Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:5866

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
13-11-2013
Datum publicatie
27-11-2013
Zaaknummer
C-16-341898 - FA RK 13-2325
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Rechter is niet gebonden aan afspraak ouders over kinderalimentatie. Geen aanleiding voor opheffing kinderrekening of hogere gezamenlijke kinderkosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Familierecht

locatie Utrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/16/341898 / FA RK 13-2325

alimentatie

Beschikking van 13 november 2013

in de zaak van

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats],

verzoekster,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. A.M.L. van As,

en

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats],

verweerder,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. R. de Vries.

1 Verloop van de procedure

De vrouw heeft op 10 april 2013 ter griffie van deze rechtbank een verzoekschrift ingediend.

De man heeft een verweerschrift ingediend.

Bij de rechtbank zijn daarnaast nog de volgende stukken binnengekomen:

- een brief van 24 april 2013 van de zijde van de vrouw met producties;

- een akte inhoudende aanvulling van de gronden van 13 september 2013 van de zijde van de vrouw met producties;

- een brief van 26 september 2013 van de zijde van de vrouw met productie;

- een F-formulier van 30 september 2013 van de zijde van de man met producties;

- een F-formulier van 7 oktober 2013 van de zijde van de vrouw met producties;

- een F-formulier van 9 oktober 2013 van de zijde van de man met producties. 

De minderjarige [mnderjarige 1] is op 10 oktober 2013 door de rechter gehoord.

De zaak is behandeld ter terechtzitting met gesloten deuren van 11 oktober 2013, waar beide partijen zijn verschenen, elk bijgestaan door de eigen advocaat.

2. Vaststaande feiten

Partijen hebben met elkaar een affectieve relatie gehad.

De minderjarige kinderen van partijen zijn:

[mnderjarige 1], geboren op [1996] te [geboorteplaats],

[minderjarige 2], geboren op [1998] te [geboorteplaats].

De man heeft beide kinderen erkend. Blijkens aantekening in het gezagsregister zijn

partijen gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag.

In het tussen partijen op 10 juli 2011 overeengekomen ouderschapsplan (hierna ook te noemen: overeenkomst) is, voor zover hier van belang, het volgende bepaald:

“De ouders komen overeen dat met ingang van 01-08-2011 maandelijks een bedrag ad

€ 187,25 (35% moeder) en € 347,75 (65% vader) naar inkomensrato ten titel van kinderalimentatie op de En/Of-rekening zal worden gestort. De ouders komen overeen dat dit bedrag aan kinderalimentatie in december 2011 opnieuw zal worden bekeken en zonodig worden aangepast. (...)

Ten behoeve van de kinderen is door de ouders een spaarrekening afgesloten, waarop maandelijks het resterende bedrag van de en/of rekening wordt gestort. Het saldo van deze rekening zal ten behoeve van de kinderen voor studie aangewend worden.”.

Meer specifiek is daarin verder bepaald dat het kopen van kleding gebeurt door de moeder en contributies worden betaald vanaf de en/of rekening, de kinderbijslag ten behoeve van de beide kinderen op die rekening wordt gestort, en de kosten van de school/vervolgopleiding naar rato van de inkomens zullen worden gedragen.

Partijen zijn daarin tevens een co-ouderschapregeling overeengekomen.

3 Beoordeling van het verzochte

3.1

De vrouw heeft gevraagd de tussen partijen gemaakte afspraken neergelegd in het ouderschapsplan, uitsluitend ten aanzien van “alimentatie” en “financiën”, te doen wijzigen aldus dat de man wordt veroordeeld om met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift aan de vrouw te voldoen een bedrag van € 650,- per kind per maand als bijdrage in hun kosten van verzorging en opvoeding.

Daaraan is ten grondslag gelegd dat het systeem van de kinderrekening niet langer houdbaar is, en dat de overeengekomen onderhoudsbijdrage primair door een wijziging van omstandigheden is opgehouden aan de wettelijke maatstaven te voldoen en subsidiair is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven.

3.2

Ten aanzien van het systeem van de kinderrekening stelt de vrouw dat de man daarvan op oneigenlijke wijze gebruik maakt door eigenhandig, dat wil zeggen: zonder instemming van dan wel overleg met de vrouw, saldi over te schrijven van die rekening naar een enkel op zijn naam gestelde bankrekening, of door bestedingen waarvoor de kinderrekening niet is bedoeld. Zij verzoekt daarom om rechtstreekse betaling aan haar van de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding.

Wat de bijdrage zelf betreft stelt de vrouw, naar de rechtbank begrijpt, dat zij heeft gedwaald omtrent het inkomen van de man waarop de afspraak over de percentuele verdeelsleutel mede is gebaseerd. In dit verband is naar voren gebracht dat het ouderschapsplan met inbegrip van de daarin opgenomen alimentatiebedragen, uit de koker van de man komen, dat de vrouw er toen op vertrouwde dat de man deze bedragen in alle redelijkheid had berekend maar dat zij zich achteraf realiseert dat die bijdragen gelet op het geschatte inkomen van de man ver van de werkelijkheid af staan. Als gevolg daarvan is er sprake van een wanverhouding in de respectieve bijdragen.

Ook stelt zij dat de destijds overeengekomen bijdragen ten behoeve van de kinderrekening niet toereikend zijn om alle kosten van de kinderen te dekken. De omvang van de behoefte van de kinderen is toen niet vastgesteld. Zelfs wanneer er van zou worden uitgegaan dat partijen de behoefte destijds welbewust hebben vastgesteld op het totaal van de bijdragen, concludeert de vrouw dat die behoefte, als rekening gehouden was met het veel hogere inkomen van de man en zijn inkomsten uit sparen en beleggen, volgens de wettelijke maatstaven zou zijn berekend op € 1.351,40 per maand.

Daarnaast stelt de vrouw zich op het standpunt dat het huwelijk met haar huidige echtgenoot als ook een verandering in haar inkomen en woonlasten meebrengen dat de overeenkomst is opgehouden te voldoen aan de wettelijke maatstaven.

3.3

De man voert verweer. Hij concludeert tot niet-ontvankelijkheid, subsidiair afwijzing van het verzoek.

Wat de kinderrekening betreft is aangevoerd dat zich weliswaar op 25 september 2012 een incident heeft voorgedaan. Een verschil van mening tussen partijen over de oplevering van de door de vrouw gehuurde woning waarvan de man eigenaar was, bracht de man ertoe zijn percentuele aandeel in het saldo van de kinderrekening op dat moment over te schrijven naar zijn eigen rekening. Er is echter geen betalingsprobleem ontstaan, terwijl het bedrag van

€ 2.157,75 na protest van de vrouw vrijwel direct is teruggestort. Het betrof een eenmalig incident, aldus de man. Er vindt tussen partijen regelmatig overleg plaats over de vraag of bepaalde kosten, zoals bijvoorbeeld voor een skivakantie of het abonnement op de Donald Duck volledig van de kinderrekening dienen te worden betaald, waarbij partijen telkens tot overeenstemming kunnen komen.

Voorts is het saldo op de kinderrekening (steeds) ruimschoots voldoende voor het betalen van de lopende uitgaven, zelfs zo dat er iedere maand gespaard kan worden. Er is inmiddels

€ 3.500,- op de spaarrekening van de kinderen gespaard en op de lopende kinderrekening staat op dit moment meer dan € 4000,--.

Wel neemt de man daarbij de incidentele uitgaven voor de kinderen voor zijn rekening, zoals de kosten van de opleiding tot snowboardleraar, een mountainbike, en een plezierritje in een Lamborghini als het jongste kind zich tot zijn 16e onthoudt van roken.

Het door de vrouw genoemde incident rechtvaardigt volgens hem dan ook niet een wijziging van de betalingswijze waarvoor destijds is gekozen, en die beiden de mogelijkheid biedt tot inzage in de stortingen op en bestedingen van de gezamenlijke kinderrekening.

Ten aanzien van de afgesproken bijdragen betwist de man dat sprake is van een wijziging van omstandigheden die zou meebrengen dat hij een hogere bijdrage dient te betalen.

Ook betwist de man dat de wettelijke maatstaven grovelijk zouden zijn miskend. Partijen hebben destijds de daadwerkelijke kosten van de kinderen tot uitgangspunt genomen voor de onderlinge verdeling daarvan naar rato van ieders inkomen. De normen van het Nibud waarop de vrouw zich beroept vormen slechts een richtlijn voor de berekening van de behoefte van de kinderen. Gebleken is bovendien dat alle kosten daadwerkelijk kunnen worden gedekt. Van een wanverhouding in de verdeling van die kosten is geen sprake, aldus de man, nog daargelaten dat bij een andere verdeling thans ook het inkomen van de huidige echtgenoot van de vrouw, als stiefouder, dient te worden betrokken.

Ontvankelijkheid

3.4

De rechtbank stelt voorop dat de vrouw ontvankelijk is in haar verzoek, ook wanneer niet zou zijn voldaan aan de voorwaarden genoemd in artikel 1:401 BW waaronder een overeenkomst betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak kan worden gewijzigd. Voor dit oordeel vindt de rechtbank steun in, onder meer, de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 30 oktober 2012 (LJN BZ3893), volgens welke de rechter zelfstandig over kinderalimentatie oordeelt en daarbij niet is gebonden aan wat de ouders daarover onderling zijn overeengekomen, ook zonder dat is voldaan aan bedoelde voorwaarden.

Dit uitgangspunt voor de oordeelsvorming betekent ook dat het beroep op dwaling van de vrouw, welke rechtsgrond ambtshalve is aangevuld, met het kennelijke oogmerk van gedeeltelijke vernietiging van de overeenkomst, geen aparte bespreking behoeft.

3.5

De rechtbank acht het redelijk, alle omstandigheden in aanmerking genomen, om zoveel mogelijk aan te sluiten bij hetgeen partijen voor ogen heeft gestaan bij het sluiten van de overeenkomst in die zin dat zij voor opheffing van de kinderrekening geen termen aanwezig acht. Daarbij heeft de rechtbank meegewogen dat tegenover de uitdrukkelijke en gemotiveerde betwisting door de man de vrouw haar stelling dat de man op oneigenlijke wijze gebruik maakt van de kinderrekening onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Voorts is meegewogen dat partijen een goedlopende co-ouderschapsregeling uitvoeren, waarbij de kinderen de ene week bij de man en de andere week bij de vrouw zijn. Gebleken is dat partijen hun onenigheden over het gebruik van de kindrekening steeds weten op te lossen. Van partijen mag worden verwacht dat zij op basis van de door de rechtbank hierna te bepalen financiële regeling met betrekking tot de kinderen ook in de toekomst in staat zijn over de uitvoering hiervan, voorzover nodig, eventueel nog nadere afspraken te maken.

3.6

Partijen zullen dan ook, in navolging van de overeenkomst, elk naar rato van het inkomen een evenredig deel moeten bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding.

Over de hoogte van die kosten zijn zij het niet eens.

Hieromtrent stelt de rechtbank in de eerste plaats vast dat alle kosten van de kinderen door partijen worden gedekt. De vrouw heeft dit ook niet betwist. Volgens haar is echter niet (geheel) duidelijk welke kosten zijzelf dragen, en welke kosten van de kinderrekening worden betaald. Ook bestaat bij haar onvrede over de “extraatjes” voor de kinderen die de man zich wel en zij niet kan veroorloven.

De rechtbank constateert dat in het ouderschapsplan niet een precies onderscheid wordt gemaakt tussen verblijfskosten en gezamenlijke kinderkosten. Dat dit thans door een van partijen als een gemis wordt ervaren noopt, zoals hiervoor is overwogen, wellicht tot nadere onderlinge afspraken, maar vormt geen aanleiding om tot herziening van de totale kosten van de kinderen te komen. Hetzelfde geldt voor de “extraatjes”. Ter terechtzitting is naar voren gekomen dat de incidentele, betrekkelijk hoge uitgaven ten behoeve van de kinderen (grotendeels) voor rekening komen van de man. Deze kosten drukken derhalve niet op de kinderrekening, en zullen naar het oordeel van de rechtbank binnen de nu gegroeide praktijk tussen partijen ook bij een andere verdeling van de bijdrage niet ten laste van de kinderrekening kunnen worden gebracht.

Voor een zelfstandige vaststelling van de behoefte bestaat des te minder reden nu van de gezamenlijke kinderrekening nog kan worden gespaard. Het in het ouderschapsplan genoemde bedrag van € 535,- per maand voor gezamenlijke kinderkosten acht de rechtbank daarom redelijk. Voor de bepaling van de hoogte daarvan zal de rechtbank dus daarbij aansluiten.

3.7

Vervolgens komt aan de orde hoe die kosten tussen partijen moeten worden verdeeld rekening houdend met ieders inkomen, met inbegrip van het inkomen van de eveneens onderhoudsplichtige stiefouder. Gelet op de co-ouderschapregeling behoren de minderjarige kinderen immers ook tot zijn gezin.

3.8

De rechtbank stelt allereerst vast dat door de vrouw geen verweer is gevoerd tegen de door de man overgelegde berekeningen van de draagkracht van de vrouw en haar huidige echtgenoot, waarbij ook rekening is gehouden met de alimentatiebijdragen van deze stiefouder voor de eigen kinderen. De rechtbank zal daarom uitgaan van de berekeningen zoals die door de man zijn overgelegd en de draagkracht van de vrouw vaststellen op

€ 195,- per maand en die van haar echtgenoot op € 200,- per maand. Wat betreft het bruto arbeidsinkomen uit dienstbetrekking van de vrouw gaat de rechtbank uit van het salaris bij indiensttreding op 1 maart 2013. Dit sluit immers aan bij de ingangsdatum van het verzoek. De door haar werkgever in het vooruitzicht gestelde salarisverhoging met

€ 100,- bruto per maand na het behalen van een branchediploma laat de rechtbank daarom buiten beschouwing. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen zelf na verwezenlijking van deze salarisverhoging haar draagkracht en de daaruit voortvloeiende verdeling herberekenen.

3.9

Wat betreft de draagkracht van de man verschillen partijen van mening over het in aanmerking te nemen bruto arbeidsinkomen uit dienstbetrekking, over de aanspraak op regulier voordeel uit aanmerkelijk belang in de vorm van dividend, en over de toerekening van inkomen uit sparen en beleggen. Bij deze toerekening gaat het om de vraag of ervan kan worden uitgegaan dat de vakantiewoning in Oostenrijk en de particulier verhuurde woning in Nieuwegein, beide in eigendom van de man, een opbrengst opleveren van 4% van de rendementsgrondslag.

3.10

Vaststaat dat de man als directeur-grootaandeelhouder thans een bruto salaris ontvangt van € 4.923,15 exclusief 8% vakantiebijslag. De stelling van de vrouw dat volstrekt onduidelijk is waarom het salaris is teruggebracht van € 73.051,- bruto per jaar in 2011 naar dit huidige salaris, heeft de man naar het oordeel van de rechtbank voldoende weersproken. Zoals blijkt uit de overgelegde salarisspecificaties is de waarde van het privégebruik van de auto in 2011 nog wel, maar in 2013 niet meer bij het salaris opgeteld.

De rechtbank gaat daarom voorbij aan de stelling van de vrouw dat moet worden uitgegaan van het voorheen genoten hogere salaris.

Hetzelfde geldt voor haar stelling dat rekening moet worden gehouden met een dividend uit deelnemingen van € 50.000,- op jaarbasis. Zij heeft zich daarbij gebaseerd op dividenden die aan de man in 2010 en 2011 (zouden) zijn uitgekeerd en op de positieve bedrijfsresultaten respectievelijk de solide liquiditeitspositie van de onderneming van de man.

Hieromtrent heeft de man ter terechtzitting onbetwist naar voren gebracht dat, zoals ook blijkt uit de overgelegde desbetreffende aangifte en aanslag inkomstenbelasting over 2010, het over dat jaar uitgekeerde dividend niet is geaccepteerd. Onweersproken gebleven is ook dat het over 2011 uitgekeerde dividend is aangewend om de vrouw uit te kopen na de beëindiging van hun relatie.

Wel acht de rechtbank het redelijk om rekening te houden met een rendement van 4% over de WOZ waarde van de woning te Nieuwegein, zijnde € 7.794,- op jaarbasis. De omstandigheid dat een daarin illegaal door de toenmalige huurder gevestigde wietplantage voor de man, als eigenaar, hoge herstelkosten met zich bracht, blijft voor rekening van de man en doet er niet aan af dat de woning sinds 1 juni 2013 weer inkomsten genereert.

Verder is, naar het oordeel van de rechtbank door de man voldoende aannemelijk gemaakt dat de vakantiewoning in Oostenrijk veel in gebruik is bij familie en vrienden en dat de baten tegen de kosten wegvallen. De vrouw heeft dit niet betwist.

Op grond van het bovenstaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de draagkracht van de man moet worden becijferd op € 1.287,- per maand inclusief fiscaal voordeel van € 144,-.

3.11

Gelet op de co-ouderschapregeling warbij de kinderen evenveel tijd bij de man als bij de vrouw doorbrengen en gelet op de draagkracht acht de rechtbank het redelijk de bijdrage van de man aan de gezamenlijke kinderrekening aldus vast te stellen dat voor zijn rekening komt de helft van het in het ouderschapsplan afgesproken bedrag, te weten € 535,- : 2 = € 267,50 per maand, plus zijn aandeel in de andere helft naar rato van de draagkracht van de man, de vrouw en haar nieuwe echtgenoot.

3.12

Gelet op de respectieve draagkracht van de onderhoudsplichtigen zal de rechtbank het aandeel van de man stellen op: 1287 : (1287 + 200 + 195) x 535 = (afgerond) € 410,- per maand.

Nu de gevraagde wettelijke indexering van de aan de man op te leggen onderhoudsbijdrage rechtstreeks volgt uit de wet, heeft de vrouw geen belang bij een beslissing hierover.

4 Beslissing

De rechtbank bepaalt, met wijziging in zoverre van het ouderschapsplan, dat de man als bijdrage aan de gezamenlijke kinderrekening ten behoeve van de minderjarige kinderen telkens door storting bij vooruitbetaling dient te voldoen € 410,- per maand vanaf 10 april 2013.

Deze beslissing is tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Het meer of anders verzochte wordt afgewezen.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. Crouwel, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken op 13 november 2013, in tegenwoordigheid van J.D. Koteris als griffier.