Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:5911

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
20-11-2013
Datum publicatie
27-11-2013
Zaaknummer
354572 / HA RK 13-286
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wrakingszaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingslocatie Utrecht

Zaaknummer / rekestnummer: 354572 / HA RK 13-286

beslissing van 20 november 2013 van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken,

op het verzoek in de zin van artikel 36 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van:

[verzoeker] (hierna te noemen: [verzoeker]),

wonende te [woonplaats],

verzoeker.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van de hoofdzaak op 10 oktober 2013;

- het wrakingsverzoek van [verzoeker] van 10 oktober 2013 en de aanvullingen hierop;

- de schriftelijke reactie op het wrakingsverzoek van mr. H. Phaff; en

- de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek op 5 november 2013.

1.2.

Bij de mondelinge behandeling zijn verzoeker, de gewraakte rechter alsmede de heer [A] verschenen.

1.3.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 Het wrakingsverzoek

2.1.

Het verzoek tot wraking is gericht tegen mr. H. Phaff als rechter in de behandeling van het door [verzoeker] ingediende verzoekschrift strekkende tot vernietiging of nietig-verklaring van een besluit van de Vereniging van Eigenaars [naam] van 21 maart 2013, geregistreerd onder zaaknummer 2029290 AE VERZ 13-96.

2.2.

[verzoeker] heeft aan het verzoek tot wraking - kort gezegd - ten grondslag gelegd dat mr. Phaff geen kennis wilde nemen van de voor hem essentiële stukken in de zaak, namelijk de ‘Groene Klapper’, alsmede dat hij door mr. Phaff onvoldoende in de gelegenheid is gesteld om alles naar voren te brengen wat hij wilde. Zo mocht hij zijn pleitnota niet voorlezen of overleggen.

2.3.

Mr. Phaff heeft naar voren gebracht dat zij nog geen beslissing heeft genomen over de vraag of [verzoeker] de ‘Groene Klapper’ op de juiste wijze in het geding heeft gebracht en deze klapper deel uitmaakt van de stukken in de betreffende verzoekschriftprocedure.

Voorts heeft mr. Phaff naar voren gebracht dat zij [verzoeker] ter zitting uitgebreid de gelegenheid heeft gegeven om zijn standpunt nader toe te lichten. Mr. Phaff achtte zich voldoende voorgelicht. Op de vraag van mr. Phaff, aan het einde van de behandeling, of [verzoeker] nog iets naar voren wenste te brengen, liet hij weten nog een pleitnota van 18 pagina’s te willen voordragen. Mr. Phaff heeft daar niet mee ingestemd en heeft aangegeven dat [verzoeker] 4 of 5 punten uit de pleitnota naar voren mocht brengen. Hiervan heeft [verzoeker] geen gebruik gemaakt.

3 De beoordeling

3.1.

Voor de beoordeling van dit wrakingsverzoek is de toepasselijke norm gegeven in artikel 36 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), in samenhang met de door de Hoge Raad en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens ontwikkelde criteria. Artikel 36 Rv bepaalt dat op verzoek van een partij de rechter die een zaak behandelt kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

3.2.

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van rechterlijke onpartijdigheid in de zin van artikel 36 Rv en artikel 6 EVRM dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procespartij bestaande vrees dienaangaande objectief gerechtvaardigd is.

3.3.

Er zijn geen feiten en/of omstandigheden gesteld dan wel gebleken op grond
waarvan thans geoordeeld dient te worden dat sprake is van persoonlijke vooringenomenheid van mr. Phaff jegens [verzoeker]. Te onderzoeken staat vervolgens of de aangevoerde of overigens naar voren gekomen omstandigheden, voor zover aannemelijk geworden, niettemin een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de bij [verzoeker] dienaangaande bestaande vrees dat mr. Phaff jegens hem een vooringenomenheid koestert

- objectief - gerechtvaardigd is.

3.4.

Mr. Phaff heeft ter zitting van de wrakingskamer naar voren gebracht nog geen beslissing te hebben genomen over de vraag of [verzoeker] de ‘Groene Klapper’ op de juiste wijze in het geding heeft gebracht en deze klapper deel uitmaakt van de stukken in de betreffende verzoekschriftprocedure. Nu hierop dus nog niet is beslist, kan dit geen grond opleveren voor toewijzing van het wrakingsverzoek.

3.5.

Het feit dat [verzoeker] zijn 18 pagina’s tellende pleitnota niet mocht voordragen, noch mocht overleggen, kan evenmin de schijn van vooringenomenheid hebben gewekt. De rechtbank overweegt daartoe dat uit het proces-verbaal van de zitting van 10 oktober 2013 kan worden afgeleid dat [verzoeker] voldoende in de gelegenheid is gesteld om de achtergrond en de kern van zijn standpunten naar voren te brengen. Ook is [verzoeker] aan het eind van de behandeling nog in de gelegenheid gesteld om 4 of 5 punten uit de pleitnota naar voren te brengen. [verzoeker] heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt.

3.6.

Gelet op het bovenstaande kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden geoordeeld dat mr. Phaff blijk heeft gegeven van vooringenomenheid jegens [verzoeker] dan wel dat de vrees daartoe objectief gerechtvaardigd is.

3.7.

Het voorgaande leidt ertoe dat het verzoek wordt afgewezen.

4 De beslissing

De rechtbank:

4.1.

wijst het verzoek tot wraking van mr. Phaff af;

4.2.

draagt de griffier van de wrakingskamer op een afschrift van deze beslissing toe te zenden aan [verzoeker], mr. Phaff alsmede aan de voorzitter van de afdeling civiel en de president van deze rechtbank;

4.3.

bepaalt dat de hoofdzaak dient te worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.

Deze beslissing is gegeven door mr. L.E. Verschoor-Bergsma, voorzitter, mr. P. Bender en mr. A.A.T. van Rens, leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. A. van der Landen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 20 november 2013.

de griffier is buiten staat om de voorzitter

deze beslissing mede te ondertekenen

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.