Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:6091

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
03-12-2013
Datum publicatie
05-12-2013
Zaaknummer
C-16-334561 - FA RK 12-7707
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

beroep tegen beslissing BJZ om ots te mandateren ongegrond verklaard

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 254
Wet op de jeugdzorg
Wet op de jeugdzorg 1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2014/20 met annotatie van prof. mr. P. Vlaardingerbroek
Opleidingen Legal 2014/64

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Familierecht

locatie Utrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/16/354252 / JE RK 13-2760

mandatering uitvoering ondertoezichtstelling

Uitspraak van 3 december 2013 op het beroep

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen eiseres,

advocaat mr. R.F. Vogel,

tegen

STICHTING BUREAU JEUGDZORG UTRECHT,

gevestigd te Utrecht,

hierna te noemen verweerster.

1 Inleiding

Verweerster heeft bij besluit van 27 augustus 2013 eiseres niet-ontvankelijk verklaard in haar bezwaar tegen de beslissing van 14 mei 2013 van verweerster, strekkende tot afwijzing van het verzoek van eiseres tot intrekking van de mandatering aan de Willem Schrikker Jeugdbescherming (hierna: WSJ).

Eiseres heeft tegen het besluit van 27 augustus 2013 beroep ingesteld en tevens verzocht verweerster in de proceskosten van deze procedure te veroordelen.

Het beroep is op 22 oktober 2013 ter zitting behandeld, waar eiseres in persoon is verschenen, bijgestaan door haar advocaat. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mevrouw drs. [A] en mevrouw mr. [B]. Voorts was aanwezig de heer [C] van WSJ.

2 Overwegingen

Bij beschikking van deze rechtbank van 4 juni 2013 is de ondertoezichtstelling van de minderjarige [minderjarige 1], geboren op [2011] te [woonplaats], verlengd tot 16 december 2013.

Bij beschikking van deze rechtbank van 4 juni 2013 is de ondertoezichtstelling van de minderjarige [minderjarige 2], geboren op[2001] te [woonplaats], verlengd tot 16 juni 2014.

Bij beschikkingen van deze rechtbank van 4 juni 2013 zijn de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing van de minderjarige [minderjarige 3], geboren op[2009] te [woonplaats], verlengd tot 16 juni 2014.

Verweerster heeft de uitvoering van de ondertoezichtstelling gemandateerd aan WSJ. Eiseres is het hier (niet langer) mee eens en heeft verweerster verzocht om over te gaan tot intrekking van de mandatering aan WSJ. Bij beslissing van 14 mei 2013 heeft verweerster het verzoek van eiseres afgewezen. Eiseres heeft vervolgens bij brief van 24 juni 2013 bezwaar gemaakt tegen de beslissing. Op 27 augustus 2013 heeft verweerster eiseres

niet ontvankelijk verklaard in haar bezwaar.

De rechtbank overweegt als volgt.

In het mandaatbesluit (in werking getreden met ingang van 1 januari 2005) is geregeld dat de Stichting die een Bureau Jeugdzorg in stand houdt (als bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de Jeugdzorg), aan de directeuren van de instelling met een landelijk bereik zoals WSJ, mandaat, volmacht en machtiging kan verlenen tot het nemen van besluiten en het verrichten van (rechts)handelingen die betrekking hebben op de uitvoering van (onder andere) een ondertoezichtstelling. Dit mandaatbesluit staat in rechte vast. Dit betekent dat verweerster er toe over kon gaan de ondertoezichtstelling uit te laten voeren door de WSJ. De beslissing de uitvoering van de ondertoezichtstelling in dit individuele geval aan WSJ over te dragen is gegrond op voornoemd mandaatbesluit. Nog daargelaten of de toedeling van uitvoering van de ondertoezichtstelling is aan te merken als een besluit als in de Algemene wet bestuursrecht, stelt de rechtbank vast dat eiseres bij de toedelingsbeslissing van deze zaak aan de WSJ geen rechtstreeks betrokken belang heeft. Dit is uiteraard anders bij een besluit dat de WSJ vervolgens zou nemen in het kader van de uitvoering van de ondertoezichtstelling, maar dat ligt in deze procedure niet voor. Nu geen bezwaar tegen deze toedeling van de uitvoering van de ondertoezichtstelling aan WSJ kan worden gemaakt, volgt hieruit dat ook tegen de weigering deze toedeling ongedaan te maken geen bezwaar kan worden gemaakt.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerster eiseres terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in haar bezwaar. Nu tegen deze beslissing op bezwaar beroep openstaat bij de bestuursrechter zal de rechtbank het beroep ongegrond verklaren. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

3 Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.P. de Beij, rechter, in tegenwoordigheid van
mr. T.M.M.P. Westbroek als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 3 december 2013.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.