rente over € 500.000,00 vanaf 1 januari 2013 en over het restant vanaf 1 juni 2013, met veroordeling van [verweerder] in de proceskosten, alles bij vonnis dat uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard.

3.2.

ING Lease legt aan deze vordering de vaststellingsovereenkomst ten grondslag.

3.3.

[verweerder] voert verweer. Op grond van het bericht van ING Lease aan hem van 22 januari 2013 (hiervoor, 2.3) stelt hij dat ING Lease hem voor de eerste termijn uitstel van betaling heeft gegeven tot 31 januari 2013, op grond waarvan hij pas per die datum in verzuim is, en de wettelijke rente over de eerste termijn aldus pas vanaf 1 februari 2013 verschuldigd is.

3.4.

[verweerder] vordert bij wege van incident een voorlopige voorziening die inhoudt, samengevat, dat ING Lease wordt veroordeeld, bij vonnis dat uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard en met veroordeling van ING Lease in de kosten, om voor de duur van het geding het door haar gelegde beslag op te heffen, althans het bedrag waarvoor het beslag is gelegd te verminderen tot in hoofdsom het schikkingsbedrag uit de vaststellingsovereenkomst. In reconventie vordert [verweerder] opheffing van het beslag, althans veroordeling van ING Lease om het beslag op te heffen, althans een verklaring voor recht dat het beslag niet strekt tot zekerheid van verhaal van de vordering van ING Lease en daartoe ook niet kan dienen.

3.5.

[verweerder] legt aan zijn vorderingen in reconventie en zijn primaire vordering in het incident tot het verkrijgen van een voorlopige voorziening de stelling ten grondslag dat ING Lease haar vordering na en naar aanleiding van de vaststellingsovereenkomst heeft gewijzigd, dat zij daarmee de oorspronkelijke grondslag van haar vordering – de leaseovereenkomst –, ter verzekering waarvan zij het beslag had gelegd, heeft verlaten, dat het beslag echter niet is gelegd ter verzekering van de aanspraken van ING Lease uit de vaststellingsovereenkomst, en dat daarom het beslag als vervallen dient te worden beschouwd. [verweerder] geeft geen andere toelichting op zijn subsidiaire vordering in het incident tot het verkrijgen van een voorlopige voorziening, kennelijk stelt hij zich te dien aanzien eveneens op het standpunt dat het beslag is vervallen, maar dan slechts voor zover ING Lease haar eis in omvang heeft verminderd ten opzichte van haar oorspronkelijke vordering, waarvoor zij beslag had gelegd.

3.6.

ING Lease voert verweer tegen deze vorderingen en betwist daartoe allereerst, bij wege van incidenten, de internationale bevoegdheid van de kantonrechter om over deze vorderingen te oordelen.

3.7.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

de bevoegdheidsincidenten in het incident tot het verkrijgen van een voorlopige voorziening en in reconventie

4.1.

Partijen hebben de sectorbevoegdheid van de kantonrechter in het incident tot het verkrijgen van een voorlopige voorziening en in reconventie niet ter discussie gesteld. De kantonrechter acht zich sectorbevoegd wegens de samenhang van deze vorderingen met die in conventie – waarin de kantonrechter zich nog steeds sectorbevoegd acht (hierna, 4.6) –, welke samenhang zich naar zijn oordeel tegen afzonderlijke behandeling verzet (artikel 94 lid 2 j° 93 onder c Rv).

4.2.

De grondslag van de vorderingen in het incident tot het verkrijgen van een voorlopige voorziening en in reconventie is dat het door ING Lease gelegde beslag (partieel) is vervallen en daarom (partieel) dient te worden doorgehaald. Het gaat in het voorliggende geval om een beslag dat is ingeschreven in het Franse kadaster, waarin de beslagen onroerende zaak zelf is ingeschreven. De vorderingen hebben aldus de geldigheid van de betreffende inschrijving tot voorwerp.

4.3.

Met betrekking tot de vorderingen in reconventie betekent het voorgaande dat op voet van artikel 22 lid 3 EEX-Vo de Franse rechter exclusief bevoegd is. De kantonrechter zal zich ter zake van deze vorderingen aldus internationaal onbevoegd verklaren. Of deze onbevoegdheid tevens voortvloeit uit artikel 22 lid 1 EEX-Vo (zakelijk recht op onroerende zaak) en/of 22 lid 5 EEX-Vo (tenuitvoerlegging rechterlijke uitspraak), zoals ING Lease betoogt, kan daarom in het midden blijven.

4.4.

[verweerder] stelt dat met betrekking tot de door hem gevraagde voorlopige voorziening de kantonrechter bevoegd is op voet van artikel 31 EEX-Vo. Hij miskent daarmee echter dat artikel 31 EEX-Vo slechts de bevoegdheid van een aangezochte – ten gronde onbevoegde (vlg. hiervoor, 4.3, en wederom artikel 22 lid 3 EEX-Vo) – rechter om voorlopige of bewarende maatregelen te nemen onverlet laat, hetgeen betekent – onverlet laat – dat de aangezochte rechter volgens zijn eigen nationale regels van internationale bevoegdheid wel rechtsmacht voor die gevraagde maatregelen moet kunnen aannemen. Dat hiervan sprake is heeft [verweerder] niet gesteld en de door hem aangedragen feiten en hetgeen de kantonrechter overigens is gebleken kunnen hiervoor ook geen grondslag geven. Reeds om deze reden zal de kantonrechter zich ook met betrekking tot de door [verweerder] gevraagde voorlopige voorziening internationaal onbevoegd verklaren.

4.5.

[verweerder] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld in de bevoegdheidsincidenten. De kantonrechter begroot deze kosten in elk van beide procedures op € 300,00 voor salaris gemachtigde.

de vordering in conventie

4.6.

De kantonrechter acht zich ook na de eiswijziging van ING Lease sectorbevoegd (artikel 95 Rv), omdat naar zijn oordeel de oorspronkelijke vordering van ING Lease door de vaststellingsovereenkomst niet van identiteit is gewijzigd in de zin dat geen sprake meer is van huurkoop (artikel 93 sub c Rv en het vonnis van de rechtbank van 29 mei 2013 in deze zaak). Hiervoor is reeds redengevend dat partijen in de vaststellingsovereenkomst hebben afgesproken dat het door ING Lease gelegde beslag zal worden opgeheven na betaling door [verweerder]. Kennelijk hebben partijen hierbij voor ogen gehad dat de in de vaststellingsovereenkomst vastgelegde betalingsverplichting van [verweerder] werd gezekerd door het beslag, dat was gelegd ter verzekering van de betalingsverplichting van [verweerder] uit hoofde van de leaseovereenkomst. Partijen hebben met de vaststellingsovereenkomst aldus kennelijk geen vernieuwing van de oorspronkelijke schuld van [verweerder] aan ING Lease beoogd, maar slechts vaststelling daarvan.

4.7.

Partijen twisten slechts over de vraag of [verweerder] over de eerste termijn wettelijke rente verschuldigd is vanaf 1 januari of 1 februari 2013. ING Lease stelt dat zij slechts voorwaardelijk heeft ingestemd met verlenging van de eerste termijn, te weten onder de voorwaarde dat [verweerder] zou bevestigen dat hij binnen de nadere termijn zou betalen. Deze stelling wordt echter niet ondersteund door de eerste zin van het hiervoor in 2.3 geciteerde bericht van ING Lease, dat door de woorden “we accepted” kennelijk tot uitdrukking brengt dat de termijnverlenging al voorafgaande aan het betreffende bericht tussen ING Lease en [verweerder] was overeengekomen. ING Lease heeft niet onderbouwd dat bij die eerdere gelegenheid de voorwaarde was gesteld dat [verweerder] zou toezeggen daadwerkelijk binnen die nadere termijn te betalen (zo [verweerder] al niet geacht zou moeten worden dat te hebben toegezegd reeds door met ING Lease de termijnverlenging overeen te komen) en bij gebreke daarvan kon ING Lease die voorwaarde ook niet alsnog eenzijdig stellen. De wettelijke rente over de eerste termijn zal aldus worden toegewezen vanaf 1 februari 2013.

4.8.

[verweerder] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in conventie worden veroordeeld. De kantonrechter begroot deze kosten op € 896,00 aan vastrecht en € 2.400,00 voor salaris gemachtigde, totaal € 3.296,00.

5 De beslissing

De kantonrechter:

in het incident tot het verkrijgen van een voorlopige voorziening en in reconventie

5.1.

verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van de vorderingen in het incident tot het verkrijgen van een voorlopige voorziening en in reconventie,

5.2.

veroordeelt [verweerder] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van ING Lease, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 300,00 voor salaris gemachtigde in het incident tot het verkrijgen van een voorlopige voorziening, en € 300,00 voor salaris gemachtigde in reconventie,

in conventie

5.3.

veroordeelt [verweerder] om aan ING Lease te betalen € 1.000.000,00 vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over € 500.000,00 vanaf 1 februari 2013 en over het meerdere vanaf 1 juni 2013, tot de dag van voldoening;

5.4.

veroordeelt [verweerder] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van ING Lease, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 3.296,00, waarin begrepen € 2.400,00 aan salaris gemachtigde;

5.5.

verklaart dit vonnis in conventie uitvoerbaar bij voorraad;

5.6.

wijst in conventie het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.W. Frieling, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 11 december 2013.