Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:5908

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
20-11-2013
Datum publicatie
02-12-2013
Zaaknummer
C-07-204401 - HL ZA 12-207
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tussenvonnis in boedelscheiding. Man had zonder toestemming van de vrouw onroerende zaken en aandelen verkocht en geleverd aan neef c.q. broer. Wegens onbevoegdheid van de man was de eigendom niet overgegaan en behoren de onroerende zaken en de aandelen n

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

handelskamer

locatie Lelystad

zaaknummer / rolnummer: C/07/204401 / HL ZA 12-207

Vonnis van 20 november 2013

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats],

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. M. Kashyap te Amsterdam,

tegen

1 [gedaagde 1],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. A.K. Oostlander-Vos te Haarlem,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[X] MONUMENTEN B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. V. Bakker te Amsterdam,

3. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. V. Bakker te Amsterdam,

4. [gedaagde 3],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. V. Bakker te Amsterdam.

Partijen zullen hierna de vrouw, de man, [X] Monumenten, de broer en de neef worden genoemd, en gedaagden gezamenlijk ook de man c.s.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 6 maart 2013

  • -

    de bij brief van 3 juni 2013 toegezonden producties 52-59 van de man

  • -

    de akte vermeerdering van eis van de vrouw van 17 juni 2013, met productie 19

  • -

    de bij brief van 10 juni 2013 toegezonden productie 20 van de vrouw

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 17 juni 2013

  • -

    de brief van mr. Kashyap van 23 juli 2013 naar aanleiding van het proces-verbaal.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

1.3.

De hiervoor vermelde brief van mr. Kashyap van 23 juli 2013 is niet van invloed op de in dit vonnis te nemen beslissingen, behoudens hetgeen hierna is vermeld in 4.32 (en waarin met bedoelde brief rekening is gehouden). De brief wordt aan het proces-verbaal gehecht en maakt daarmee deel uit van de processtukken.

2 De feiten

2.1.

De vrouw en de man zijn gehuwd geweest in algehele gemeenschap van goederen. Bij beschikking van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 4 augustus 2004 is hun echtscheiding uitgesproken. Deze is op 24 augustus 2004 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

2.2.

De broer is broer van de man. De neef is zoon van de broer en daarmee neef (oomzegger) van de man.

2.3.

Tot de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap behoorden per 24 augustus 2004 in ieder geval de volgende goederen (en, wat sub a., g., h. en i. betreft, (mogelijk) tevens schulden):

  1. het (afgescheiden) vermogen van de vennootschap onder firma Café Restaurant [naam] te [vestigingsplaats], in welke vennootschap de man en de vrouw beiden vennoot waren (hierna: de VOF);

  2. alle aandelen in [X] Monumenten;

  3. het appartementsrecht [adres] te [woonplaats] (gemeente [woonplaats], sectie D, nummer [nummer]) (hierna: pand [woonplaats]);

  4. het appartementsrecht [adres] te [woonplaats] (gemeente [woonplaats], sectie AL, nummer AL [nummer]) (hierna: pand [woonplaats]);

  5. de voormalige echtelijke woning aan de[adres] te [woonplaats] (gemeente [woonplaats], Sectie U, nummer [nummer]) (hierna: pand [woonplaats]);

  6. een speedboot;

  7. saldi op diverse bankrekeningen;

  8. een schuld aan de gemeente Bodegraven ter zake van onterecht genoten bijstandsuitkeringen;

  9. een aan het pand [woonplaats] verbonden hypothecaire schuld.

2.4.

De man heeft bij brief van 15 november 2004 de VOF opgezegd. De man heeft de onderneming vervolgens als eenmanszaak voortgezet. De onderneming werd gedreven in het pand [adres]/[adres] te [vestigingsplaats], welk pand tot in het eerste halfjaar van 2013 eigendom was van [X] Monumenten.

2.5.

De man heeft, zonder daarvoor toestemming van de vrouw te hebben gevraagd of verkregen, de aandelen in [X] Monumenten en het pand [woonplaats] verkocht en geleverd aan de neef in 2008 respectievelijk 2009, voor € 21.859,00 respectievelijk € 315.000,00.

2.6.

Wegens diefstal van de speedboot heeft de man een verzekeringsuitkering ontvangen van € 14.364,00.

3 Het geschil

3.1.

De vrouw heeft in conventie, na vermeerdering en wijziging van eis, samengevat gevorderd:

  1. verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap van de man en de vrouw, voor zover het betreft de hiervoor in 2.2 onder b., c., e. en g. genoemde goederen, de voor de speedboot (2.2 onder f.) in de plaats getreden verzekeringsuitkering (2.5) alsmede een zestal appartementen te Spanje, die volgens de vrouw ook tot de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap behoren, aldus dat de aandelen in [X] Monumenten en het pand [woonplaats] worden toebedeeld aan de vrouw, en de overige goederen aan de man, met dien verstande dat voor drie van de zes appartementen (door de vrouw aangeduid als appartementen D, E en F) de vrouw aanspraak maakt op vergoeding van niet de helft van maar de volledige waarde op voet van artikel 3:194 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) (verzwijging);

  2. veroordeling van de man tot betaling aan de vrouw van € 1.550.000,00 en € 20.485,89, vermeerderd met rente, wegens de verdelingen die reeds hebben plaatsgevonden van de VOF en het pand [woonplaats];

  3. nietigverklaring (artikel 3:190 lid 1 BW) of vernietiging (artikel 3:45 BW) van de verkopen en leveringen door de man aan de neef van de aandelen [X] Monumenten en het pand [woonplaats], en de verkoop en levering die volgens de vrouw ook heeft plaatsgevonden tussen de man en de broer met betrekking tot drie van de zes Spaanse appartementen (door de vrouw aangeduid als appartementen A, B en C);

  4. veroordeling van de neef, de broer en [X] Monumenten tot medewerking aan teruglevering van het hiervoor sub c. genoemde;

  5. veroordeling van de man tot overlegging van bankafschriften van of van rond 24 augustus 2004, met betrekking tot de hiervoor in 2.2 onder g. bedoelde bankrekeningen;

alles bij vonnis dat uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard, met veroordeling van de man c.s. in de kosten.

3.2.

De man c.s. voert verweer en beroept zich daarbij op verjaring, bekrachtiging door de vrouw, goede trouw van de man c.s., zaakwaarneming, ontbreken van benadeling en (daarmee) belang voor de vrouw, en redelijkheid en billijkheid. Verder stelt de man c.s. dat de man de Spaanse appartementen A, B en C reeds vóór de ontbinding van het huwelijk heeft verkocht en vervreemd, zodat deze niet behoorden of behoren tot de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap. De man c.s. betwist voorts de door de vrouw gevorderde wettelijke rente.

3.3.

In reconventie heeft de man c.s. veroordeling van de vrouw gevorderd, bij vonnis dat uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard, tot betaling aan de man van € 272.846,00, vermeerderd met rente en kosten.

3.4.

Aan deze vordering in reconventie heeft de man c.s. de volgende posten ten grondslag gelegd:

  1. 50% van de negatieve waarde van de VOF: € 86.034,00;

  2. 50% van de negatieve verkoopopbrengst van het pand [woonplaats] (restschuld hypothecaire lening, vlg. hiervoor 2.1 sub i): € 75.367,00;

  3. 50% van de gemeentebelasting over de jaren 2007, 2008 en 2009 voor het pand [woonplaats]: € 2.538,00;

  4. 50% van de VvE-bijdrage voor het pand [woonplaats]: € 9.491,00;

  5. 50% van de verbouwingskosten van het pand [woonplaats]: € 1.359,00;

  6. 50% van een betalingsverplichting aan de heer[A] (hierna: [A]): € 35.067,00;

  7. een gebruiksvergoeding voor het pand [woonplaats]: € 27.000,00;

  8. uit hoofde van geldlening: € 17.000,00;

  9. uit hoofde van geldlening voor een Peugeot: € 5.000,00;

  10. wegens overdracht van een Chrysler: € 9.000,00;

  11. wegens voldoening van premies ziektekostenverzekering voor de vrouw: € 4.930,00

3.5.

De man c.s. heeft als productie 2 een overzicht overgelegd met diverse posten en bedragen. Deze komen deels overeen met hiervoor in 3.4 genoemde posten en bedragen. Omdat er echter ook verschillen zijn, en de man c.s. voor zijn vordering in reconventie niet nader verwijst naar deze productie 2, laat de rechtbank dat overzicht voorshands buiten beschouwing, en gaat uit van de anderszins door de man c.s. genoemde posten en bedragen, waarnaar hij wel nader verwijst.

3.6.

De vrouw voert op onderdelen verweer tegen de vordering in reconventie.

3.7.

De rechtbank gaat er voorshands vanuit dat partijen met de door hen ter comparitie getroffen regeling hebben beoogd de eis in conventie 4.1 sub b. te verminderen met € 15.000,00 en de eis in reconventie onder 4.4 sub h. tot € 7.000,00 en sub i. tot nihil, alles voor zover van toepassing met inbegrip van de over die verminderingen gevorderde rentes. De rechtbank gaat er voorts voorshands vanuit dat partijen met de door hen ter comparitie getroffen regeling hebben beoogd de eis in conventie 3.1 sub a. onderdeel e. (pand [woonplaats]) aan te passen conform die aldus getroffen regeling op dit punt, zonder dat de man daartegen verder nog verweer voert.

3.8.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

de verweren en vorderingen van de neef, de broer en [X] Monumenten in reconventie, voor zover afwijkend van die van de man

4.1.

Niet duidelijk is wat het belang is van de neef, de broer en [X] Monumenten bij hun vordering in reconventie tot betaling aan de man van diverse bedragen. De neef, de broer en [X] Monumenten dienen zich daarover uit te laten en zich voorts uit te laten over hun belang bij hun verweer in conventie en hun vorderingen in reconventie, voor zover die strekken tot afwijking van hetgeen blijkens het hiervoor in 3.7 en hierna in 4.40 vermelde, tussen de man en de vrouw is overeengekomen.

vordering in conventie: beschikkingsonbevoegdheid man

4.2.

De vrouw doet een beroep op beschikkingsonbevoegdheid van de man ten aanzien van de verkoop en levering van de aandelen in [X] Monumenten en het pand [woonplaats] aan de neef.

4.3.

Ingevolge artikel 3:190 BW kan een deelgenoot in een bijzondere gemeenschap als de onderhavige niet beschikken over zijn aandeel in een tot de gemeenschap behorend goed afzonderlijk, zonder toestemming van de overige deelgenoten. De man heeft erkend dat hij geen toestemming heeft gevraagd aan of verkregen van de vrouw. De man was derhalve in beginsel niet bevoegd over zijn aandelen in de aandelen [X] Monumenten en het pand [woonplaats] te beschikken, laat staan ook de aandelen van de vrouw daarin, zodat ingevolge artikel 3:84 BW uitgangspunt is dat de eigendom daarvan niet is overgegaan en alsnog verdeling dient plaats te vinden.

verweren in conventie: verjaring, bekrachtiging, goede trouw, zaakwaarneming, ontbreken van benadeling/belang, redelijkheid en billijkheid

4.4.

Voor zover het verjaringsverweer van de man c.s. is gericht op de vordering van de vrouw tot verdeling faalt dit verweer, nu een vordering tot verdeling niet aan verjaring is onderworpen. Voor zover het is gericht op de op voet van artikel 3:190 lid 1 BW gebaseerde vordering van de vrouw tot nietigverklaringen faalt het evenzeer, nu ook een dergelijke vordering niet blootstaat aan verjaring. Voor zover het verweer is gericht op de door de vrouw gevorderde vernietigingen, komt de rechtbank hieraan (vooralsnog) niet toe. Wat betreft de aandelen [X] Monumenten en het pand [woonplaats] niet omdat de rechtbank de betreffende overdrachten nietig oordeelt (hierna, 4.11). Wat betreft de Spaanse appartementen A, B en C vooralsnog niet omdat de vrouw nog niet heeft gereageerd op het verweer van de man dat deze niet behoorden of behoren tot de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap, en de rechtbank er vooralsnog vanuit gaat dat de vordering van de vrouw op dit onderdeel slechts is gebaseerd op de – aldus door de man betwiste – grondslag dat deze daartoe wél behoorden.

4.5.

Aan zijn bekrachtigingsverweer legt de man c.s. de stelling ten grondslag dat de vrouw ter zake van door hem verrichte transacties gelden heeft ontvangen en behouden. Hij spitst dit verweer echter niet toe op transacties waarvan de vrouw in dit geding nietigverklaring of vernietiging vordert, terwijl met betrekking tot die transacties ook niet van dergelijke ontvangsten door de vrouw is gebleken. Dit verweer faalt dus.

4.6.

Het verweer dat een beroep doet op goede trouw van de man c.s. betreft klaarblijkelijk de transacties met de aandelen [X] Monumenten en het pand [woonplaats]. Dit verweer faalt. Wegens het ontbreken van toestemming van de vrouw was de man niet bevoegd te beschikken over de aandelen en het pand te [woonplaats]. Wegens zijn beschikkingsonbevoegdheid is de eigendom niet overgegaan (artikelen 3:190 lid 1 j° 3:84 lid 1 BW). Goede trouw van de neef, zou daarvan sprake zijn, met betrekking tot de beschikkings(on)bevoegdheid van de man, beschermt hem niet: artikel 10:131, 10:138 j° 3:88 BW.

4.7.

Het verweer dat beroep doet op zaakwaarneming, dat kennelijk (slechts) ziet op de aandelen [X] Monumenten en het pand [woonplaats], faalt ook. De rechtbank gaat er vanuit, bij ontbreken van indicaties van het tegendeel, dat de man bedoelt te stellen dat hij mede namens de vrouw heeft verkocht. Voor zover de man c.s. zich beroept op de eigen onwetendheid van de man met betrekking tot zijn beschikkingsonbevoegdheid (artikel 3:190 lid 1 BW), geldt dat hij dit beroep onvoldoende heeft onderbouwd in het licht van de door de vrouw in het geding gebrachte processtukken met betrekking tot een tussen de man, de vrouw en de broer al in december 2004 gevoerde procedure waarin de man en de broer wél – maar tevergeefs – medewerking van de vrouw hadden gevraagd aan vervreemding van het pand [woonplaats] aan de broer. Hierbuiten heeft de man geen reden, laat staan een goede reden genoemd om over deze door hem beoogde transacties geen voorafgaand overleg te voeren met de vrouw. Reeds hierom kan niet worden gezegd dat de man zich met deze transacties op redelijke grond heeft ingelaten met wat hij kwalificeert als behartiging van de belangen van de vrouw, betreffende deze vermogensbestanddelen.

4.8.

De man c.s. beroept zich op ontbreken van benadeling en daarmee ontbreken van belang van de vrouw ter zake van de door haar aangevochten transacties. De man c.s. stelt in dit kader dat de door de man vervreemde vermogensbestanddelen destijds voor reële prijzen zijn verkocht, en nu minder zouden opleveren als ze opnieuw zouden moeten worden verkocht, ten minste wanneer de investeringen die de verkrijgers daarop intussen hebben verricht, daarbij zouden worden verdisconteerd. Hij stelt dat artikel 3:190 BW niet de door de vrouw beoogde consequentie van nietigheid of vernietigbaarheid van de rechtsvorderingen beoogt. De ontbonden gemeenschap moet worden verdeeld met hetgeen in de plaats is gekomen van de vermogensbestanddelen.

4.9.

De rechtbank begrijpt dat de man c.s. met dit verweer slechts doelt op het pand [woonplaats]. De vrouw erkent dat met eventuele investeringen van de neef met betrekking tot het pand [woonplaats] rekening kan worden gehouden. De rechtbank verwerpt het verweer. De vrouw heeft belang bij de verdeling. Als niet alsnog tot verdeling zou worden overgegaan, betekent dit dat het pand haar mede-eigendom zou blijven (hierna, 4.11), met mogelijk (onbedoeld) ook de aansprakelijkheden die daarbij behoren. De vrouw heeft er belang bij dat aan die situatie een einde wordt gemaakt door middel van verdeling. Dit neemt overigens niet weg dat indien de man op grond van zijn rechtsverhouding tot de vrouw aanspraak zou kunnen maken op toedeling van het pand aan hem, hij in plaats van die toedeling – maar met eerbiediging van de financiële consequenties die aan die toedeling zouden zijn verbonden – zou kunnen verlangen dat de vrouw meewerkt aan levering van het pand aan de neef, door alsnog haar toestemming aan de door de man verrichte overdracht aan de neef te geven.

4.10.

De man c.s. beroept zich voorts op redelijkheid en billijkheid ten betoge dat de door de man verrichte en door de vrouw aangevallen transacties in stand moeten worden gelaten, omdat de betreffende vermogensbestanddelen destijds voor reële prijzen zijn verkocht, en de man destijds geen beter alternatief had. De man voert dit verweer kennelijk aan voor de aandelen en voor het pand [woonplaats]. De rechtbank verwerpt dit verweer. Uitgangspunt is de nietigheid van de overdracht van de aandelen [X] Monumenten en van het pand [woonplaats] aan de neef. Indien de man met zijn stellingen beoogt op grond van de redelijkheid en de billijkheid de nietigheid opzij te zetten, dan heeft hij onvoldoende gesteld om tot een zo verstrekkende conclusie te komen. Indien de man beoogt de waardepeildatum te stellen op de datum van verkoop aan de neef, overweegt de rechtbank als volgt. Uitgangspunt is dat de (beoogde) datum van verdeling als peildatum voor de waardering dient te gelden. Op grond van redelijkheid en billijkheid kan daarvan wel worden afgeweken (HR 22 maart 1996, NJ 1996/710, sindsdien vaste rechtspraak), maar de omstandigheden die de man c.s. daartoe aanvoert zijn onvoldoende om van het uitgangspunt af te wijken. Hetgeen de rechtbank hiervoor (r.0. 4.7) heeft geoordeeld met betrekking tot het zaakwaarnemingsverweer van de man c.s. staat in de weg aan het onderhavige verweer. Het is aan de man te wijten dat hij, wetende dat hij toestemming van de vrouw nodig had, geen toestemming heeft gevraagd.

4.11.

Het vorenstaande betekent dat de eigendom van de aandelen [X] Monumenten en het pand [woonplaats] niet zijn overgegaan op de neef. De aandelen en het pand [woonplaats] maken onderdeel uit van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap en zullen in de verdeling worden betrokken.

peildatum samenstelling ontbonden huwelijksgoederengemeenschap

4.12.

De peildatum voor de samenstelling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap is 24 augustus 2004, de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

peildatum waardebepaling

4.13.

Uitgangspunt is dat de te verdelen goederen en toe te rekenen schulden moeten worden gewaardeerd naar het (beoogde) moment van verdeling.

Spaanse appartementen A-F (conventie 3.1 sub a., c., d.)

4.14.

De man c.s. dient een Nederlandse vertaling in het geding te brengen van de door hem als productie 8 overgelegde in het Spaans gestelde koopakte. De vrouw mag vervolgens reageren op het verweer van de man c.s. met betrekking tot de Spaanse appartementen A, B en C, inhoudende dat hij deze vóór de ontbinding van het huwelijk heeft vervreemd, en deze dus geen deel uitmaken of uitmaakten van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap.

4.15.

De man heeft bezwaar gemaakt tegen de vermeerdering van eis van de vrouw van 17 juni 2013, met betrekking tot de Spaanse appartementen D, E en F. De rechtbank passeert dit bezwaar omdat de eisvermeerdering niet in strijd is met de goede procesorde. De vrouw dient Nederlandse vertalingen in het geding te brengen van de in het Spaans gestelde stukken die zij als productie 20 in het geding heeft gebracht. Daarbij kan zij deze stukken nog van een toelichting voorzien. De man c.s. mag vervolgens op de eisvermeerdering reageren.

vermogen VOF (conventie 3.1 sub b./reconventie 3.4 sub a.)

4.16.

Partijen zijn het erover eens dat de activa van de VOF feitelijk reeds zijn verdeeld, en de passiva toegedeeld (beide door toedeling aan de man); het gaat er slechts om de waarde van het VOF-vermogen vast te stellen. Ter comparitie zijn de man en de vrouw overeengekomen dat de peildatum voor deze waardebepaling 31 december 2004 moet zijn.

4.17.

De man c.s. beroept zich voor zijn vordering in reconventie sub. a op een door hem als productie 12 overgelegd financieel rapport met betrekking tot de voorheen door de VOF en in elk geval per 1 januari 2005 door de man gedreven onderneming over de periode 19 november-31 december 2004, waaruit een kapitaal (activa -/- passiva) blijkt van -/-€ 172.069,00, welk bedrag volgens de man c.s. de waarde van de VOF vertegenwoordigt per laatstgenoemde datum.

4.18.

De vrouw gaat uit van een waarde van € 3.100.000,00, volgens haar gelijk aan een door de man ontvangen beëindigingsvergoeding met betrekking tot de onderneming, althans minimaal € 272.268,12, het bedrag (destijds in guldens) dat zij in 1997 voor de onderneming heeft betaald. De vrouw betwist de juistheid van de door de man c.s. overgelegde cijfers van de VOF; zij stelt dat de werkelijke omzetten van de VOF veel hoger waren dan in de door de man c.s. overgelegde cijfers is verantwoord.

4.19.

Vaststaat dat [X] Monumenten het pand waarin de onderneming werd gedreven op 12 maart 2013 heeft verkocht voor een koopprijs van totaal € 4.785.000,00 k.k., bestaande uit de volgende componenten:

- € 2.750.000,00 voor het registergoed;

- € 1.600.000,00 voor de uitkoop van de zittende huurders;

- € 400.000,00 voor de ontbinding van het huurcontract met KPN;

- € 35.000,00 ter compensatie van inkomstenderving.

4.20.

De man stelt dat de uitkoopsom voor zittende huurders tot een bedrag van € 1.000.000,00 is bestemd voor CV De Passage (hierna: de CV), die volgens een door de man overgelegd uittreksel uit het handelsregister en een schriftelijke verklaring van mevrouw[W], het voorheen door de VOF en nadien de man gedreven horecabedrijf sinds 1 november 2010 dreef, en waarin volgens diezelfde stukken de neef stille vennoot was.

4.21.

De rechtbank zal op voet van artikel 194 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) een of meer deskundigen benoemen ter bepaling van de waarde van de VOF per 31 december 2004. Naar het voorlopig oordeel van de rechtbank dient daarbij te worden uitgegaan van de waarde in het economisch verkeer. De man c.s. zal in elk geval jaarrekeningen van de CV over de jaren 2010-2013 in het geding moeten brengen, en een toelichting moeten geven over hoe en op basis waarvan de volgens hem met de CV overeengekomen afkoopsom van € 1.000.000,00 is bepaald, dit alles ter oriëntatie op de verhouding tussen de resultaten en/of vrije kasstromen van de CV in de periode voorafgaand aan haar uitkoop in relatie tot de met haar overeengekomen uitkoopsom enerzijds, en de verhouding tussen de resultaten en/of vrije kasstromen van de VOF in de periode voorafgaand aan de uittreding van de vrouw (31 december 2004) in relatie tot de door partijen genoemde waardes van de VOF voor die datum anderzijds.

4.22.

De vrouw heeft er nog een punt van gemaakt dat ten laste van de VOF betalingen zijn gedaan aan de gemeente Bodegraven ter aflossing van de schuld van partijen aan de gemeente, en dat daarom een bedrag van € 9.000,00 ten laste van het kapitaal van de man moet worden gebracht. De rechtbank oordeelt hierover als volgt. Voor zover in de periode 24 augustus-31 december 2004 ten laste van de VOF betalingen op bedoelde schuld mochten zijn gedaan, dienen deze inderdaad ten laste van het kapitaal van de man te worden geboekt. Voor zover dit niet aldus in de administratie van de VOF is verwerkt, dient dit alsnog te gebeuren, althans dient voor de waardebepaling van de VOF per 31 december 2004 hiermee rekening te worden gehouden.

4.23.

Partijen dienen zich uit te laten over het aantal en de kwalificatie(s) van de te benoemen deskundige(n) en de aan deze(n) te stellen vragen, en wie van partijen de kosten van de deskundige(n) dient/dienen te bevoorschotten.

aandelen [X] Monumenten (conventie 3.1 sub a., c. en d.)

4.24.

Nu de eigendom van de aandelen niet is overgegaan en nog in de gemeenschap rust, dient de waarde van de aandelen op datum verdeling te worden vastgesteld. De rechtbank zal op voet van artikel 194 Rv een of meer deskundigen benoemen ter bepaling van de actuele waarde van de aandelen [X] Monumenten. Naar het voorlopig oordeel van de rechtbank dient daarbij te worden uitgegaan van de waarde in het economisch verkeer. Daarbij zal/zullen de deskundige(n) zich tevens dienen uit te laten over eventueel te voorziene waardeontwikkeling in een periode van zes maanden na zijn/haar/hun bericht.

4.25.

De deskundige(n) zal/zullen zich tevens dienen uit te laten over het zakelijk karakter van (de hoogte van) door [X] Monumenten met de CV en de door de man bestuurde en aan de neef in eigendom toebehorende besloten vennootschap [B] [vestigingsplaats] overeengekomen uitkoopsommen.

4.26.

Partijen dienen zich uit te laten over het aantal en de kwalificatie(s) van de te benoemen deskundige(n) en de aan deze(n) te stellen vragen, en wie van partijen de kosten van de deskundige(n) dient/dienen te bevoorschotten.

pand [woonplaats] (conventie 3.1 sub a., c., d./reconventie 3.4 sub b.-f.)

4.27.

Er dient een actuele waardebepaling plaats te vinden, omdat de eigendom van het pand [woonplaats] niet is overgegaan en nog in de gemeenschap rust. De man c.s. dient opgave te doen, onderbouwd met stukken, van de volgens hem na verkoop aan de neef door deze verrichte investeringen. Ook dient de man opgave te doen van het verloop van de hypothecaire geldlening(en) op het pand [woonplaats] in de periode 24 augustus 2004-22 juli 2009 (datum levering).

4.28.

De vrouw mag nog reageren op de vorderingen in reconventie 3.4 sub c., d. en e.

4.29.

De rechtbank zal op voet van artikel 194 Rv een of meer deskundigen benoemen ter bepaling van de actuele waarde van het pand [woonplaats]. Naar het voorlopig oordeel van de rechtbank dient daarbij te worden uitgegaan van de waarde in het economisch verkeer. Daarbij zal/zullen de deskundige(n) zich tevens dienen uit te laten over eventueel te voorziene waardeontwikkeling in een periode van zes maanden na zijn/haar/hun bericht.

4.30.

Partijen dienen zich uit te laten over het aantal en de kwalificatie(s) van de te benoemen deskundige(n) en de aan deze(n) te stellen vragen, en wie van partijen de kosten van de deskundige(n) dient/dienen te bevoorschotten.

schuld [C]

4.31.

De man c.s. stelt dat tot de huwelijksgemeenschap behoort een schuld aan de heer[C] ten bedrage van ƒ 53.381,47/€ 24.223,45. De rechtbank constateert dat de man deze stellingen over de schuld [C] in conventie naar voren brengt. Hoewel hij daar in reconventie geen vordering aan verbindt, begrijpt de rechtbank de stellingen van de man c.s. aldus, dat hij vordert dat de schuld [C] wel in de verdeling wordt betrokken.

4.32.

De vrouw betwist het bestaan van de betreffende schuld. Zij stelt dat bewijs van betaling door [C] of ontvangst ervan door de man, tezamen met een verklaring van [C] dat op de peildatum (24 augustus 2004) de schuld nog altijd bestond, voor haar voldoende is. In de door de man c.s. als productie 46 overgelegde verklaring is vermeld dat de man het betreffende bedrag op 27 juni 1996 op zijn bankrekening heeft ontvangen. Gelet op de betwisting van de vrouw, wordt de man c.s. in de gelegenheid gesteld om bewijsstukken ter zake van betaling of ontvangst (bijvoorbeeld een bankafschrift waaruit dit blijkt) en een schriftelijke verklaring van [C] dat de schuld op de peildatum nog bestond in het geding te brengen.

pand [woonplaats] (conventie 3.1 sub b.)

4.33.

Ter comparitie zijn de man en de vrouw overeengekomen dat de man ten aanzien van het pand [woonplaats] aan de vrouw een bedrag van € 15.000,00 dient te voldoen. Nu de man en de vrouw overeenstemming hebben bereikt op dit punt, behoeven de standpunten van partijen geen nadere bespreking.

pand [woonplaats] (conventie 3.1 sub a.)

4.34.

Ter comparitie hebben de man en de vrouw overeenstemming bereikt over de wijze waarop het pand [woonplaats] zal worden verdeeld (hiervoor, 3.7). Dit punt behoeft thans dan ook geen nadere bespreking.

verzekeringsuitkering speedboot (conventie 3.1 sub a.)

4.35.

Ter comparitie zijn de man en de vrouw overeengekomen dat de man de helft van € 14.364,00 aan de vrouw verschuldigd is. De vrouw maakt daarenboven aanspraak op wettelijke rente per 8 december 2005, omdat die datum gezien moet worden als de feitelijke datum van verdeling.

4.36.

De rechtbank overweegt dat de verzekeraar op 8 december 2005 de uitkering heeft gedaan, waarmee dit geldbedrag onderdeel ging uitmaken van de gemeenschap die nog verdeeld moet worden. Eerst nadat de gemeenschap is verdeeld, zou er sprake kunnen zijn van verschuldigdheid van wettelijke rente, indien een partij in verzuim is met de nakoming van zijn verplichtingen.

saldi diverse bankrekeningen (conventie 3.1 sub e.)

4.37.

De man en de vrouw hadden op 24 augustus 2004 drie bankrekeningen:

  • -

    Rabobank [rekeningnummer] op naam van de vrouw;

  • -

    ABN AMRO [rekeningnummer] op naam van de man en de vrouw gezamenlijk;

  • -

    een bankrekening op naam van de VOF.

4.38.

De vrouw dient opgave te doen, onderbouwd met stukken, van het saldo van de rekening die op haar naam staat met nummer [rekeningnummer], op 24 augustus 2004. De vrouw heeft op basis van de door haar ingestelde vorderingen geen aanspraak op opgave van het saldo van de rekening van de VOF per genoemde datum, omdat tussen partijen vaststaat dat dat saldo onderdeel uitmaakt van het vermogen van de VOF, dat per 31 december 2004 is verdeeld en per die datum dient te worden gewaardeerd.

4.39.

De man heeft ter comparitie toegezegd de gevraagde afschriften ten aanzien van de gezamenlijke bankrekening met nummer [rekeningnummer] te zullen overleggen. De man dient derhalve opgave te doen, onderbouwd met stukken, van het saldo van deze rekening op 24 augustus 2004.

schuld aan de gemeente Bodegraven

4.40.

De man en de vrouw zijn ter comparitie overeen gekomen dat de gemeenschappelijke schuld aan de gemeente Bodegraven op 24 augustus 2004 € 9.000,00 bedroeg en dat de vrouw een bedrag van € 4.500,00 aan de man verschuldigd is. De man stelt dat deze schuld inmiddels geheel is betaald door de VOF, hetgeen niet is betwist door de vrouw, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat de schuld is afgelost. De man heeft derhalve een regresvordering op de vrouw. Nu partijen zijn overeengekomen dat de vrouw een bedrag van € 4.500,00 aan de man verschuldigd is, waarmee partijen kennelijk hebben bedoeld dat de man dit bedrag in reconventie vordert, zonder dat de vrouw daartegen verweer voert, behoeft dit punt geen nadere bespreking.

betalingsverplichting [A] (reconventie 3.4 sub f.)

4.41.

De man c.s. legt aan deze vordering de stelling ten grondslag dat [A] de man € 70.134,00 heeft betaald als aanbetaling op de aankoop van een destijds aan de vrouw en de man toebehorende woning te [woonplaats] ([adres]), dat deze verkoop niet is doorgegaan vanwege het niet rond krijgen van financiering door [A], dat de man en de vrouw daarom een (terug)betalingsverplichting aan [A] hebben van genoemd bedrag, en dat de vrouw uit dien hoofde de helft ervan aan de man dient te betalen (onder verplichting van de man om [A] te voldoen).

4.42.

De vrouw betwist dat [A] genoemd bedrag aan de man heeft betaald en dat het bedrag nog dient te worden terugbetaald.

4.43.

De man c.s. heeft ter onderbouwing van zijn stelling (een kopie van) een op 2 september 2002 gedateerde overeenkomst met betrekking tot bedoelde transactie in het geding gebracht, ondertekend door de man, de vrouw en [A]. Daarin is vermeld dat [A] verplicht is om een aanbetaling te doen van genoemde € 70.134,00 en dat hij van dit bedrag € 42.689,00 op 2 september 2002 aan de man heeft voldaan. Naar het oordeel van de rechtbank levert deze akte met betrekking tot de daarin vermelde reeds verrichte aanbetaling geen dwingend bewijs op tussen de man en de vrouw, omdat hetgeen hieromtrent in de akte is vermeld kennelijk niet was bestemd om tussen de man en de vrouw onderling de ontvangst van dit bedrag door de man, te bewijzen (vgl. HR 20 januari 2012, NJ 2012/260). De akte heeft tussen de man en de vrouw slechts vrije bewijskracht. Ter zake van de door de man gestelde ontvangst van het verschil tussen het in de akte genoemde verschuldigde bedrag van € 70.134,00 en het volgens de akte betaalde bedrag van € 42.689,00, levert de akte verder geen aanwijzing op. Gelet op de gemotiveerde betwisting van de vrouw, zal de rechtbank de man opdragen om te bewijzen dat de man en de vrouw op 24 augustus 2004 een schuld van € 70.134,00 aan [A] hadden.

gebruiksvergoeding pand [woonplaats] (reconventie 3.4 sub g.)

4.44.

De vrouw mag nog op deze vordering reageren.

geldlening (reconventie 3.4 sub h.)

4.45.

De man c.s. heeft (getuigen)bewijs aangeboden van zijn stelling dat de man in september 2005 contant € 17.000,00 heeft betaald aan de vrouw (ten behoeve van aankoop van een woning te Egypte voor een familielid van de vrouw). De vrouw erkent slechts de ontvangst van € 10.000,00, welk bedrag reeds tussen partijen is verrekend met het bedrag van € 15.000,00 terzake het pand [woonplaats] op grond van de door hen ter comparitie getroffen regeling (zie ook r.o. 4.33), zodat van de gestelde vordering van de man nog € 7.000,00 resteert.

4.46.

De rechtbank zal de man c.s. overeenkomstig diens aanbod bewijs opdragen van de door hem gestelde betaling aan de vrouw van € 17.000,00.

lening Peugeot (reconventie 3.4 sub i.)

4.47.

De man en de vrouw zijn ter comparitie overeengekomen dat de vrouw terzake de lening voor de Peugeot een bedrag van € 5.000,00 aan de man dient te voldoen, welk bedrag wordt verrekend met het bedrag van € 15.000,00 terzake het pand [woonplaats] (zie r.o. 4.33). Dit onderdeel behoeft mitsdien geen verdere bespreking.

overdracht Chrysler (reconventie 3.4 sub j.)

4.48.

De man c.s. stelt dat de man aan de vrouw een Chrysler heeft overgedragen ter waarde van € 9.000,00, en dat de vrouw dit bedrag aan de man dient te vergoeden. De vrouw voert tegen deze vordering als verweer dat zij nooit eigenaar is geworden van deze Chrysler.

4.49.

Ter onderbouwing van zijn stelling heeft de man een document overgelegd, waaruit op geen enkele wijze van deze overdracht blijkt. De rechtbank zal de man in de gelegenheid stellen, overeenkomstig diens aanbod, om nadere stukken in het geding te brengen ter onderbouwing van de door hem gestelde overdracht.

voldoening premies ziektekostenverzekering (reconventie 3.4 sub k.)

4.50.

De man c.s. stelt dat de man over 2004 tot en met 2008 premies ziektekostenverzekering ten behoeve van de vrouw heeft voldaan, en vordert het bedrag van deze betalingen – tot € 4.930,00 – van de vrouw. De man c.s. heeft ten bewijze van zijn betalingen de volgende stukken in het geding gebracht:

  • -

    polisbladen Zorg en Zekerheid over de jaren 2004, 2007, 2008 en 2009, op naam van de man, voor zover van belang met betrekking tot de man en de vrouw;

  • -

    diverse premienota’s Zorg en Zekerheid, gericht aan de man, over verschillende maanden 2004, 2005, 2006, 2007 en 2008;

  • -

    diverse, maar geen opeenvolgende, bewijzen van betaling door RDH Passage aan Zorg en Zekerheid over genoemde periode 2004-2008.

4.51.

De vrouw voert als verweer dat zij met ingang van 1 januari 2005 haar eigen premies heeft voldaan. Zij beroept zich daarbij op:

  • -

    een brief van de man aan Zorg en Zekerheid van 5 januari 2005, waarin de man verzoekt om de vrouw en de kinderen van polis 00926589 (op naam van de man) af te halen;

  • -

    een polisblad Zorg en Zekerheid over het jaar 2005 op naam van de vrouw, met betrekking tot de vrouw en de kinderen (niet de man);

  • -

    opeenvolgende bewijzen van betaling ten laste van bankrekening[rekeningnummer] aan Zorg en Zekerheid over de periode mei 2009-april 2013.

4.52.

Uit het voorgaande blijkt niet dat de man over de door hem gestelde periode alle premies heeft betaald voor de vrouw. Maar ook indien hij de premies wel zou hebben voldaan, resteert de vraag of de man, tegenover de stelling van de vrouw dat zij zelf de premies heeft voldaan, gerechtigd is deze bedragen van de vrouw te vorderen.

4.53.

De rechtbank stelt de man c.s. in de gelegenheid om zijn vordering op dit onderdeel te onderbouwen met (a) een toelichting omtrent de titel waaronder hij aanspraak maakt op deze post, (b) nadere stukken ter onderbouwing van zijn vordering en (c) een berekening waaruit blijkt hoe zijn vordering is opgebouwd.

4.54.

De vrouw zal hier vervolgens op mogen reageren, waarbij zij bewijzen kan overleggen van haar stelling dat zij over de door de man genoemde periode de premies zelf heeft voldaan.

recapitulatie; verder verloop van de procedure

4.55.

Uit het voorgaande volgt dat de vrouw een akte dient te nemen met betrekking tot hetgeen is vermeld in 4.15, 4.23, 4.26, 4.28, 4.30, 4.38 en 4.44.

4.56.

[X] Monumenten, de neef en de broer dienen een akte te nemen met betrekking tot hetgeen is vermeld in 4.1.

4.57.

De man c.s. dient een akte te nemen met betrekking tot hetgeen is vermeld in 4.14, 4.23, 4.26, 4.27, 4.30, 4.32, 4.39, 4.49 en 4.53.

4.58.

De rechtbank zal de man c.s. bewijs opdragen van hetgeen hiervoor in 4.43 en 4.46 is vermeld.

4.59.

Indien de man c.s. het bewijs (mede) wenst te leveren door schriftelijke stukken of andere gegevens, dient hij deze afzonderlijk bij akte in het geding te brengen. Indien hij het bewijs wil leveren door het doen horen van getuigen, dient hij dit in de akte te vermelden en de verhinderdata op te geven van alle partijen en van de op te roepen getuigen. De rechtbank zal dan vervolgens een dag en uur voor een getuigenverhoor bepalen.

4.60.

Partijen moeten bij de getuigenverhoren in persoon, bij rechtspersoon: rechtsgeldig vertegenwoordigd, aanwezig zijn. Indien een partij zonder gegronde reden niet verschijnt, kan dit nadelige gevolgen voor die partij hebben.

4.61.

De rechtbank verwacht dat het verhoor per getuige 45 minuten zal duren. Als de man c.s. verwacht dat het verhoor van een getuige langer zal duren dan de hiervoor vermelde duur, kan dat in de te nemen akte worden vermeld.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

draagt de man c.s. op te bewijzen:

  1. dat de man en/of de vrouw op 24 augustus 2004 een schuld van € 70.134,00 aan [A] had(den);

  2. dat de man in september 2005 € 17.000,00 aan de vrouw heeft betaald ten behoeve van aankoop van een woning in Egypte.

5.2.

verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 18 december 2013 teneinde de man c.s. in de gelegenheid te stellen bij akte mede te delen op welke wijze hij bewijs wil leveren;

5.3.

bepaalt dat, indien de man c.s. (mede) bewijs wil leveren door middel van schriftelijke bewijsstukken, hij die stukken op die rolzitting in het geding moet brengen;

5.4.

bepaalt dat, indien de man c.s. bewijs wil leveren door middel van het horen van getuigen, hij op die rolzitting:

- de namen en woonplaatsen van de getuigen dient op te geven;

- moet opgeven op welke dagen alle partijen, hun (eventuele) advocaten en de getuigen in de drie maanden nadien verhinderd zijn; hij dient bij die opgave ten minste vijftien dagdelen vrij te laten waarop het getuigenverhoor zou kunnen plaatsvinden;

5.5.

bepaalt dat:

- voor het opgeven van verhinderdata geen uitstel zal worden verleend;

- indien de man c.s. geen gebruik maakt van de mogelijkheid om verhinderdata op te geven de rechter eenzijdig een datum zal bepalen waarvan dan in beginsel geen wijziging meer mogelijk is;

- het getuigenverhoor zal kunnen worden bepaald op een niet daarvoor opgegeven dagdeel, indien bij de opgave minder dan het hiervoor verzochte aantal dagdelen is vrijgelaten;

5.6.

bepaalt dat de datum en het tijdstip van het getuigenverhoor in beginsel niet zullen worden gewijzigd nadat daarvoor dag en tijdstip zijn bepaald;

5.7.

bepaalt dat de man c.s. op de hiervoor in 5.2 genoemde roldatum tevens een akte dient te nemen over hetgeen is vermeld in 4.57.

5.8.

bepaalt dat [X] Monumenten, de neef en de broer op de hiervoor in 5.2 genoemde roldatum een akte dienen te nemen over hetgeen is vermeld in 4.1.

5.9.

bepaalt dat de vrouw op de hiervoor in 5.2 genoemde roldatum een akte dient te nemen over hetgeen is vermeld in 4.55.

5.10.

bepaalt dat de vrouw op de rol van vier weken na die waarop de hiervoor in 5.7 en 5.8 bedoelde akten zijn genomen, daarop bij akte mag reageren.

5.11.

bepaalt dat de man c.s. op de rol van vier weken na die waarop de hiervoor in 5.9 bedoelde akte is genomen, daarop bij akte mag reageren.

5.12.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.P. de Jong-de Goede, mr. A.E. The-Kouwenhoven en mr. J.W. Frieling en in het openbaar uitgesproken op 20 november 2013.